BoekrecensieMaar waar zijn die duiven dan

Snobistische macho maakt haastige trip down memory lane in Siebelinks nieuwe roman ★★☆☆☆

null Beeld Typex
Beeld Typex

Met zijn nieuwe roman lijkt Jan Siebelink terug bij het oerverhaal van zijn oeuvre uit 1975. Alleen maakt de oprechte ik-figuur uit die tekst plaats voor een snobistische macho met wie het moeilijk meeleven is.

Veel schrijvers hebben een oerverhaal. Eén verhaal dat op vele manieren kan worden verteld en van waaruit een heel oeuvre ontspringt. Jan Siebelink (1938) debuteerde in 1975 met de verhalenbundel Nachtschade, waarin ‘Witte chrysanten’ is opgenomen. In dat korte, indringende verhaal zitten bijna alle elementen die het latere werk van Siebelink kenmerken: een jongen en zijn diepreligieuze vader, de noodlijdende kwekerij en de frustratie laag op de sociale ladder te staan. Meesterlijk beschreef Siebelink hoe de jonge ik-figuur vernederd wordt door een rijke bloemist uit de buurt, en de woede die dat oproept: ‘Mijn god, ik sla hem op zijn bek…’ Zo begint het.

Siebelink schreef het verhaal in de eerste persoon en nu, na 45 jaar, doet hij dat voor het eerst wéér. Het is alsof de schrijver zo een luchtbrug over zijn werk opzet, met ‘Witte chrysanten’ als beginpunt, en de nieuwe roman Maar waar zijn die duiven dan als eindpunt. De details verschillen, de essentie is hetzelfde: een persoonlijk verhaal over een kleine jongen die meer wil zijn dan dat.

We volgen hoofdpersoon Hugo Tempelman, normaal gesproken ‘een vitale, fitte oudere, gebruind, sportief, altijd vol plannen, belangstellend’ maar nu ‘een radeloze oude man die geen toekomst meer heeft’. Tempelman is overtuigd van de gedachte dat hij ongeneeslijk ziek is en neemt een drastisch besluit: hij zal er een eind aan maken, vandaag nog. Weinig subtiel wordt hij op deze manier op een haastige en overvolle trip down memory lane gestuurd. Letterlijk en figuurlijk: Tempelman gaat langs voor hem belangrijke plekken, waarna de herinneringen vanzelf komen bovendrijven.

Uit zijn jeugd: een kleine Hugo die wacht op een koetsier die geld voor zijn moeder komt brengen. Later blijkt het zijn biologische vader te zijn. De dood van zijn moeder, Hugo is 15. De pleegouders die hem opnemen. Een dramatisch bezoek aan een halfbroer. Geen geringe gebeurtenissen, maar ze zweven enigszins loos door het boek, willen maar geen wortel schieten; Siebelink heeft Tempelmans karakter nauwelijks een bodem gegeven. Er ontbreekt een onderlaag waarin de herinneringen kunnen aarden en betekenisvol worden; het blijven nu gebeurtenissen an sich. Op dezelfde manier dwalen er willekeurige gedachten aan God door het boek. ‘God stond aan het begin van de kosmos en aan het einde, en meer kan ik er niet over zeggen.’ Waar komt zo’n gedachte vandaan? Wat vertelt die ons over Tempelman? Welke rol speelt religie nou écht in zijn leven?

Het enige dat de lezer duidelijk wordt, is wat ’n stoere en stijlvolle vent Tempelman is. Hij rijdt in zijn olijfkleurige cabrio – ‘dashboard en stuur van notenhout’ – naar zijn bijzondere huis – ‘boeken van de vloer tot aan de nok’ – om daar zijn revolver op te halen, en vervolgens naar het bos om op een boom te schieten. Daarna door naar het bordeel, om afscheid te nemen van zijn favoriete prostituee genaamd Maria – welja. Zij heeft een zwak voor hem (‘Ik goeie hart heb voor jou’) en ze is niet de enige. Hij herinnert zich hoe minnares Pauline op de avond van hun ontmoeting al geknield tussen zijn benen zit te mompelen: ‘Ja, dit is liefde. Ik voel het.’ En hoe zij, midden in een gesprek over God, zegt: ‘Maar lieve Huug, als er iemand is die niet op zijn leeftijd lijkt… Dat lichte kostuum staat je goed.’ Door bizar toeval krijgt Tempelmans vrouw Ankie (die hem ‘meer dan wie ook ter wereld liefheeft’) zelf óók een affaire met Pauline. Tempelman denkt in alle ernst terug aan een triootje waarbij hij ‘een diepgaand betoog’ hield over ‘de essence’ van Huysmans’ hoofdfiguur Des Esseintes. ‘Ik was afwisselend in Ankies mond en in die van haar en ik citeerde die zo vermaarde slotzin uit À rebours.’ Potsierlijker kan niet.

Tempelman heeft de vervallen kwekerij van zijn pleegvader omgetoverd tot een paradijs waar de meest bijzondere planten en bloemen groeien (Hoe? Daaraan verspilt Siebelink geen woorden). De stagiair die er werkt heet – welja – Adam. Tempelman heerst over deze hemelse plek, als ware hij God zelf. De kleine jongen is heer geworden. En daarmee is de oprechte ik-figuur uit ‘Witte chrysanten’ verdrongen door een snobistische macho met wie het moeilijk meeleven is.

Maar waar zijn die duiven dan? De vreemde titel is een aanwijzing. Weer een herinnering: een collega flirt met het liefje van Tempelman, die hem daarop aanspreekt. ‘Je schiet onder mijn duiven.’ Oftewel: je pakt haar van me af. Spottend vraagt de man: ‘Maar waar zijn die duiven dan.’ Tempelman voelt zich hierdoor zó vernederd dat hij uiteindelijk ontslag neemt. En die vernedering, dát is de kern van dit boek, daarin klinkt de echo van het oerverhaal. De titel breekt door alle ijdelheid heen en brengt ons alsnog bij de gewone jongen, doodsbang om de mindere te zijn, om weer vernederd te worden door de rijke bloemist.

null Beeld De Bezige Bij
Beeld De Bezige Bij

Jan Siebelink: Maar waar zijn die duiven danDe Bezige Bij; 256 pagina’s; € 22,99.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden