Spaanse geest op Utrechtse grond

Na het echec van Hoog Catharijne heeft de gemeente Utrecht genoeg van bunkerbouwers - zo blijkt uit het ingrijpend verbouwde stadhuis, dat vandaag door koningin Beatrix wordt geopend....

GEEN STAD in Nederland die de laatste decennia zo grossierde in grimmige nieuwbouw als Utrecht. Allereerst is daar het winkelcentrum Hoog Catharijne, een betonnen bunker met een oppervlak van vele voetbalvelden. De kantoorkolossen die banken en verzekeraars even verder langs het spoor hebben opgetrokken, zijn al net zo kleurloos en in zichzelf gekeerd. Het leverde de stad ettelijke noteringen op in de door weekblad Vrij Nederland samengestelde toptien van Lelijke Nieuwbouw.

Als de stad aan haar ongelukkige hand een nieuwbouwtrauma heeft overgehouden, dan wordt dit zoetjesaan afgeschud. Recente nieuwbouwobjecten maken duidelijk dat Utrecht geen bunkerbouwers meer wil, maar architecten die monumentaliteit weten te paren aan flair en helderheid. Een spraakmakend voorbeeld is de studentenflat die architect Rem Koolhaas op het universiteitscomplex De Uithof neerpootte.

Met het drastisch verbouwde stadhuis - kosten 40 miljoen gulden - denkt Utrecht een nieuwe, architectonische trekpleister binnengehaald te hebben. De bestuurszetel voor de nieuwe eeuw wordt vandaag door koningin Beatrix officieel in gebruik genomen.

Het is een openingshandeling met een rouwrandje; projectarchitect Enric Miralles overleed in juli op 45-jarige leeftijd aan een hersentumor. Miralles' laatste rustplaats is het door hem zelf ontworpen kerkhof Igualada in zijn woonplaats Barcelona.

In Miralles' vroege overlijden schuilt een bittere ironie. Critici prijzen het ontwerp voor het Utrechtse stadhuis om zijn vitaliteit, uitbundigheid en temperament. Dat Miralles deze kwaliteiten in het stadhuis heeft weten bloot te leggen, mag een prestatie heten. Na jaren van intensief gebruik was het Utrechtse stadhuis veranderd in een bedompt labyrint. Personeel en bezoekers moesten hun weg zoeken door een sleets gangenstelsel, de raadszaal had de uitstraling van een bedrijfskantine en fraaie details waren weggemoffeld achter voorzetwanden en systeemplafonds.

De problemen zijn grotendeels terug te voeren op de ontstaansgeschiedenis van het stadshuis. De kern van het gebouw bestaat uit tien middeleeuwse panden en stadskastelen, die in de loop der tijd met elkaar vergroeid zijn geraakt. De wonderlijke historie begon in 1343, toen de stad het pand Hasenberg aankocht als huisvesting voor de schepenen. Met het uitdijen van de stad groeide ook de behoefte aan een groter gemeentehuis. De oplossing kende een typische Jan Salie-geest: omliggende panden werden opgekocht en door middel van doorbraakjes aan het oorspronkelijke stadhuis toegevoegd.

De behoefte om meer eenheid in het pand aan te brengen, leidde in 1830 tot de bouw van een neoclassicistische gevel. Het aan de Grieken ontleende tempelfront - tot op vandaag het gezicht van het pand - suggereerde orde en regelmaat, maar achter de strenge façade ging nog steeds een wirwar van gangen, nissen en dode ruimten schuil. 'Het blijft behelpen', verzuchtte burgemeester Fockema Andrea, toen hij begin deze eeuw een zoveelste ingreep met de gemeenteraad besprak. Hij vroeg zich af hoe het pand ooit 'een behoorlijk geheel' zou kunnen worden.

Vermetele geesten zagen sloop en nieuwbouw als oplossing voor het dilemma. De Utrechtse architect P. Houtzagers pleitte in de jaren twintig voor 'een hoog bouwwerk van misschien vijf of meer verdiepingen met een hoog opgaande torenvormige bouw'. Dat er op een steenworp afstand in de vorm van de Dom al een royale toren stond, deerde Houtzagers blijkbaar niet. De dienst Stadsontwikkeling deed in de jaren vijftig Houtzagers' werk nog eens dunnetjes over; schetsen laten een monsterlijke kantoorkubus zien die de omringende bebouwing volledig wegdrukt.

Sinds in Utrecht de Domtoren tot maat van de binnenstedelijke vernieuwing is verheven, zijn dergelijke oplossingen taboe. Ook voor projectwethouder Ger Mik (PvdA) is hoogbouw ondenkbaar in het stadshart. Met huiver kijkt hij terug op de radicale verbeterplannen. 'Ik heb altijd gevonden dat de monumentaliteit van het stadhuis en de schaal van de binnenstad gerespecteerd moesten worden. Dat was een van de belangrijkste opdrachten voor de architect. Daarnaast wilde het gemeentebestuur de kruip-door-sluip-door-constructie vervangen door een opener, publieksvriendelijker gebouw.'

Met deze uitgangspunten in het achterhoofd bekeek de gemeente medio jaren negentig de voorstellen van 31 architecten. Prestige zal hierbij ongetwijfeld een punt van overweging zijn geweest. Kleine buurgemeenten als IJsselstein en Culemborg schakelden bij de bouw van hun stadhuis architecten van naam in als Ben van Berkel en Thomas Rau. De vierde stad van Nederland kon moeilijk achterblijven. Zodoende viel de keuze in 1997 op Enric Miralles. Op het eerste gezicht een gewaagde keuze; Miralles had nog slechts een gering aantal grootschalige ontwerpen uitgevoerd. Maar Miralles was ook een architect die in academische kringen zeer werd gewaardeerd en de ene architectuurprijs na de andere in de wacht sleepte.

Bovendien gaf Miralles er al in 1995 blijk van de Utrechtse verhoudingen haarfijn aan te voelen. 'Utrecht heeft al een aardig torentje, daar is geen tweede van nodig', meldde hij in het Utrechts Nieuwsblad. 'Ik ben niet zo'n architect die als een dominante hond zijn poot optilt en zijn vlag achterlaat.'

Uit Miralles' commentaar spreekt een scherp oog voor context, omgeving en geschiedenis. Volgens Miralles' compagnon Marc de Rooij is deze benadering typerend voor diens werkwijze. 'In bijna al zijn projecten speelt ruimtelijke en historische context een belangrijke rol, zodat uiteindelijk niet zichtbaar is of het gebouw zich naar de omgeving heeft gevoegd of dat de omgeving zich heeft aangepast aan het ontwerp.'

Volgens De Rooij was Miralles zich scherp bewust van het verschil tussen respect voor geschiedenis en historiserend bouwen. Een voorbeeld van het laatste is in Nederland terug te vinden in Eindhoven. Rond de markt zijn patriciërshuizen teruggebouwd met moderne materialen. Het plein oogt als een opgeblazen variant van Legoland. 'Historiserend bouwen is de wens naar het verleden terug te keren', vindt De Rooij. Miralles zocht vernieuwing in de architectuur, zonder het verleden te negeren: 'In Utrecht heeft hij simpelweg blootgelegd wat al aanwezig was.'

Miralles' werk is geworteld in een Spaanse culturele traditie. 'De Nederlandse architectuurtraditie is modern en protestant, de Spaanse is klassiek, katholiek, vol drama en symboliek', legt De Rooij uit. Aangezien Miralles woonde en werkte in Barcelona, dringt zich vanzelf de naam op van de Catalaanse bouwmeester Gaudí. Die associatie bezorgde de welstandscommissie nachtmerries. Want als Utrecht één ding niet wilde, dan waren het zandkastelen, suikertorentjes en bonte, mediterrane kleuren.

'We hebben Miralles moeten temperen', erkent projectwethouder Mik. 'Zodra je iets zei, sloeg hij aan het tekenen om nieuwe wijzigingen aan te brengen. Als opdrachtgever moet je op een gegeven moment nee zeggen. Het veroorzaakte weleens gemopper, maar we zijn er uit gekomen. Het resultaat is een uniek, on-Nederlands gebouw, waarin deconstructivisme, barok en een logische structuur samenvloeien.'

Met Mik spreekt natuurlijk een trotse wethouder, maar het staat buiten kijf dat Miralles een frisse wind door het stadhuis heeft laten waaien. De voorheen gesloten achterzijde is omgetoverd tot een publieksentree met een stadsplein en waterpartijen. Een organisch ogende trap voert de bezoeker naar de raadszaal op de eerste verdieping. Het bedompte vergaderhok heeft lucht gekregen door de sloop van een tussenvloer. De eeuwenoude balken die zo te voorschijn kwamen, doorbreken het gevoel van massaliteit dat een tien meter hoge zaal normaliter zou bewerkstelligen.

Ook elders in het pand heeft Miralles opmerkelijke details blootgelegd. Vergeten schilderingen, oorspronkelijke kleuren, ruwe bakstenen muren en antieke inbouwkasten hebben hun plek in het gebouw terug gekregen. De pikantste vondst dook op in de nieuwe fractiekamer van oppositiepartij Leefbaar Utrecht. In het plafond bleek een waag verwerkt, waarmee in vroeger tijden goederen vanaf de gracht werden opgehesen. Een treffend symbool voor een partij die de afgelopen jaren menigmaal het gemeentebestuur woog en te licht bevond. De kritiek richtte zich daarbij telkenmale op 'de gesloten bestuurscultuur' in Utrecht.

Voor Mik symboliseert het nieuwe stadhuis juist een open wijze van besturen. 'Het stadsplan wordt een forum waar de politiek en de bevolking elkaar ontmoeten. Door in het nieuwe gebouw plaats te bieden aan de Ombudsman halen we zelfs de kritiek in huis.'

Of Miralles in Utrecht daadwerkelijk de architect van de bestuurlijke vernieuwing wordt, zullen de vervroegde verkiezingen in november uitwijzen. In Edinburgh is hem deze rol postuum al wel ten deel gevallen. Hier ontwierp de Spanjaard het onderkomen voor het nieuwe, Schotse parlement.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden