InterviewEveline Sint Nicolaas en Valika Smeulders

Slavernij-expositie in het Rijksmuseum: ‘Je blijft een verhaal van geweld en uitbuiting vertellen in een esthetische omgeving’


Eveline Sint Nicolaas (links) en Valika Smeulders, curatoren van de tentoonstelling over slavernij.
 Beeld Sanne De Wilde
Eveline Sint Nicolaas (links) en Valika Smeulders, curatoren van de tentoonstelling over slavernij.Beeld Sanne De Wilde

De nieuwe tentoonstelling over slavernij in het Rijksmuseum wil kennis en bewustzijn over het beladen onderwerp vergroten. Er zijn tachtig kunststukken van aanvullende tekstbordjes voorzien, want veel objecten zijn met de slavernij verbonden. Zo geven de samenstellers invulling aan het excuus dat tot slaaf gemaakten is verschuldigd.

De metersgrote aankondigingen prijken al maanden pontificaal op het Amsterdamse Rijksmuseum: de tentoonstelling Slavernij wordt ‘verwacht’. In september 2020 zou de expositie openen, er volgde uitstel naar februari. Inmiddels wordt gemikt op juni. Schoolklassen zijn sinds woensdag al welkom, online valt de tentoonstelling ook te bekijken.

De verwachtingsvolle stilte in het gebouw deed Eveline Sint Nicolaas, conservator geschiedenis, denken aan acht jaar geleden: de stilte voor de heropening na de grote restauratie en verbouwing. De huidige sluiting is gelukkig van veel kortere duur, maar er zijn overeenkomsten: hooggespannen verwachtingen, internationale belangstelling, groeiend ongeduld, koninklijk bezoek.

En het Rijksmuseum mag dan geen verbouwing van 375 miljoen euro hebben doorgemaakt, het museum moest zich voor deze tentoonstelling wel ‘opnieuw uitvinden’, zoals Valika Smeulders, hoofd geschiedenis, het noemt. Grondig zelfonderzoek ging eraan vooraf. Naar de collectie, de vaste opstelling en de woorden die het museum gebruikt. Collectiestukken werden herzien, niet alleen voor de tentoonstelling in de Philipsvleugel: in het museum werden tachtig kunststukken van aanvullende tekstbordjes voorzien, die licht moeten werpen op de slavernijgeschiedenis.

In tijd en geografie is de tentoonstelling veelomvattend: 250 jaar geschiedenis, in Europa, Afrika en Zuid-Amerika en het gebied rond de Indische Oceaan. Als houvast heeft de bezoeker tien persoonlijke verhalen over mensen die te maken hadden met slavernij: omdat ze in slavernij werden geboren, slavernij ontvluchtten of juist plantagehouder waren of op andere manieren profiteerden van slavernij. Smeulders: ‘We realiseren ons heel goed dat op deze tentoonstelling uiteenlopende mensen zullen afkomen. We hopen dat zij via die persoonlijke verhalen voorbij alleen het uiterlijk kunnen kijken, dat ze gaan denken: wat zou ik hebben gedaan als ik was opgegroeid aan de grachtengordel? Of wat zou ik hebben gedaan als ik in slavernij was geboren?’

Valika Smeulders (links) en Eveline Sint Nicolaas.  Beeld Sanne De Wilde
Valika Smeulders (links) en Eveline Sint Nicolaas.Beeld Sanne De Wilde

De Volkskrant sprak met samenstellers Eveline Sint Nicolaas en Valika Smeulders. Hoe maak je een tentoonstelling over slavernij?

Waren er internationale voorbeelden waar jullie naar hebben gekeken, toen jullie deze tentoonstelling gingen maken?

Smeulders: ‘Natuurlijk wil je voortborduren op wat er al is. Eind vorige eeuw is de ontwikkeling in gang gezet waarin de sociale geschiedenis van slavernij sterker wordt benadrukt, in plaats van alleen de economische kant. Wat je toen eerst veel zag waren nagebouwde scheepsruimen, dat was echt een trend. Inmiddels ligt de nadruk op persoonlijke verhalen om geschiedenis tastbaar en inleefbaar te maken. Het Rijksmuseum heeft ook al een paar jaar dat uitgangspunt. We hebben om te beginnen een denktank samengesteld om te bepalen: welke mensen kunnen we in beeld brengen en hoe doen we dat?’

In de catalogus staat dat in die denktank van specialisten in koloniale geschiedenis iemand het Rijksmuseum ‘een tempel van koloniale zelfoverschatting’ noemde. Hoe zijn jullie met die kritiek omgegaan?

Sint Nicolaas: ‘Dit gebouw heeft een enorme impact, daar zijn we ons met deze tentoonstelling extra bewust van. Tentoonstellingsontwerper Afaina de Jong begreep dat meteen. In haar ontwerp zit ook commentaar op het gebouw. Toch blijf je een verhaal van geweld en uitbuiting vertellen in een esthetische omgeving.’

Smeulders: ‘De waarschuwing vanuit de denktank was: denk erom dat het niet een te lieflijke tentoonstelling wordt. Maar ik denk dat wanneer iets moeilijk is, het je uitdaagt om jezelf te overstijgen. Wat wij hebben gedaan is heel anders dan een tentoonstelling in bijvoorbeeld het Internationaal Slavernij Museum in Liverpool. Wij moesten ons verhouden tot deze collectie, deze omgeving, dit gebouw. Daarmee brengen we meerdere stemmen bij elkaar, doordat we bijvoorbeeld het schilderij van Oopjen (zie verderop) laten zien. Zo wordt dit een tentoonstelling van iedereen hier in Nederland. Ook voor mensen die denken: wat heeft mijn voorvader hiermee te maken?’

null Beeld Rijksmuseum
Beeld Rijksmuseum


En er zijn vast ook mensen die denken: wat heeft het Rijksmuseum met slavernij te maken?

Sint Nicolaas: ‘Dat is een belangrijk inzicht, dat er veel objecten in onze collectie zijn die met slavernij verband houden. Maar als je alleen blijft bij die schilderijen waarin slaaf gemaakte mensen bijvoorbeeld zijn afgebeeld als kleine poppetjes of stereotiepe bedienden in de schaduw, dan vertel je geen gelijkwaardig verhaal. Daarom was het belangrijk dat we werkten met mondeling overgeleverde verhalen. En dat we afwijkende objecten presenteren, zoals een rijsthalm (zie verderop).’

Hebben jullie nog aanpassingen gedaan aan de tentoonstelling naar aanleiding van de Black Lives Matter-beweging die vorig jaar internationaal en ook in Nederland tot demonstraties leidde?

Smeulders: ‘Nee, we waren toen al heel ver met de tentoonstelling. Het voelt wel alsof we de wind in de rug hebben. De samenleving geeft overduidelijk aan dat dit onderwerp ontzettend belangrijk is.’

Mede door de antiracismebeweging is de discussie over excuses voor het slavernijverleden actueel. Hoe kijken jullie daarnaar?


Sint Nicolaas: ‘Ik denk dat het onze taak als museum is om mensen te informeren. Er is nog heel veel te vertellen over slavernij. Als mensen daardoor beter naar elkaar gaan luisteren of een beter gefundeerd gesprek kunnen voeren, dan ben ik al erg blij.’

In de tentoonstellingscatalogus vertelt Valika Smeulders dat zij zelf onlangs haar excuses heeft aangeboden aan iemand: ‘Zij vertelde over de plantage waar een voormoeder in slavernij werkte. Die naam kwam me bekend voor. Toen ben ik het gaan nazoeken in een boek over een van mijn voorvaderen die plantagehouder was. Ik zag dat het inderdaad om dezelfde plantage en dezelfde periode ging.’

Die ontdekking was confronterend, zegt Smeulders: ‘Kijk, bij mij thuis weten we heel goed dat we van alle kanten van dit verhaal afstammen. Niet alleen de mensen die slaaf gemaakt zijn, maar ook de mensen die slaven hebben gehouden en de mensen die als contractarbeider naar Suriname zijn gehaald. Maar de specifieke verhalen, die kende ik niet. Mijn eerste reactie was: ik moet dit met haar bespreken! Als ik daarmee duidelijk kan maken dat dit geen geschiedenis is van zwart versus wit, dat het genuanceerder en ingewikkelder is, dan is dat mooi. En excuses aanbieden is helemaal niet zo moeilijk. Al houdt het daar niet op. Het is wat je ermee doet. Hier werk ik aan het verspreiden van bewustzijn, zo geef ik echt invulling aan excuses.’

Sinds de tentoonstelling werd aangekondigd in 2017 worden Sint Nicolaas en Smeulders bestookt met vragen en suggesties. Een kritische reactie die de samenstellers regelmatig kregen was dat de tentoonstelling zich beperkte door alleen naar slavernij binnen het koloniale systeem te kijken. Smeulders: ‘Deze tentoonstelling beslaat 250 jaar en een gigantisch groot gebied. Als je daar ook nog de Romeinse slavernij bij betrekt of kinderarbeid of de slavernij in de Arabische wereld, dan zou het écht te veel verwateren.’
Sint Nicolaas: ‘We merkten dat als we dat eenmaal uitlegden, mensen het begrepen. Daar hebben we ontzettend veel tijd in gestopt. We hebben over deze tentoonstelling ook drie uitgebreide bijeenkomsten georganiseerd met de Vrienden van het Rijksmuseum (een groep van mensen die het museum financieel steunt, red.) om hen toelichting te geven en vragen te beantwoorden. Ook om toelichting te geven over de terminologie die we gebruiken.’

Die terminologie verandert vlug. In 2017 werden in de tentoonstelling Goede Hoop in de zaalteksten ‘tot slaaf gemaakte mensen’ en ‘slaven’ afgewisseld. Nu gebruiken jullie alleen ‘tot slaaf gemaakte mensen’.

Sint Nicolaas: ‘Klopt, destijds hebben we nog geen duidelijk standpunt ingenomen. Taal verandert voortdurend en je raakt ook gewend aan bepaalde termen. Binnen deze tentoonstelling willen we benadrukken dat het gaat over mensen, niet over objecten, daarom schrijven we over tot slaaf gemaakte mensen. Maar dit zijn geen dogma’s.’


Een andere stap is dat het woord ‘zwart’ in de catalogus met een hoofdletter wordt geschreven. Wat is daar de reden voor?

Smeulders: ‘Wat we daarmee aanduiden is dat de identiteit die mensen koppelt aan een land, een nationaliteit, verloren ging in de Afrikaanse diaspora, in de koloniale periode. Je verheft het woord ‘zwart’ van een bijvoeglijk naamwoord naar een aanduiding van een identiteit, een specifieke achtergrond.’
Sint Nicolaas: ‘Daarmee wordt het ook meer dan de aanduiding van een huidskleur.’

In de bruikleenlijst viel me op dat het merendeel van de objecten in de tentoonstelling is geleend uit Nederlandse en Europese musea. Er is maar één bruikleengever in Suriname bijvoorbeeld. Is dat niet vreemd, dat deze objecten kennelijk hier te vinden zijn en amper in de voormalige koloniën?


Smeulders: ‘Daaraan zie je dat dit Nederlandse geschiedenis is. Tegelijk zegt het iets over welvaart vandaag de dag, over welke musea het zich kunnen veroorloven dit soort collecties te hebben.’

Zijn jullie objecten tegengekomen waarvan jullie denken: die zouden niet hier in Nederland moeten zijn?

Smeulders: ‘Nee, bij het maken van deze tentoonstelling niet. De koloniale collectie van het Rijksmuseum is beperkt. We doen er diepgaand onderzoek naar en dat vinden we belangrijk. Maar we gaan ervan uit dat dit onderzoek niet veel oplevert dat teruggeven zou moeten worden.’

null Beeld Rijksmuseum
Beeld Rijksmuseum


Ik begreep dat het de bedoeling is dat de Slavernij-tentoonstelling naar het buitenland doorreist, is daar al meer over bekend?

Smeulders: ‘Die gesprekken zijn nog gaande. In deze omstandigheden, waarin we toch al minder bezoekers kunnen ontvangen, zou het heel mooi zijn. En het past bij dit onderwerp.’
Sint Nicolaas: ‘Dat was ook een reden voor de online videotours. De mensen in landen waarover we vertellen kunnen zo veel zien van de tentoonstelling.’

Als de tentoonstelling al afgelopen najaar was geopend, was die niet open geweest op 1 juli, tijdens Keti Koti, de viering van de afschaffing van de slavernij. Nu is dat wel het geval. Er wordt, bijvoorbeeld door de politieke partij Bij1 en de Amsterdamse gemeenteraad, nu bepleit dat Keti Koti een nationale feestdag zou moeten zijn. Wat vinden jullie?


Sint Nicolaas: ‘Dat lijkt mij prachtig, ja. We hebben vorig jaar ook aandacht besteed aan Keti Koti hier in de tuin. Dat was bovendien de dag dat Valika hoofd van de afdeling geschiedenis werd.’
Smeulders: ‘In Suriname is het een officiële vrije dag. Daar zie je heel nadrukkelijk dat heel Suriname het viert, want het is nationale geschiedenis. Dat is precies het statement wat we met deze tentoonstelling maken. Dus ik denk wel dat het er heel mooi op aan zou sluiten, als je er met zijn allen bij stilstaat, dan lijkt het niet langer de geschiedenis van één groep mensen.’

*****

Zes opvallende kunstwerken en objecten die in de tentoonstelling zijn te zien.

Romuald Hazoumè, La Bouche du Roi (‘De mond van de koning’), 1997–2005 Beeld Rijksmuseum
Romuald Hazoumè, La Bouche du Roi (‘De mond van de koning’), 1997–2005Beeld Rijksmuseum

Romuald Hazoumè, La Bouche du Roi, 1997-2005
Smeulders: ‘We stellen in de tentoonstelling tien mensen centraal, maar het ging om miljoenen mensen. Hoe breng je dat over, hoe laat je zien wat zij hebben ervaren? We willen de stemlozen een stem geven, want de tot slaaf gemaakte mensen over wie je in archiefstukken informatie vindt, dat zijn uitzonderingen. Dat zijn de rebellen die tegen het systeem in gingen, maar de mensen die gewoon op een plantage terecht kwamen en daar geleefd en gewerkt hebben, van wie nooit iets is vastgelegd of bewaard is gebleven: dat kun je aan de hand van moderne kunst laten zien.’

Sint Nicolaas: ‘Dit kunstwerk hebben we geleend van het British Museum. De kunstenaar Romuald Hazoumè komt uit Benin. Het is een multidisciplinair kunstwerk waarbij je dingen ruikt, hoort en zit. Je ziet de plattegrond van een slavenschip. In Benin worden jerrycans gebruikt om benzine te vervoeren, die jerrycans worden hevig verhit zodat de inhoud groter wordt, tot ze bijna barsten. Dat is een mooi rijm met slavernij: dat mensen tot het uiterste werden gebruikt en daarna als een object werden vervangen door de volgende. Als je goed naar die jerrycans kijkt kun je zien dat elke jerrycan specifieke kenmerken heeft en zo symbool staat voor een mens.’

Ballade

Het kunstwerk van Romuald Hazoumè is geïnspireerd op een gedicht van Jan Marinus van der Linde uit 1963 dat Ballade van de slavenhaler heet.
Een fragment daaruit:

Het sterven begon de eerste dag,
Half dood werden veertien geladen,
Andren ziek, grijs en mager, zonder lach
De schipper besomde zijn schade

In dertig dagen was het schip vol
Met vijfhonderd en acht slaven,
Drie jongens, vijf meisjes geteld op de rol:
Daar voeren zij heen naar hun graven

Tot slaaf gemaakte mannen graven trenzen, ca. 1850, maker onbekend. Beeld Rijksmuseum
Tot slaaf gemaakte mannen graven trenzen, ca. 1850, maker onbekend.Beeld Rijksmuseum

Tot slaaf gemaakte mannen graven trenzen, ca. 1850, maker onbekend
Sint Nicolaas: ‘We weten uit de mondelinge overlevering dat het graven van dit soort kanalen een van de zwaarste werkzaamheden was op plantages. Wat bijzonder is aan deze aquarel is dat dit werk zo frontaal is afgebeeld. Vaak als mensen in slavernij werden afgebeeld, waren dat schilderijen gemaakt voor mensen in Nederland. Dan blijft het bij een geïdealiseerde weergave, met het plantershuis op de voorgrond. Deze aquarel is heel anders, sinds 2013 is die in onze collectie. Dit is de eerste keer dat de aquarel op zaal te zien is. Maar de afbeelding is al bekend: die stond op de kaft van een onderzoek van het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis over de economische opbrengst van slavernij en is nu de poster van de tentoonstelling.’

Rembrandt van Rijn, Portret van Oopjen Coppit, 1634 Beeld Rijksmuseum
Rembrandt van Rijn, Portret van Oopjen Coppit, 1634Beeld Rijksmuseum

Rembrandt van Rijn, Portret van Oopjen Coppit, 1634
Sint Nicolaas: ‘We wilden in de tentoonstelling ook het verhaal vertellen van mensen die profiteerden van het systeem. Daarom hebben we gekozen voor Oopjen. De familie van haar eerste man had de grootste suikerraffinaderij van Amsterdam. Die ruwe suiker kwam rechtstreeks uit Brazilië. Met haar tweede echtgenoot kwam die geschiedenis nog dichterbij. Zij woonden in een huis waar schilderijen hingen die Brazilië lieten zien. Haar man had jarenlang in Brazilië gewoond en een Afrikaanse vrouw verkracht en een kind bij haar verwekt. Dat weten we dankzij onderzoek van historicus Mark Ponte.’
Smeulders: ‘Hoe je naar dit soort 17de-eeuwse schilderijen kijkt, is ook bepaald door waar je woont. Ik heb een deel van mijn leven op Curaçao en in Suriname gewoond. Daar zie je dezelfde Nederlandse geschiedenis in een andere context. Daar zie je al die forten met kanonnen en wapens. Dan plaats je dit soort welvaart vanzelf al meer in die context van verovering en bezetting.’

Halsband van messing, 1689. Beeld Rijksmuseum
Halsband van messing, 1689.Beeld Rijksmuseum

Halsband van messing, 1689
Smeulders: ‘We weten dat er veelvuldig zwarte jongens werden afgebeeld op Nederlandse 17de-eeuwse portretten, als bijfiguren. Uit archiefstukken weten we dat Afrikaanse jongens naar Nederland werden gehaald, hier leefden, trouwden, kinderen kregen. Deze metalen band komt uit dezelfde tijd en was in ons depot gecategoriseerd als ‘hondenband’. Maar op schilderijen zie je dat niet het huisdier wordt afgebeeld met een metalen band. De huisdieren kregen vaak een leren band of een strikje. Het zijn mensen die worden afgebeeld met metalen banden. Als je dat weet, dan ga je heel anders naar de band kijken. We zouden deze band liever niet meer in het depot opbergen. Dit is zo’n belangrijk deel van de Nederlandse geschiedenis dat we deze het liefst in de vaste opstelling willen laten zien.’

West-Javaanse Surapati babad, ca. 1750. Beeld Rijksmuseum
West-Javaanse Surapati babad, ca. 1750.Beeld Rijksmuseum

West-Javaanse Surapati babad, ca. 1750
Sint Nicolaas: ‘Dit zijn palmbladen die zijn beschreven in dichtvorm en die je kunt opvouwen tot een koker, een babad heet het. In dit exemplaar worden de heldendaden van Untung Surapati beschreven. Hij was een tot slaaf gemaakte bediende, die vluchtte en uiteindelijk stierf in gevecht met de VOC. Het bijzondere van Surapati is dat er al in zijn eigen tijd over hem werd geschreven in Indonesië en ook in Europa. We kunnen hem hier ook vanuit verschillende bronnen van verschillende kanten laten zien. Want op een familieportret uit onze eigen collectie staat hij hoogstwaarschijnlijk als bediende. Daar hebben we eerder nooit aandacht aan besteed, terwijl hij in Indonesië een nationale held is, dus dat is nogal wat.’
Smeulders: ‘En in Indonesië bestaat dan weer geen afbeelding van hem uit die tijd, alleen schilderijen die na zijn dood zijn gemaakt. Dus mensen uit Indonesië die hun nationale held willen zien, moeten allemaal naar het Rijksmuseum komen.’

Rijsthalm van een rijstsoort vernoemd naar Ma Sapa . Beeld Rijksmuseum
Rijsthalm van een rijstsoort vernoemd naar Ma Sapa .Beeld Rijksmuseum

Rijsthalm van een rijstsoort vernoemd naar Ma Sapa (de vrouw die de rijst zou hebben meegenomen tijdens haar vlucht)
Smeulders: ‘Dit is een heel mooi voorbeeld van hoe mondelinge overlevering ons uitdaagt om opnieuw naar onze eigen collectie te kijken. Uit de orale geschiedenis kennen we verhalen over vrouwen die wanneer ze vluchtten van Surinaamse plantages rijst in hun haar verstopten. Daarmee zorgden ze voor de voedselvoorziening waarmee uiteindelijk de marrons van Suriname hebben kunnen overleven.
Tot voor kort konden we dat verhaal niet verifiëren. Maar er is biologisch onderzoek gedaan door etnobotanist Tinde van Andel en zij heeft vastgesteld dat deze rijst inderdaad alleen maar voorkomt in West-Afrika en in het binnenland van Suriname. Niet op de plantages. De rijst is dus niet meegenomen door slavenhalers, maar door de mensen die slaaf gemaakt werden. Kennelijk werd daar al van tevoren over nagedacht: als ik de kans krijg om te ontsnappen, hoe ga ik dan overleven? In onze eigen collectie hebben we ook een zijden kaart van Suriname waarin je ook mensen van de plantages ziet vluchten. Maar die zijn verbeeld met zakjes rijst in hun hand. Via de orale geschiedenis weten we dat het net een beetje anders ging, veel handzamer!’

De tentoonstelling Slavernij is dinsdag door koning Willem-Alexander geopend, het verslag van de NOS is terug te kijken op NPO Start. Als Nederlandse musea heropenen is de tentoonstelling te bezoeken t/m 29/8.

Over het maken van de tentoonstelling Slavernij maakte Ida Does een boeiende documentaire: Nieuw licht - het Rijksmuseum en de slavernij. Daarin vertellen de samenstellers van de expositie ook hoe zij met hun eigen achtergrond en kleur werden geconfronteerd. De documentaire is nog te bekijken op NPO Plus.

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden