Beschouwing Het Songfestival van 1975

Spanningen op het Songfestival? In het ‘Ding-a-dong’-jaar 1975 was het zeker niet beter

De Nederlandse popgroep Teach-In tijdens de reprise na het winnen van het Eurovisie Songfestival in Stockholm, met het nummer 'Ding-a-dong'. Op de achtergrond het scorebord. Zweden, Stockholm, 22 maart 1975. Beeld Hollandse Hoogte

Wie denkt aan het Songfestival van 1975, barst spontaan uit in het blije Ding-a-dong. Weinig mensen zullen zich herinneren dat de sfeer minstens zo gespannen was als die nu dreigt te worden in Tel Aviv.

De feestelijke stemming in Nederland wordt er zeker niet minder om – hoera: Duncan Laurence zou de ­finale van het Songfestival volgens de wedkantoren zomaar kunnen winnen. Maar de vierenzestigste editie van het Europese liedjesfeest dreigt wel een bijzonder roerige aflevering te worden. Dankzij de overwinning van de Israëlische Netta in 2018 mag Tel Aviv over twee weken de schouders onder een muzikaal, maar vooral ook politiek spektakel zetten. 

Actiegroepen roepen al maanden om een internationale boycot van het festival, vanwege het Israëlisch-­Palestijnse conflict en alle ellende die daarmee samenhangt. ‘Zero points to the song of Israeli Apartheid’, stelt bijvoorbeeld de beweging Boycott, Divestment, Sanctions (BDS). Drie weken geleden werd gedemonstreerd bij de Afas in Amsterdam, toen daar een prematuur Songfestivalfeest werd gehouden. Intussen neemt ook in het gastland de spanning toe. Vorige maand werd even ten noorden van Tel Aviv een boerderij ­verwoest door een raket, afkomstig van de Palestijnse verzetsbeweging Hamas. ‘Een vergissing’, noemde ­Hamas die aanslag, maar volgens doemdenkers in ­Israël zou het een waarschuwing aan het adres van de Songfestivalorganisatie kunnen zijn.

Grimmige editie

Toch denken we in Nederland als het Songfestival ­nadert vooral aan blije dingen. Aan de kansen van ­Laurence dit jaar, maar toch ook aan die laatste keer dat ‘we’ het festival wonnen bijvoorbeeld, in 1975. De licht psychedelische popband Teach-In uit Enschede, met de blijmoedige zangeres Getty Kaspers aan het roer, ging er toen zomaar vandoor met de Eurovisiebokaal, met het vlak voor het festival in elkaar gesleutelde liedje Ding-a-dong. 

In de net verschenen biografie Een leven lang geleden haalt Kaspers herinneringen op aan het jubeljaar. Maar ze wijst ook op iets dat we in Nederland door al dat feestgedruis na haar overwinning een beetje vergeten waren. Het Songfestival van 1975 in Stockholm was óók een grimmige en politiek beladen editie, waarbij de spanningen rond Tel Aviv 2019 in een ander, misschien wel enigszins geruststellend perspectief kunnen worden geplaatst. In de memoires van Kaspers komen explosieven­opruimingsdiensten en zwaarbewapende agenten voorbij, wordt gedemonstreerd en geboycot en is de terreurdreiging rond het festival bijna voelbaar.

We denken nu misschien dat het niet goed gaat met de wereld en dat we aan polemiek en tegenstellingen ten onder dreigen te gaan. Maar laat het een schrale troost zijn: in 1975 stonden we er, ook in Europa, veel slechter voor. Ook toen al speelde ‘de Palestijnse zaak’: de Palestijnse Bevrijdingsorganisatie (PLO) pleegde in de jaren zeventig een aantal dodelijke aanslagen, ­waaronder die op Israëlische atleten bij de Olympische Spelen van München in 1972. 

En hoewel de Palestijnse leider Yasser Arafat in 1974 had aangekondigd dat de PLO zou stoppen met aanslagen op Israëlische doelen buiten dat land, was de spanning in Stockholm om te snijden. Israël deed voor de derde keer mee aan het Songfestival, en al zong Shlomo Artzi een onschuldig liefdesliedje (At Ve’Ani, 40 punten), de arme folkzanger stond onder permanente bewaking en volgens Getty Kaspers hing zelfs op het toilet in de hotelkamer van Artzi nog een camera.

De Palestijnse leider Yasser Arafat spreekt de Verenigde Naties toe in 1974. Beeld AFP

Maar het Songfestival van 1975 ging gebukt onder een veel concreter terreurdreiging. Volgens Duitse inlichtingendiensten was de gevreesde Baader-Meinhof-groep van de Rote Armee Fraktion (RAF) in de maanden voorafgaand aan het festival bezig geweest een aanslag voor te bereiden in Stockholm. De ‘anti-imperialistische’ RAF had de pijlen in de jaren zeventig vooral gericht op politici en militaire en ‘kapitalistische’ doelen, maar de veiligheidsdiensten dachten dat een aanslag op een internationaal en geld­verslindend festival als het Songfestival ook een mogelijkheid was. Dus waren de veiligheidsmaatregelen in Stockholm streng en veelomvattend. 

Westduitse terroristen van de Baader-Meinhof-groep in 1975. Beeld ANP

In haar biografie memoreert Getty Kaspers de zeer gespannen sfeer op het vliegveld en rond het Stockholmsmässan-beursgebouw, waar het Songfestival werd gehouden. ‘Na afloop van de generale repetitie moest iedereen het terrein van Stockholmsmässan verlaten. Bomexperts en speciale speurhonden betraden het gebouw en keerden iedere uithoek binnenstebuiten’, laat Kaspers optekenen. Om daarna soepel over te schakelen op de volgende affaire: ‘Wapens werden er niet gevonden. Wel was er bij de ingang van de hal sprake van een opstootje. De Portugese delegatie, onder aanvoering van de zanger Duarte Mendes, werd belaagd door een groepje demonstranten. ‘Geef ons muziek voor het volk en geen commercials’, kreeg de zanger naar zijn hoofd gesmeten.’

Geluk bij ongeluk

Er was ook een positieve uitkomst van alle rumoer rond het Songfestival van 1975. In het gastland Zweden werd geprotesteerd tegen de enorme hoeveelheid geld die radiomaatschappij Sveriges Radio in het festival moest steken, en uiteindelijk wilde de radiozender het festival na 1975 niet eens meer uitzenden. ­Eurovisie zag zich genoodzaakt de regels aan te passen. De financiële structuur ging op de schop en na 1975 werden de kosten voor de internationale uitzendingen van het festival eerlijker verdeeld tussen de deelnemende landen.

‘Commerciële muziek’

Wéér een actiegroep, die kon het Songfestival er nog wel bij hebben. De organisatie van het festival van 1975 was naar Zweden gegaan, omdat in 1974 Abba had gewonnen met het liedje Waterloo. Volgens alternatieve Zweedse muziekliefhebbers was dat lied van Abba er het bewijs van dat de hele popmuziek naar de bliksem werd geholpen, dus moest ook hierover een punt worden gemaakt te Stockholm. Eerst werd nog luidkeels geprotesteerd tegen de enorme hoeveelheden geld die gastland Zweden in het festival moest pompen, maar gaandeweg richtte de woede zich steeds meer op ‘commerciële muziek’, die volgens de actievoerders leeg en betekenisloos was. Delegaties van deelnemende landen werden bij het in- en uitlopen van het Stockholmsmässan-gebouw gehinderd door demonstranten. En er werd zelfs een alternatief Songfestival georganiseerd, waar iedereen die wilde zelf een liedje kon vertolken, van Schlager- tot hardrockstrijdkreet.

Protesten tegen de hoge kosten van het Songfestival en de vercommercialisering van de popmuziek, Stockholm 1975. Beeld ANP

Met de Portugese delegatie en dus die zanger Duarte Mendes was ook nog iets anders aan de hand. In Portugal had in 1974 de Anjerrevolutie plaatsgevonden, die een einde maakte aan het rechtse regime van Marcello Caetano. Het liedje van Mendes was een lofzang op de Anjerrevolutie, waaraan hij zelf als militair had deelgenomen. Het was naar verluidt de bedoeling dat Mendes en bandleden met nepwapens het podium op zouden komen in de Stockholmsmässan, maar dat feestelijke voornemen werd uiteindelijk door de Eurovisie-organisatie uit zijn hoofd gepraat.

Dan speelden er nog twee grote internationale affaires, die in Stockholm moesten worden uitgevochten. In Chili had de rechtse generaal Pinochet in 1973 de macht gegrepen en uit protest daartegen weigerden Zweedse televisie-technici de rechtstreekse opnames door te spelen aan de Chileense televisie. De Chilenen waren altijd groot liefhebber geweest van het Eurovisie Songfestival, waarschijnlijk mede dankzij de Europese migranten die zich in het land gevestigd hadden. Maar in 1975 kon Chili de zegetocht van Teach-Ins Ding-a-dong dus niet live meemaken. 

De Portugese zanger Duarte Mendes, die tijdens het Songfestival van 1975 een lied zong over de Anjerrevolutie.

En ook Griekenland moest het in 1975 zonder Songfestival doen. Omdat Turkije dat jaar mocht debuteren als Songfestivalland stapte Griekenland woedend uit de competitie. Griekenland en Turkije konden natuurlijk altijd al slecht met elkaar overweg - in het begin van de twintigste eeuw vochten de landen een lange reeks veldslagen uit - maar in 1975 stonden de landen ouderwets met de koppen tegen elkaar. In 1974 had het militaire bewind van Griekenland een staatsgreep in gang gezet op het door beide landen betwiste eiland Cyprus, waarna Turkije Cyprus binnenviel in een poging de Griekse staatsgreep weer teniet te doen. Om dan op hetzelfde podium liedjes te gaan zingen - nee, daar had in ieder geval Griekenland geen zin in.

Het is al met al een wonder dat het Songfestival van 1975 überhaupt doorging - ook daar mag Israël dit jaar hoop uit putten. Volgens Getty Kaspers was de sfeer rond het festival weliswaar bijzonder gespannen, maar werden de artiesten en de delegaties van de deelnemende landen zo veel mogelijk ver van het politieke en maatschappelijke geweld gehouden. ‘Wij moesten ons bezig houden met onze liedje, en klaar.’

In Israël wordt intussen al maanden ruzie gemaakt over de enorme kosten voor de beveiliging van het evenement en wie daarvoor moet opdraaien. De Israëlische overheid probeert van de nood ook een deugd te maken: de bijna tweeduizend journalisten die het Songfestival komen verslaan kunnen straks deelnemen aan een lesprogramma getiteld: ‘Israël voorbij het conflict.’ 

Dramatisch einde

In Stockholm kwamen de spanningen rond het Songfestival in 1975 nog wel tot een dramatisch einde. De terreurorganisatie RAF was echt bezig geweest met het beramen van een aanslag, want een maand na het Songfestival werd de West-Duitse ambassade in Stockholm aangevallen. De terroristen van de RAF schoten twee gijzelnemers dood en lieten uiteindelijk een bom afgaan in de ambassade. Het was de gevreesde aanslag waaraan het Songfestival dat jaar was ontsnapt.

Politie bij de Westduitse ambassade in Stockholm, na een aanslag van de Baader-Meinhof-groep in april 1975. Beeld AFP

Dave Boomkens: Een leven lang geleden. Luitingh-Sijthoff; 232 pagina’s; € 19,99.

Getty Kaspers (71) over haar zege

Ze is niet zomaar een Songfestivalwinnaar, zoals Corry Brokken (1957), Teddy Scholten (1959) en Lenny Kuhr (1969). Nee: Getty Kaspers (71) is onze láátste winnaar. In 1975 zong zij met de band Teach-In het zalige niets-aan-de-hand-liedje Ding-a-dong naar de hoogste notering, en het nummer werd daarna een stoere wereldhit.

Omdat we in Nederland nu eenmaal ieder jaar denken dat we weer kans maken, wordt Getty Kaspers jaar in jaar uit herinnerd aan haar prestatie met Teach-In en dat stralende hoogtepunt in haar leven. ‘Hoe ouder je wordt, hoe meer je beseft dat het echt heel bijzonder is wat er destijds is gebeurd. Natuurlijk ook omdat ik de laatste winnaar ben geweest. Maar ik hoop ieder jaar dat ik het stokje eindelijk kan doorgeven.’

In haar meeslepende biografie Een leven lang geleden vertelt Kaspers over haar turbulente leven voor en na ‘Stockholm 1975’. Het is boeiend om te lezen hoe de Nederlandse deelname tot stand kwam, en vooral hoe zorgeloos dat Songfestival destijds werd georganiseerd. ‘Een week voor we naar Stockholm afreisden stonden we nog in Nederland te spelen’, zegt Kaspers. ‘Bij de repetities in Stockholm werd een kruis op het podium getekend. Zo van: hier moet jij gaan staan, Getty. Het is niet te vergelijken met het enorme theater dat het Songfestival nu is ­geworden.’

Ze vindt het weleens jammer dat ze niet meer bij het Nederlandse Songfestivalteam is betrokken. Om advies te geven, te zeggen hoe het misschien beter kan. ‘Ik heb er toch verstand van. Ik heb één keer meegedaan en ik heb gewonnen, dus tsja.’ De inzending van Duncan Laurence dit jaar kan Kaspers zeer waarderen, al duurde het even voor het kwartje viel. ‘Ik ben niet zo van de verdrietige nummers. Ik hou meer van vrolijk. Maar ik moet toegeven: ik begrijp dat nummer Arcade zo langzamerhand. Het valt op, het is gewoon bijzonder. En dan dat ene zinnetje in het refrein, dat ik maar niet uit mijn kop krijg. Dat ‘loving you is a losing game’. Dat blijft zó hangen. Dat is volgens mij het ‘ding-a-dong’ in ons liedje, en dus de oorwurm van nu.’

Volgens Kaspers kan Laurence winnen. ‘Hij straalt rust uit. Hij is relaxed, en dat past bij het nummer, dat toch een soort tragedie is met een optimistisch einde. Dus: hoop doet leven.’

Getty Kaspers. Beeld Pauline Niks
Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden