'Sorry, the man of this phone is dead'

Wanneer schrijfster Yasmine Allas haar broer belt, die in Burkina Faso verblijft, krijgt ze een vreemde aan de lijn die zegt dat hij dood is. Voor de Volkskrant schreef ze op wat ze vervolgens voor Yasin deed.

Beeld Joost Hölscher

Amsterdam, 1 september 2016

Rond zessen scheurt de brommer van de krantenjongen langs mijn openstaande slaapkamerraam. Met kussens en dekbed en al stuif ik overeind. Een zacht, verkwikkend briesje dat langs het gordijn naar binnen waait verjaagt woeste droombeelden na een kwakkelnacht. Altijd als het slapen klaar is, ga ik naar de bank, pak een roman. Als ik nog maar even niet mee hoef te doen met het leven. Na een uur leg ik het boek terzijde. Onbestemde onrust. Met tegenzin zet ik de telefoon aan, een whatsapp bericht van mijn zus H. licht op.

Ze kan Yasin, onze oudste broer niet bereiken. Dat hij al twee dagen zijn telefoon niet opneemt en ook niet op haar tekstberichten reageert. Haar bericht nu beantwoorden is zinloos, ze woont ver weg en slaapt, zoet hoop ik. Hij ook, maar hij zit meer in onze tijdzone, in Burkina Faso, ik besluit hem vanavond te bellen, als ik in Brussel ben. Een beetje een toetje van de dag, zeg maar, om naar zijn sonore, wat omfloerste stem te luisteren die zo mooi past bij het continent waar wij zijn geboren en waar hij nu al weer een half jaartje woont. Afrika. Ik neurie iets, iets wat we wel eens samen neurieden na het stoeien, als hij op zijn buik lag uit te hijgen en ik op zijn rug zat en door zijn Jackson Fivehaar woelde. Ik moet grinniken. Laat de dag nou toch maar komen. De literatuur gaat opzij.

Brussel

Half tien. Ik bel hem. In Ouagadougou gaat zijn telefoon over. 'Oui', hoor ik , zo ongeveer het enige woord Frans dat ik versta. Dan zegt de stem nog iets.

'Yasin, Yasin', roep ik terug. Daarna roep ik in het Engels dat ik zijn zus ben. De stem ratelt in het Frans terug. Ik roep: 'Wait, please wait', ren in mijn ochtendjas de trappen af, naar buiten, waar ik een willekeurige voorbijganger mijn telefoon in de hand duw. Overrompeld, paniekerig wil de vrouw de telefoon weer in mijn hand terugduwen, maar ze zwicht voor mijn smeekbede: 'Kunt u vertalen?'

Dan gaat ze luisteren, tamelijk geconcentreerd zelfs. Al gauw grijpt ze naar haar mond, waardoor ze eruitziet als een getuige van een aanslag. Weer tien seconden later duwt ze de telefoon weer in mijn hand: 'Dat was de politie, de man zegt dat de eigenaar van deze telefoon niet meer in leven is.' Ik staar haar aan alsof ze niet goed bij haar hoofd is. De vrouw loopt verder zonder om te kijken. Ik blijf staan tot zij uit mijn gezichtsveld verdwijnt. Binnen plof ik op de bank neer. Opnieuw bel ik het nummer van mijn broer. Weer neemt een vreemde man op. Maar deze man spreekt gebrekkig Engels. Hij roept: 'The man of this phone is dead.'

'Yasin, Yasin', roep ik op mijn beurt. Ik wil mijn broer spreken, please. Geef de telefoon aan mijn broer? Wie bent u?'

'You speak with the police force. Sorry, the man of this phone is dead. He is deceased on malaria. Sorry.'

Hij hangt op. Ik voel me koud worden. Met de telefoon in mijn hand stuiter ik door het huis. Dan besluit ik, tijdszones of niet, mijn drie broers en twee zussen een voor een te bellen. Ik hap naar lucht, mijn tanden klepperen als deksels tegen elkaar. Het liefste zou ik diep onder een deken kruipen, maar nu Yasin er niet meer is, ben ik de oudste van het gezin. Het is mijn taak het nieuws aan mijn broers en zussen over te brengen. Ik moet ze opvangen, ik zal er zijn om te troosten. Ik neem me voor om me goed te houden. Het lukt voor geen meter. Bij elk gesprek breekt mijn hart opnieuw.

Ik slaap meer niet dan wel en op de wel-momenten volgen de 'het is niet waar'-momenten, gevolgd door ' het was zeker een nare droom'-momenten, waarna ik mijn kussensloop vol huil.

Zodra Brussel weer ontwaakt is, loop ik bij een reisagent binnen. Zelf boeken lukt niet, ik heb hulp nodig, ik wil vriendelijkheid, troost. Het meisje laat me naar Casablanca vliegen waar ik zeven uur lang secondes zal moeten aftellen, waarna een mini vliegtuigje mij in het holst van de nacht over de Sahara zal brengen. Dat laatste doet mij huiveren. Midden in de nacht in een vreemd land in je eentje aankomen, een land waar ik niemand ken, waar iedereen Frans spreekt, waar niemand mij opwacht, behalve het zielloze lichaam van mijn broer.

Maar ik heb geen keus. Ik moet Yasin waardig begraven. Hem terugbrengen naar ja, naar waar, was volgens mijn broers en zussen geen optie. Naar Somalië, waar we allemaal zijn geboren? Onmogelijk. Naar Nederland, waar ik woon, maar waar hij alleen een blauwe maandag heeft gewoond? Hij zou het niet willen, hij hield niet van Holland. Naar Frankrijk, waar hij wel lang heeft gewoond, gaat het ANWB steunpunt in Lyon me daarmee helpen zonder reisverzekering? Dan naar de overzeese gebieden, waar mijn broers en zussen wonen? Ziet u het voor u?

Hij zal in West-Afrika worden begraven, terwijl hij in Oost-Afrika is geboren, zo besluiten we. Afstand in de liefde, afstand in de dood, wat doet het ertoe? Als hij maar in vrede kan rusten.

Teruggekomen in het appartement begin ik in te pakken, althans ik stop mijn toiletspullen terug in het weekendkoffertje. Mijn handen en voeten voelen aan als ijsklompen. Ze doen me denken aan die van mijn moeder nadat ze was overleden. Weer denk ik aan Yasin. Hoe zal ik hem aantreffen? Hij heeft drie dagen dood in huis gelegen in een warm land. De stilte in het appartement dondert als onweer in mijn hoofd, terwijl mijn blik gefixeerd op de klok blijft. Ik tel seconden, minuten, uren. Ik schrik op, half drie. 'Ik heb geen visum.' Ik vlieg een taxi in. Onderweg zie ik Yasin staan in de woonkamer van ons ouderlijk huis. Hij leert me dansen. Zijn sierlijk bewegen, zijn ronddraaien, zijn man-in-de-dop-zijn en dan moet ik ook dansen, met hem, als vrouw in de dop. Hij draait me rond, zijn hoofd iets gebogen, zijn ogen half gesloten.

De ambassade van Burkina Faso is zojuist gesloten. Voor de deur tref ik nog een paar medewerkers. Stotterend vertel ik mijn verhaal. Op zulke momenten is elk klein menselijk gebaar onvergetelijk. Een half uur later verlaat ik de ambassade, met het visum in mijn paspoort.

Casablanca

Tijdens de landing realiseer ik me dat ik geen rouwkleding bij me heb. Bij aankomst pak ik meteen de trein naar de stad. Op het station word ik ogenblikkelijk omringd door vier mannen. Ze gedragen zich opdringerig. Alle vier bieden ze mij een goedkope rit naar de stad aan. Ze zijn zo dichtbij dat ik zelfs hun adem kan ruiken. Ik deins terug, loop van hen weg. Maar ze blijven me achtervolgen, goochelend met prijzen terwijl ze elkaar onderling afblaffen. Ik loop het station uit. Een van hen komt achter me aan, grijpt me bij mijn arm en trekt me naar zijn taxi. Noodgedwongen neem ik op de achterbank plaats. De man stapt in, draait zich om en schudt mij de hand. 'Mohamed', zegt hij en dan in het Engels: 'Ik ben een goed mens, een eerlijke man.'

'Waar kan ik rouwkleding kopen?', vraag ik hem direct. 'Ik ga mijn broer begraven.'

'Gecondoleerd. Ik breng je naar een goede winkel, een winkel waar je niet afgezet wordt. Mijn vrouw komt daar graag. Ik zal goed voor je zorgen.'

Yasmine Allas. Beeld Hollandse Hoogte

Geboorteland

Yasmine Allas (48) verliet op jonge leeftijd haar geboorteland Somalië en kwam in 1987 in Nederland terecht. Hier werd ze actrice en later schrijfster. Ook haar broers, zussen en haar moeder kwamen, nadat ze waren gevlucht voor de burgeroorlog, naar Nederland. Haar vader was al in 1977 overleden. Allas' debuutroman Idil, een meisje verscheen in 1998, twee jaar na het overlijden van haar moeder. Na de moord op Theo van Gogh in 2004 verlieten haar broers en zussen Nederland en kwamen verspreid over de hele wereld terecht. Allas bleef alleen achter. Gekweld door een intens gevoel van heimwee keerde ze in 2007 terug naar haar geboorteland. Over die overweldigende ervaring schreef Allas de roman Een nagelaten verhaal (Uitgeverij Bezige Bij).

Nadat de auto door middel van twee loshangende draden is gestart en Mohameds maten de auto aan hebben geduwd, begint een dollemansrit. Na drie kwartier rondrijden zet de eerlijke Mohamed mij af bij een winkel op een steenworp afstand van het station. Ik kon met gemak lopen. Zonder discussie betaal ik hem de gevraagde 40 euro en loop de winkel binnen. De blingblingjurken schreeuwen mij in paars en oranje tegemoet.

'Hebben jullie rouwkleding?', vraag ik een van de vijf verkoopsters. De vrouw kijkt mij aan alsof ik van een andere planeet kom. 'Wij verkopen jurken voor feesten en bruiloften.'

'Ik zoek iets sobers, zonder glitters althans.' Ze verdwijnt achter een gordijn, het magazijn in. Even later komt ze terug met een zwart grijs gewaad met lange mouwen en een capuchon. Zonder te passen reken ik af.

Om half elf meld ik me bij de gate, meer dan een beetje moe. In het vliegtuig val ik zomaar in slaap.

Ouagadougou, 4 september

Om half drie 's nachts passeer ik de douane. Bij de taxistandplaats zet ik mijn koffertje klem onder mijn arm, zo licht is het. In mijn andere hand bungelt de plastic tas met het rouwgewaad erin. Ik blijf staan, misselijk van de zenuwen. Ik scan de taxichauffeurs. Er staat een oude man tussen. Een bruin peukje bungelt in zijn rechtermondhoek. Ik spreek hem aan. Zijn Engels is beroerd, maar hij bevestigt mijn vraag nadat hij begrepen heeft dat ik een goed en veilig hotel wil. Ook al is het nacht, de warmte laat mij meteen zweten. De weg is donker en stil, het einde van de nacht is er nog lang niet. Ik begin te bidden, deels voor Yasin, maar ook een beetje voor mezelf. Ik voel me als iemand die een drenkeling wil redden maar het zelf ook niet redt. Het liefst wil ik rechtsomkeert maken, weghollen zo snel ik kan. 'Hier wil ik niet zijn', dreunt het boven het gebed uit in mijn hoofd.

'Dit is het grootste ziekenhuis van Ouagadougou', zegt de chauffeur ineens, alsof hij wist waarvoor ik hier was gekomen. 'Stop', gil ik als een bezetene. Ik steek mij hoofd uit het raam. De gedachte dat mijn broer ergens daar binnen dood ligt en dat ik hier buiten levend in een taxi zit schudt mij door elkaar, zo heftig dat ik spontaan begin te kokhalzen. 'Hij is dood, Yasin is dood', stotter ik.

De chauffeur biedt mij een fles water aan, aait mij over het hoofd.

'Ik wou dat u onze vader was', fluister ik radeloos. Waarom ik dat zeg, weet ik zelf ook niet, maar de eenzaamheid, de akeligheid van de situatie dringt steeds helderder door in mijn hoofd.

Yasin is moederziel alleen gestorven, zonder zijn kinderen, zonder zijn familie, zonder iemand die wist wie hij was geweest. Ik ben nu hier, net zo alleen als Yasin. Wie komt er op zijn begrafenis? Wie helpt me mijn broer waardig te begraven? Ik vervloek ons ondraaglijke lot. Ik vervloek het leven in de diaspora, het leven dat ons van elkaar heeft verwijderd.

Om drie uur 's nachts komen we bij het hotel aan. Mannen in legeruniform en met geweren houden ons aan, doorzoeken uitgebreid de taxi. We mogen doorrijden. Bij het uitstappen vraag ik aan de chauffeur of hij om negen uur terug wil komen om mij naar het ziekenhuis te brengen. Hij knikt en zegt dat ik nu niet hoef te betalen, maar straks als hij terug komt. Zijn vertrouwen stelt mij gerust.

Eenmaal alleen in mijn kamer voel ik de nabijheid van Yasin meer dan ooit. Ik voel zelfs zijn aanraking op mijn huid, hoor zijn aanstekelijke lach. Voor ik kort in slaap val, zie ik mijzelf als 6-jarige, rennend, achter hem aan. Ik zie ons stoeien op bed en hoe hij mij kietelt. Hoe hij kronkelend van het lachen mij aanspoort om op het dak van het huis te klimmen. Wat onmogelijk was.

Om kwart voor acht schrik ik wakker. Ik neem snel een koude douche, eet wat fruit met yoghurt. Buiten likt de hitte meteen mijn wangen. Happend naar frisse lucht stap ik de taxi in. De modderige weg zit vol diepe kuilen waar honderden fietsers sierlijk omheen slingeren. Aan de fietsen bungelen uitpuilende boodschappentassen, baby's hangen in doeken gewikkeld op rug of buik en oudere vrouwen laten hun koopwaar op hun hoofd balanceren. En allemaal trappen ze voort, soms wordt de stoet voorbij gezoefd door jonge vrouwen met gebeeldhouwde lichamen op bromfietsen. Op het eerste gezicht ziet het land er kleurrijk en verrassend rustig uit, maar was dat het waardoor mijn broer zo werd aangetrokken? Hij had, net als ik, niets met hitte. Hij had me gezegd dat hij op zoek was naar rust, naar bezinning. Maar waarom hier? Wat is het dat hem hier zo'n thuisgevoel heeft gegeven?

Bij het mortuarium tref ik twee politiemannen die mij op staan te wachten. Kennelijk waren ze van mijn komst op de hoogte gesteld. Voor het lichaam vrij wordt gegeven, moet ik eerst aantonen dat ik zijn zus ben, daarna moet ik Yasin identificeren. Ook krijg ik de doodsoorzaak te horen. Malaria. Zijn paspoort en mijn paspoort tonen ondertussen aan; wij zijn broer en zus. Met een wijds armgebaar geeft een van de politiemannen aan dat ik het mortuarium mag betreden. Mijn hart stokt.

Ik schuifel een kleine wachtkamer binnen. Daarachter, achter een versleten, vies gordijn, daar is het. Er zitten twee bewakers ongestoord een broodje te eten. Ze kijken niet op of om. De lucht die er verspreid wordt door in staat van ontbinding verkerende lichamen deert ze niet. Uiteindelijk knikt een van hen naar het gordijn. Rillend schuif ik het opzij.

Mijn oog valt meteen op een vrouw die vooraan in de ruimte op een brancard ligt. Haar mond staat open, haar ogen staren in het niets. Over haar lichaam ligt een vale deken. Ik trek de deken omhoog, bedek haar gezicht ermee. Ik moet naar lucht happen, lucht die er nauwelijks is. Ik kijk even om me heen, de muren zijn besmeurd, zo immens goor heb ik het nog nooit meegemaakt. Het is pijnlijker dan de eenzame dood zelf om je dierbare op zo'n plek aan te treffen.

Een ding weet ik zeker; Yasin moet hier weg. Dan til ik van twee lijken de deken even van hun gezicht. Als ik bij de derde kom, streelt opeens een koel briesje mijn wangen. Ik voel mijn knieën week worden. Ik weet dat ik nu naast Yasin sta. Ik voel hem. Even wip ik de deken van hem af. Meteen herken ik zijn voorhoofd, met dat boogje, zoals we dat hebben in de familie. Ik struikel of val, ik weet het niet precies, maar ik moet me vastgrijpen aan hem, zijn deken glijdt van hem af. De knopen van zijn overhemd zijn los. Zijn prachtige, keurig geknipte baard zit tegen zijn hals geplakt. Yasin is niet meer Yasin, niet meer de gave Yasin, maar het deert mij niet. Ik druk een kus op zijn voorhoofd.

De aanraking van mijn lippen op zijn huid haalt onmiddellijk een herinnering naar boven. Een beeld dat ik allang was vergeten. Ik zie hem weer staan op de binnenplaats naast onze moeder, toen het nieuws binnenkwam dat onze vader niet meer leefde. Ik zie het gezicht van Yasin veranderen, alsof er iets in hem kapot gaat. Ik zie hem weglopen, een steegje in. Ik ren achter hem aan. Daar staat hij tussen twee bomen, zijn gezicht tegen een muur gedrukt, zijn groene ribfluwelen broek met wijde pijpen strak om zijn dansheupen. Ik sla mijn armen om hem heen, begraaf mijn gezicht tussen zijn schouderbladen. Ik hoor hem zeggen: 'Onze vader is niet dood, ik heb hem nodig. Dit is niet waar.'

Weer druk ik een kus op zijn voorhoofd en zeg in gedachten: 'Dit is niet waar, Yasin. Jij kunt niet dood zijn.'

Ik loop naar buiten, bevestig dat ik Yasin heb gevonden. 'Breng mij naar een moskee', zeg ik tegen de chauffeur die op mij had gewacht. Nooit gedacht dat ik na de dood van mijn moeder weer bij een moskee om hulp zou vragen. Ik denk terug aan die ijskoude decemberdag in 1996, toen ik rillend voor een Marokkaanse moskee in Venray stond. In die moskee werd mijn vrijdenkende moeder een streng gelovige vrouw. Maar juist die moskee wees mij de deur. De imam weigerde mij te woord te staan. Ik was niet fatsoenlijk gekleed en hij wenste alleen een man te spreken. Ook verbood hij me bij de begrafenis van mijn eigen moeder te zijn. Vrouwen horen begrafenissen niet bij te wonen, zei hij. Mijn afkeer was groot.

Maar nu sta ik weer bij de ingang van een moskee. Het middaggebed (Dhuhr) is zojuist afgelopen. Met kloppend hart spreek ik de imam aan. Tot mijn verbazing geeft imam Mohamadoe Dalo mij een hand, nodigt mij uit om verder te komen, hoewel ik gekleed ga in een broek en bloes en geen hoofddoek draag. De andere mannen begroeten mij met een vriendelijk hoofdknikje. Niemand die meteen vraagt of ik wel een goede moslim ben. Het duurt even voor ik echt ontspan en doorheb dat het geloof hier in vrede en in rust wordt beleden, en dat men verdraagzaam en open naar elkaar is. Ook ben ik verbaasd als ik hoor dat de chauffeur van de imam christelijk is en dat er op de begraafplaats geen gescheiden vakken zijn, maar dat de overledenen, ongeacht hun geloof, gewoon als mens naast elkaar zijn begraven.

De volgende ochtend sta ik in mijn Marokkaanse gewaad naast het graf en naast het omwikkelde lichaam van Yasin. We zijn omringd door honderd geloofsgenoten. Imam Mohamadoe en zijn volgelingen zijn aan het bidden, voor Yasin. Niemand die zegt dat vrouwen er niet bij horen. Ontroerd kijk ik toe hoe Yasin langzaam in de aarde wordt gelegd. Even denk ik aan thuis, aan Nederland, hoe gespannen we er met elkaar omgaan, hoe vaak intolerantie overheerst, hoe we onze eigen geestelijke vrijheden dwarszitten. Ik mag zelfs het graf in om Yasin de allerlaatste afscheidskus te geven. Het zand kruipt mijn gewaad in. Dan reikt de imam me de hand en trekt me omhoog. Onder een boom zak ik door mijn knieën. Eindelijk dringt het tot me door dat ik Yasin hier achter zal laten.


Yasmine Allas (48) verliet op jonge leeftijd haar geboorteland Somalië en kwam in 1987 in Nederland terecht. Hier werd ze actrice en later schrijfster. Ook haar broers, zussen en haar moeder kwamen, nadat ze waren gevlucht voor de burgeroorlog, naar Nederland. Haar vader was al in 1977 overleden. Allas' debuutroman Idil, een meisje verscheen in 1998, twee jaar na het overlijden van haar moeder. Na de moord op Theo van Gogh in 2004 verlieten haar broers en zussen Nederland en kwamen verspreid over de hele wereld terecht. Allas bleef alleen achter. Gekweld door een intens gevoel van heimwee keerde ze in 2007 terug naar haar geboorteland. Over die overweldigende ervaring schreef Allas de roman Een nagelaten verhaal (Uitgeverij bezige Bij).

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden