Speelfilm verdient blijvende ondersteuning

De fiscale maatregel die de speelfilmindustrie moet stimuleren, blijkt de schatkist grote bedragen te kosten. Het ministerie van Financiën houdt de regeling tegen het licht....

IN ONS LAND werden geregeld speelfilms geproduceerd, maar van een continue, kostendekkende productie was geen sprake. De belangrijkste oorzaken zijn de hoge productiekosten, het beperkte taalgebied en de overaccentuering van het artistieke karakter van film door subsidieverleners. In Nederland waren speelfilms dure incidenten die onmogelijk zonder hoge subsidies konden worden geproduceerd.

Dat is verleden tijd, nu er sinds 1998 een fiscale maatregel van kracht is ter stimulering van de speelfilmindustrie. Willem Vermeends ingreep heeft ertoe geleid dat er nu tientallen speelfilms geproduceerd worden; elke technicus is aan het werk, alle faciliteitenbedrijven zijn volgeboekt, iedereen draait overuren, moet aanbiedingen afzeggen, denkt aan uitbreiding van de capaciteiten - en dat alles dankzij Vermeends simpele, maar uiterst effectieve maatregel.

De investeerder mag zijn participatie willekeurig afschrijven en krijgt 27 procent investeringspremie. Mocht de onderneming die de film produceert gaan staken, dan geniet hij een stakingsvrijstelling. Het risico voor de investeerder wordt hierdoor in feite bijna geheel weggenomen; het is voor hem uiterst aantrekkelijk om zijn geld in een film te steken.

Vijftig procent van de voortbrengingskosten van een film dienen in Nederland te worden besteed, waardoor het aanvankelijke verlies van inkomstenbelasting op den duur ruimschoots goedgemaakt wordt door nieuwe mogelijkheden tot belastingheffing. Al die mensen en bedrijven die momenteel aan films werken dragen hun premies af, betalen hun aanslagen en draaien mee in de BTW-kermis. Dit alles is prachtig en een perfect voorbeeld van geslaagd overheidsbeleid, maar de vraag blijft of de ontluikende Nederlandse filmindustrie ook zonder deze maatregelen kan overleven. Op deze plek luidt het antwoord: nee. Maar aan het einde van dit stuk zal ik precies het tegenovergestelde beweren.

Op India en de Verenigde Staten na kan geen enkele nationale filmindustrie zichzelf bedruipen. Elk ontwikkeld land ondersteunt daarom via subsidies of fiscale maatregelen zijn nationale filmindustrie. Dat levert nog niet direct voldoende toeschouwers op: Nederlandstalige speelfilms vinden in Nederland al nauwelijks een publiek, zelfs wanneer ze Oscars winnen, laat staan in de rest van de wereld.

Het produceren van tientallen Nederlandstalige films per jaar is dan ook commercieel bezien nogal overdreven. Artistiek en cultureel gezien ligt dat anders; wil de Nederlandse cultuur ook in films gestalte krijgen dan dienen die met subsidies te worden gemaakt. Dat was al het geval voor Vermeends ingreep, en het leverde meer films op dan het Nederlandse publiek en de internationale markt konden verwerken. Overheidssteun blijft nodig, ook al is het steun die zichzelf terugverdient.

Het is eigenaardig dat ook Amerikaanse films, de universele droomproducten van Hollywood, met moeite hun productiekosten terugverdienen. Er zijn altijd uitzonderingen, maar de gemiddelde Amerikaanse film kan nauwelijks zijn budget terugspelen. De keten tussen financier en bioscoopkassa is extreem lang en bestaat uit vele schakels. Voordat er geld doorgesijpeld is naar de geldschieter, is 75 procent van het aan de kassa betaalde bedrag onderweg blijven 'hangen'. Met andere woorden: het geld in de speelfilmindustrie wordt normaliter niet verdiend in de financiering van de productie, maar in de distributie. De Amerikaanse studio's kunnen op hun productiebudgetten toeleggen, omdat zij het distributieapparaat beheersen. Daar stellen ze hun marges veilig.

Hierin onderscheiden zij zich fundamenteel van elke niet-Amerikaanse speelfilmproducent. Sinds het einde van Polygram bestaat er buiten Amerika geen filmbedrijf dat over een eigen wereldwijd distributienetwerk beschikt. Nergens, behalve in Hollywood, zijn financiering, productie en distributie samengebald tot een kracht die wereldwijd filmvertoningen kan afdwingen . Alleen de grote filmstudio's zijn daartoe in staat - en in mindere mate enkele Franse conglomeraten. Hun netwerken hebben de internationale speelfilmmarkt eenzijdig Amerikaans-Engelstalig gemaakt.

Een ander fundamenteel verschil is het fenomeen van het sterrensysteem. Amerikaanse films met sterren kunnen hoge voorschotten van lokale distributeurs opleveren en hiermee een groot deel van de productiekosten afdekken. Buiten Amerika zijn er nauwelijks niet-Engelstalige acteurs te vinden met dezelfde kassakracht. Een dure Franse kostuumfilm als Vatel, die nu in de Nederlandse bioscopen draait, heeft dat probleem proberen op te lossen door een bekende Amerikaanse actrice aan de Franse cast toe te voegen. Maar haar kassa kracht bleek te gering om het hoge budget te compenseren. En de extreem hoge honoraria - de meest populaire sterren hebben inmiddels de grens van vijfentwintig miljoen dollar per rol bereikt - kunnen alleen door de grote studio's of aan de studio's gelieerde producenten worden opgebracht.

Het Europese subsidiebeleid heeft hierin geen enkele verandering kunnen brengen. De subsidies leidden tot nog meer nationale versnippering en de subsidies voor distributie kwamen slechts mondjesmaat los. Alleen initiatieven à la Airbus zouden tot een Europese speelfilmstudio kunnen leiden, en ofschoon ik een koppige optimist ben, zie zelfs ik de onmogelijkheid van een dergelijk plan in.

Voorlopig zullen we moeten leven met de feiten: de Amerikanen beheersen de wereldfilmmarkt en de doeken van de Europese bioscopen; zij bepalen wat Europeanen als filmkunst en filmamusement te zien krijgen.

De voorgaande alinea begon ik met het woord 'voorlopig'. De tijden veranderen. In Canada bestaat sinds de invoering van risicobeperkende filmmaatregelen een bloeiende dienstverleningsindustrie die Hollywood bedient. De Amerikaanse studio's brengen hun filmproducties maar al te graag naar Canada, want daar krijgen ze twintig procent kostenreductie. In de studio's en op de straten van Vancouver worden meer speelfilms gemaakt dan in Los Angeles.

Zoals ik hierboven al schreef: op de productie leggen ook de studio's geld toe. Dus maken ze met alle liefde voor twintig procent kostenreductie de gang naar Canada. Op hun films van vele tientallen miljoenen dollars levert een besparing van twintig procent al snel enorme bedragen op. De huidige Nederlandse fiscale regels zijn superieur aan die in Canada. Als ze gehandhaafd worden, zal het mogelijk zijn om in Nederland van oorsprong Amerikaanse speelfilms te produceren die vele duizenden technici continu aan het werk houden. In de periferie van deze productieactiviteiten zullen de noodzakelijke filmexperimenten en de lokale Nederlandstalige films profiteren van het vakmanschap en de routine die in de dienstverlening worden opgedaan en kunnen door Nederlanders ontwikkelde, Engelstalige speelfilms voor de internationale markt worden geproduceerd. Een dienstverleningsindustrie kan zeer rendabel zijn, zoals de Canadese filmindustrie aantoont.

Maar dat is niet de slottoon van dit stuk, hoe belangrijk die ook is. Het belangrijkste argument om het bestaande fiscale regime te beschermen is nog niet aan de orde gekomen: het is de digitale revolutie die binnen tien jaar het karakter van de huidige filmtechnieken, en onze gehele omgang met media en entertainment, definitief zal veranderen.

Digitale technieken krijgen bij het produceren van speelfilms steeds meer de overhand, steeds vaker worden 'computer driven'-effecten toegepast en in toenemende mate zullen films digitaal worden opgenomen en afgewerkt. Een op digitale technieken steunende filmindustrie kan net zo goed in Amsterdam ontstaan als in Los Angeles; palmbomen, heuvels met villa's, stretchlimo's en Californische zonsondergangen kunnen straks digitaal aan een verregende Amsterdamse gracht worden gesimuleerd. Bovendien zal het binnen tien jaar mogelijk zijn om speelfilms wereldwijd buiten de kanalen van de Amerikaanse studio's om - wat op dit moment zo goed als onmogelijk is - via breedbandnetwerken te distribueren. Via World Online, het NOB of een alliantie van internetbedrijven zullen sterke speelfilmproductiebedrijven hun eigen distributie kunnen verzorgen. In de nabije toekomst zal het gebruik van bepaalde portals mede worden beïnvloed door de speelfilms, het amusement en de nieuwsvoorziening die er worden aangeboden. En omgekeerd zullen speelfilms hun kijkers naar bepaalde portals lokken. Vreemd genoeg wordt in het Nederlandse stimuleringsbeleid ten aanzien van IT-technologie volledig voorbijgegaan aan de essentiële rol van de speelfilm.

In de digitale technieken en de samensmelting van televisie, internet, video-on-demand en de reguliere videodistributie liggen de kansen verborgen om de Amerikaanse distributiehegemonie te doorbreken. De verbintenis van Time Warner en AOL is de eerste verdedigingslinie die de Amerikaanse mediaconglomeraten hebben opgeworpen tegen dit gevaar. Maar wanneer Nederland een rol wil spelen in de nieuwe technologie die de eerste helft van deze eeuw zal gaan markeren, kan het met behulp van de fiscale regels zijn eigen digitale speelfilmindustrie opbouwen en buiten Los Angeles een machtsfactor van belang zijn. Dit klinkt ambitieus, en dat dient het ook te zijn.

Financiering - Productie - Distributie; dat is de heilige drie-eenheid van de filmindustrie. Veel tijd hebben we niet meer om de produktie- en distributiefaciliteiten op te bouwen, maar ze kunnen er binnen twee à drie jaar zijn, op tijd om de slag niet alleen aan te gaan maar hem ook te winnen. De financieringsmogelijkheden middels fiscale maatregelen zijn er. Het is zaak om die met onbepaalde tijd te verlengen.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden