'Soms is stilte beter'

Staatsraad Jan Maarten Boll was 13 jaar voorzitter van de Vereniging Rembrandt die museale aankopen steunt. Het binnenhalen van Mondriaans Victory Boogie Woogie was omstreden....

De drie grote schilderijen in zijn werkkamer aan de Kneuterdijk hangen er niet alleen omwille van het esthetisch genoegen. Zeker, de doeken van Jan Andriesse, Hannah van Bart en de Pool Tomasz Ciecierski hebben kwaliteit – ‘ze zijn abstract, maar hebben een figuratieve ondertoon; zoveel kunstenaars zijn er niet die het lukt die tegenstelling te overbruggen’.

Maar als staatsraad Jan Maarten Boll opkijkt vanachter zijn bureau in het pand van de Raad van State voelt hij zich ‘thuis’. ‘Het geeft evenwicht. In mijn werk ben ik vooral bezig met de ratio. De uitspraken van de raad moeten begrijpelijk zijn, het recht hoort iets voorspelbaars te hebben. Maar een kunstwerk moet juist verrassen, zich niet meteen laten doorgronden. Iets laten zien waar u en ik niet op zouden zijn gekomen. Originaliteit in de kunst is een deugd.’

Het is meer dan een opvatting van een hartstochtelijk kunstliefhebber. Boll (67) heeft 13 jaar als voorzitter van de Vereniging Rembrandt het openbaar kunstbezit in Nederland kleur gegeven. Vorige maand nam hij na een bestuurslidmaatschap van 25 jaar afscheid van de particuliere organisatie die al ruim 125 jaar museale aankopen steunt, en waarvan het oordeel inmiddels informeel de status van keurmerk heeft bereikt. Volgende week ontvangt hij voor zijn verdiensten in de cultuursector de zilveren anjer van het Prins Bernhard Cultuur Fonds. Zelf is hij de eerste die zijn aandeel relativeert. ‘Alle beslissingen over aankopen zijn in collectiviteit tot stand gekomen.’

Met zijn witte haardos en zorgvuldige dictie heeft hij een aristocratische uitstraling. Invloedrijk – hij figureert tot zijn afgrijzen in de Volkskrant top 200 (‘al ben ik dit jaar fiks gezakt, en terecht’); hij voelt zich doorgaans prettiger achter de schermen dan in de schijnwerpers. Eigenzinnig, in die laatste kwalificatie kan hij zich wel vinden. ‘Niet dat ik altijd mijn zin doordrijf, maar er moet wel een knokpartij plaatsvinden.’

Die was een enkele keer zichtbaar: stof wolkte op rond de aankoop – gefinancierd met een schenking van De Nederlandsche Bank – van de Victory Boogie Woogie van Piet Mondriaan in 1998 voor 80 miljoen gulden, een met enige geheimzinnigheid omgeven operatie waarvan hij de regie had. Maar voor de daadkracht en discretie waarmee hij met succes bemiddelde in het conflict tussen de gemeente Amsterdam en de erven van Malevitsj die 29 schilderijen van de Russische kunstenaar uit de collectie van het Stedelijk Museum opeisten, kreeg hij weer alle lof toegezwaaid. ‘Het was een bijrol, hoor. De hoofdrol was voor burgemeester Job Cohen. Maar ja, een hoofdrol kan weer niet zonder een bijrol.’

Waarom bent u gestopt?

‘Het was meer dan tijd. Het is belangrijk voor een organisatie niet vast te roesten in de gedachten en opvattingen van een beperkt aantal mensen. Vergeet niet: het bestuur in deze vereniging heeft een uitzonderlijke positie. Je zit er heel dicht op. Als wij geen steun geven, gaat de aankoop vaak niet door. Dat is een zware verantwoordelijkheid. Je moet recht van spreken hebben, tegenover mensen uit de museumwereld, tegenover kunsthistorici. Daarom is het prettig dat er een voortreffelijke opvolger is, in de persoon van Martijn Sanders.’

Wat laat u achter?

‘Laat anderen dat maar beoordelen. Nu ja, vooruit: er zijn veel goede aankopen geweest, aankopen waarover het enthousiasme nog moet groeien, een enkele aankoop waarvan je denkt – mmm. Er is een professioneel bureau ontwikkeld. De vereniging is vier keer zo groot geworden, we zitten nu op 12 duizend leden. De vereniging was een Amsterdams initiatief, het is nu meer Randstedelijk, met wat kernen in de rest van het land. Een betere spreiding zou wenselijk zijn.’

Wie zijn die leden, tegenwoordig?

‘Paul Schnabel, de directeur van het Sociaal Cultureel en Planbureau, heeft eens gezegd: de lerares Frans. Beeldspraak natuurlijk. Bovenal zijn het museumbezoekers, mensen met een brede culturele belangstelling. Mensen met burgerzin ook. Die geloven in het algemeen belang van het openbaar kunstbezit, maar die niet met hun participatie te koop lopen. Bovenlaag? In het begin zeker, nu nog ten dele. De lidmaatschapskaart die vrij toegang geeft tot meer dan honderd musea telt ook. Fair enough.’

Lange tijd lag het accent op oude kunst. Nu zijn er geregeld aankopen van moderne werken. Was dat uw hand?

‘De breuk met het verleden was er al eerder. Eerst was er de magistrale collage van Henri Matisse en later, in de jaren zeventig, twee topschilderijen van Willem de Kooning. Op die weg zijn we doorgegaan. Wat mij interesseert is de continuïteit in thema. Het landschap is altijd heel belangrijk geweest in de Nederlandse cultuur. Dat geldt ook voor het naakt en voor het portret. Het onderscheid tussen oud en modern is uiteindelijk niet te handhaven, denk ik. Een mooi voorbeeld is hoe Marlene Dumas in 1997 een tekening maakte van Eva, gebaseerd op een ets van Rembrandt.

‘Je kunt wel zeggen dat er de laatste periode veel toegepaste kunst is gekocht. Natuurlijk omdat schilderijen nagenoeg onbetaalbaar zijn geworden, maar ook omdat op er op dat terrein een achterstand bestond. We hebben glaswerk gesteund, meubels, porselein. Maar ook klassieke oudheden, Japanse tempelwachters. Alles van eminent belang voor het openbaar kunstbezit en onze culturele identiteit.’

Je kunt ook zeggen: er ontbreekt een focus.

‘Dat zou een slechte perceptie zijn, wij hebben niet het initiatief. Dat ligt bij de musea. Als het als kritiek is bedoeld leg ik het volkomen naast me neer. Het is juist een groot goed dat we zo veel verschillende instellingen hebben kunnen steunen. Het gaat over diversiteit. Klein, groot, provinciaal, nationaal, uiteenlopende terreinen. Als u had gezegd: heeft u niet een beetje veel aandacht besteed aan de 17de eeuw, dan antwoord ik: daar heeft u een punt. Het accent lag in die periode op de Noord-Nederlandse kunst, we hebben daarom Rubens versterkt; een gigant, maar hier beperkt zichtbaar. Maar ik zou ook graag het 19de-eeuwse landschap in een bredere context tonen; kunst komt immers nooit in isolement tot stand. Barend Cornelis Koekkoek, Andreas Schelfhout naast Turner, Constable of Caspar David Friedrich. Die zijn onbetaalbaar. Uiteindelijk moet je kiezen, met beperkte middelen.’

Wat is dan de rode draad geweest in al die aankopen?

‘Die is er niet, die moet er ook niet zijn. Natuurlijk laat je factoren meewegen. Waar zitten nog leemtes? Is het belangrijk voor de collectie Nederland? Waar wordt het verhaal het beste verteld? Is er passie ter plekke? Is het straks voldoende zichtbaar op zaal? Eenderde van de aanvragen haalt het niet. Soms reiken de ambities te ver. Niet elk museum heeft een Rembrandt, een Van Gogh of een Mondriaan nodig. Het zijn ook de omstandigheden. Waarom is er meer zilver dan tin door ons gesteund? Tin is meer geschonken, tin is betaalbaarder. En een Friedrich, van wie iedereen vindt dat je die moet hebben, is in al die tijd nog nooit voorbij gekomen.’

Wat ziet u als uw grootste succes?

‘Voor de samenleving is dat ontegenzeggelijk de komst van de Victory Boogie Woogie. De finale van de grootste kunstenaar uit de 20ste eeuw die Nederland gekend heeft. Zijn evolutie van concreet naar abstract en een terugkeer naar een speelse stijl. Dat zijn kunsthistorische overwegingen. Voor mij zit de rechtvaardiging in het woord Victory. De kunstenaar is hier de exponent van de samenleving die zijn eigen identiteit wil behouden, de identiteit die bedreigd en onderdrukt wordt. Denk erom: dit was Entartete kunst onder de nazi’s, dit leek nergens op. Het schilderij symboliseert de hoop en het vertrouwen in de vrijheid.’

Maar de Nachtwacht van de 20ste eeuw, zoals toenmalig staatssecretaris van Cultuur Van der Ploeg het werk noemde, is het nooit geworden.

‘Ik zou eerder zeggen: het is de dageraad van de 21ste eeuw. Maar wacht even: over De Nachtwacht was het enthousiasme aanvankelijk ook niet erg groot. Daar gaat het ook helemaal niet om. Hoeveel mensen erop afkomen is niet het criterium. Wie kunst koopt voor alleen de eigen tijd redt het niet. Er wordt veel over gesproken, de symbolische waarde is er. Ik weet niet hoe vaak het al is gevraagd voor tentoonstellingen. Voor de viering van vijftig jaar het Verdrag van Rome, de stichting van de Europese Unie, was er een expositie met een voor elke lidstaat kenmerkend schilderij. Wat vroeg de organisatie? De Victory. Toegegeven, er zijn Mondriaans die ik mooier vind. Maar dit is zijn meest magistrale werk. Ik zag het hangen in New York en ik wist meteen: dit hoort in Nederland.’

Het was een omstreden aankoop.

‘Ik heb nooit de illusie gehad dat het makkelijk zou zijn. Waarom zou je een kapitaal uitgeven aan een betrekkelijk klein doek met plakkertjes dat nog niet eens af is. Maar het belang is dat er geld beschikbaar is gekomen voor een object met een overdrachtelijke, historische waarde. De marktwaarde was niet doorslaggevend. Een maand later ging er een Kandinsky weg voor hetzelfde bedrag, maar dat was niet een werk van hetzelfde kaliber.’

De opwinding ging over het feit dat de politiek er buiten werd gehouden. Op uw aanraden.

‘Zo was het niet. Ik heb alleen gezegd: het is de verantwoordelijkheid van de betrokken ministers de plannen tot aankoop publiek te maken. Als het bekend raakt, gaat het niet door. Nee, dat is geen chantage, dat was de realiteit. Als op de voorpagina van The New York Times had gestaan dat het schilderij het land dreigde uit te gaan, zou de eigenaar onder druk zijn gezet en was het benodigde bedrag zo bij elkaar gebracht om het in de Verenigde Staten te houden. Het getuigde van politieke moed van Van der Ploeg en van minister Zalm van Financiën om voor vertrouwelijkheid te kiezen. Dat was hún beslissing. Soms is stilte nodig. Ik heb geen seconde getwijfeld.’

Het voedde wel het idee van. . .

‘ achterkamertjespolitiek? Het beeld is verkeerd dat het onjuist was in beslotenheid tot bepaalde beslissingen te komen. Ik geloof in terughoudendheid. Ik geloof nog steeds dat het heel goed is gegaan.’

Later stond u weer bij Zalm op de stoep, voor Rembrandts Catrina Hooghsaet, waar het Rijksmuseum op aasde, voor 50 tot 70 miljoen euro. Op zijn minst old boys network, dan toch?

‘Nee. Ik tutoyeerde Zalm niet, ik tutoyeerde premier Kok niet, ik ken Nout Wellink van De Nederlandsche bank uit mijn studententijd in Leiden slechts oppervlakkig. Je moet wel een lage dunk van de betrokkenen hebben om te denken dat op basis van zulke contacten miljoenen worden weggegeven. Het is kul. Het staat ver van mij. Alsof we uit zijn op macht. Dat zijn we niet. We houden van openbaar kunstbezit. We zijn liefhebbers.

‘Wie zegt trouwens dat ik bij Zalm was om die Rembrandt te bepleiten? Ik ben langs geweest, ja, het kan aan de orde zijn geweest. Laat ik er dit over zeggen: het was niet een schilderij van het grootste kaliber. Mooi, maar met zwakheden. Als je kijkt naar het tafelkleedje; nou.. . Als je kijkt naar het kooitje met de papegaai; mmm. . . Ons standpunt was: niet voor elke prijs. Je kunt en moet de Staat ook ergens voor behoeden.’

U heeft zich ook op eigen initiatief bemoeid met het conflict over de Malevitsj-collectie in het Stedelijk.

‘Ik had het gevoel dat het de verkeerde kant opging. Ik had de Amerikaanse rechterlijke uitspraken gelezen. Het was voor mij onbevredigend dat de gemeente zich beriep op verjaring. Op die basis moet je die collectie niet in Amsterdam willen hebben. Het rijk liet bij mogelijke teruggave van roofkunst verjaring ook geen rol spelen. Ik ben eraan begonnen zonder dat ik ook de minste aanleiding had te veronderstellen dat we het tot een goed einde zouden brengen. Maar burgemeester Cohen heeft het aangedurfd. Soms moet je ergens in geloven. Toen ik een optie nam op de Victory Boogie Woogie had ik ook geen ene sou in kas.

‘Wat de doorslag gaf, was dat de deal voor beide partijen goed was. Ik wist de erven te overtuigen van het belang dat de collectie goeddeels bij elkaar bleef. Die moet je niet verspreiden. De gemeente besefte dat ze werken moest afstaan die van grote waarde waren. Het zijn er vijf geworden. Eén ervan heeft al 60 miljoen opgebracht. En het Stedelijk kan nog altijd een prachtig, samenhangend beeld creëren, straks.’

Heeft u ook wel eens iets niet voor elkaar gebokst?

‘Wat ik betreur is dat het niet gelukt is loterijgelden binnen te halen. Daar wordt gezegd: we steunen al vier grote rijksmusea, via het Prins Bernhard Cultuurfonds krijgen jullie ook ons geld. We hebben de zogenoemde goede doelenloterijen een fonds op naam voorgesteld, voor de andere musea. Tevergeefs.’

Wat gaat u het meest missen?

‘Niks. Niks, want ik heb de herinnering. Ik zal misschien nog wel meer naar musea gaan, zeker als mijn werk als staatsraad erop zit. Een betrekking als suppoost in het Rijks of het Stedelijk, dat lijkt wel me wel wat. Kijken, kijken en een beetje knikkebollen, te midden van al dat moois.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden