Slakken ontleden in een taartvorm DE VERWOESTENDE AMBITIES VAN NATUURVORSER W.N.P. BARBELLION

Een vrouw en een kind 'Werd op weg naar de Royal Albert Hall overrompeld door het schitterendste beeld van jeugdig moederschap dat ik ooit in mijn leven heb gezien....

ADRIAAN DE BOER

VIJF WOORDEN noteert W.N.P. Barbellion op 14 april 1904 in zijn dagboek: 'Schoolkampioen gymnastiek (onder de vijftien).' Zijn laatste aantekening, van 21 oktober 1919 is bijna kortaf, hij is stervende en schrijft: 'Walg van mezelf.' Op de laatste dag van dat jaar sluit hij zijn ogen, 30 jaar oud.

In de zeventien jaar die zijn Dagboek van een teleurgesteld man omspant, had zich een groots en meeslepend leven moeten ontvouwen. Maar de schikgodinnen hebben duidelijk geen zwak voor de begaafde Engelsman. Een broze gezondheid en rampspoed in huiselijke kring dwarsbomen keer op keer zijn plannen en frustreren zijn vurigste ambitie: een beroemd natuurvorser worden.

Al in zijn kinderjaren is hij broos, hij kan aanvankelijk niet eens naar school. Zijn broer Arthur leert hem lezen en schrijven, en meteen gaan alle poriën open. Hij snakt naar kennis op het maakt niet uit welk terrein. Veelzeggend is de openingszin, Barbellion is net 13, van het dagboek: 'Schrijf momenteel een essay over de ontwikkelingsgeschiedenis van insecten en heb het plan overboord gezet te schrijven over hoe katten hun tijd doorbrengen.'

Hij begint met het verzamelen van eieren, die hij ruilt voor postzegels, gaat dan zelf ook de vrije natuur in bij Barnstaple, zijn geboortestadje in Noord-Devon - gewapend met stroppen van paardenhaar en een katapult om interessante dieren in handen te krijgen die hij wil bestuderen en ontleden. Hij rept van verdienstelijke pogingen een boomkruiper te raken, haalt nesten uit, is bedreven in de weer met eierboor en blaaspijp, en al snel waaiert zijn interesse uit naar letterlijk alle andere takken van de natuurlijke historie. Hij verzamelt kevers, vlinders, planten, vogelvleugels en -poten, krijgt een mol te pakken, katapulteert een eekhoorn en steekt - tomeloze autodidact - uit de Boy's Own Paper op hoe je de huiden prepareert.

De enige geestverwant thuis is de meid Martha, al dertig jaar in dienst en nergens bang voor. Tegen haar kan hij aanpraten over duivenhersenen, het zenuwstelsel van de hondshaai of het hart van de kikvors dat na het uitnemen nog ligt te kloppen. Een taartvorm is zijn snijtafel voor slakken, Martha draagt op haar beurt bespiegelingen bij over de maag van een oude kip of de luchtpijp van een gans. Met Kerstmis krijgt hij een jongensboek dat hij goddank kan ruilen, want hij steekt toch liever iets op, zoals uit Darwins Origin of Species.

Dat wil niet zeggen dat hij alleen oog heeft voor natuur. Zijn belezenheid is enorm, gaandeweg verwijst hij naar of citeert hij onder meer Verlaine, Swinburne, Wilde, Tennyson, George Meredith, Robert Browning, Keats, Tsjechov, de Goncourts, Strindberg en Ibsen. Baudelaire? 'Een jonge maar corpulente vrouw die in de zon zit en lekt van het zweet is even lelijk als welke versregel dan ook van Baudelaire.'

Hij kent zowel de sonnetten van Henry Constable uit 1592 als zijn, dan moderne, Nietzsche en zodra hij een klassiek werk ter hand neemt, heeft hij bij wijze van spreken in de andere de Self-Educator van Harmsworth met een scheikundecursus en de laatste feiten over radium. De zelfstudie geologie - 'op- en ondergang van trilobieten, de stratigrafie van de liaskalk' - levert hem een universitair diploma op. Hij leert zichzelf Italiaans om een (postuum verschenen) verhandeling te kunnen schrijven over Lazzaro Spallanzani, een bioloog uit de achttiende eeuw. Hij blijft ontleden: paling, regenworm, 'nog een bloedzuiger', rivierlamprei ('interessant kieuwkorfje'), bergeend, kwartelkoning, bidsprinkhaankreeft.

Als hij de schedel prepareert van een ringslang, verschaft het uitlepelen van de ogen hem een plezierig gevoel - symbolisch, alsof hij uit naam van de rest van de lijdende mensheid de rekening vereffent voor zijn gedrag in de Hof van Eden.

De lijdende mensheid, dat is vrij dicht bij huis. Met tegenzin combineert hij zijn 'eigen werk' met een baantje als journalist. Hij moet zijn vader bijstaan die aan huis werkt als redacteur van The Devon and Exeter Gazette. Uiteraard beheerst hij nu ook steno en kan hij typen, maar hij verafschuwt het verslaan van vergaderingen en rechtszittingen en veracht zijn collega's. Als zijn vader sterft na een beroerte, lijkt ook zijn doodvonnis getekend: hij moet neen zeggen tegen de betrekking die het Marine Laboratory in Plymouth hem aanbiedt teneinde het gehate krantenwerk voort te zetten.

Zijn fysieke toestand baart hem zorgen, hij is vaak ziek en maakt regelmatig en nog tamelijk sec melding van kleine hartaanvallen. 'Waarom kan ik niet óf een eersteklas ziekte hebben óf een eersteklas zoöloog zijn?' Later worden de klachten ernstiger. De juiste diagnose is moeilijk te stellen, het blijken de voorboden van een zeldzame vorm van multiple sclerose, maar als de artsen het over het ziektebeeld eens zijn, blijft hij als enige in onwetendheid en komt hij pas in een laat stadium per ongeluk achter de waarheid.

Zijn sociale horizon schuift naderbij, met meisjes is hij een stoethaspel door zijn onzekerheid. Hij beschrijft zichzelf als uitgemergeld, 'een semi-invalide'. Wanneer hij echt verkikkerd raakt, gedraagt hij zich onuitstaanbaar door zijn eigenliefde en sleept de affaire zich moeizaam voort. Maar ondanks perioden van grote zwaarmoedigheid (veel gedachten over ziekte en dood, soms zinspelend op zelfmoord) vecht hij door. En eindelijk verwerft hij een baan: bij het British Museum, op de insectenkamer.

Londen is geen paradijs. De fervente veldbioloog van weleer komt terecht in een pension dat aan de hand van losse mededelingen kan worden gereconstrueerd als een hels onderkomen met vaalbruine smerige kamers in een grijze straat. Alles is even goor, hij zit in een smerige leunstoel, 'mijn hoofd overschaduwd door een wolk van neerslachtigheid', terwijl de smerige dochter van de hospita onder aan de trap Little Grey Home in the West zingt. Eén keer beschrijft hij de avondmaalsgasten, onder wie een Duitse jongeling ('wellustig, bombastisch, hersenloos schepsel'), twee verwijfde violisten en een koloniale dame die in een slaapkameraffaire verwikkeld is met een medegast. Gezond staaltje van misantropie: hij haat ze allemaal. 'Ze weten het en zijn beledigd.' (Zijn haat strekt zich uit tot onder anderen oude vrouwen die het over hun benen hebben.)

Hij maakt als zijn conditie het toelaat uitstapjes in Londen, die hij al even fraai beschrijft, maar raakt steeds meer gefixeerd op zichzelf, 'een continue preoccupatie'. Geleidelijk verandert de toon, bespiegelingen krijgen de overhand, vooral over muziek, een nieuwe passie, soms over beeldende kunst. Hij blijkt zich nu ook te kunnen overgeven aan genot dat niet voortspruit uit nieuw verworven wetenschappelijk inzicht. Luisteren naar de Unvollendete veroorzaakt een even grote emotionele storm als ooit het snijden in een huisjesslak.

Of het werk hem goed bevalt, wordt niet helemaal duidelijk. Hij moet voor de Zoological Society een rapport opstellen over luizen die worden aangetroffen op in de dierentuin overleden dieren. 'Geen menselijk wezen heeft binnen de grenzen van zijn geest ooit meer kennis over luizen opgeslagen dan ik' Hij verfoeit economische biologie, maar is trots op het honorarium na een optreden als getuige-deskundige in een rechtszaak over door mijt beschadigd meubilair. Binnen de kortste keren staat een redacteur van de Furniture Record op de stoep die graag wil noteren hoe je mijten in bekleding uitroeit.

Het laatste deel van het dagboek staat voornamelijk in het teken van zijn tragische aftakeling en het gevreesde huwelijksleven, dat hem bij vlagen een redeloze woede ontlokt. De komst van de baby, 'een monster', noemt hij zijn coup de grâce. Hij is aan huis gekluisterd, inmiddels woedt de grootste oorlog aller tijden, maar zijn angst voor een fatale hartstilstand is groter dan de vrees voor een zeppelin-aanval op Londen.

Het gezinnetje laat de stad achter zich, de manke varensgezellen, de kastanjepoffers, de commissionairs in bacon, de karren en de straatveger met het halve zwarte masker dat de ravage bedekt die de lupus heeft aangericht. Het laat hem opeens niet los dat hij nog in leven is, 'een oude sukkel als ik'. Want in de loopgraven van het vasteland vinden kerngezonde generatiegenoten massaal de dood. Maar ook zijn eigen sterfdatum nadert. 'Ik begin weer ziek te worden, en kan de pen nauwelijks vasthouden. Dus tot ziens dagboek, misschien tot over een tijdje.'

Meer dan wat ook is zijn journal intime hem steeds tot steun geweest, de supervertrouwelinge aan wie alles werd verteld en opgebiecht om 'tenminste wat postume sympathie op te wekken'. Hij borg de cahiers zorgvuldig op in een speciaal getimmerd kastje, selecteerde voor zijn enige echte vriend weleens een deeltje ('Een weinig uit 1912?') om uit voor te lezen, bekent elders dat hij erop terugviel zoals de een of andere arme donder naar de fles grijpt. En dan die ethische kant: kun je getrouwd zijn en zoveel intimiteiten verborgen houden voor je vrouw? 'Corrumpeert de dagboekverslaving mijn karakter?'

Die angst was ongegrond. Het Dagboek van een teleurgesteld man is de levensbeschrijving van een geestrijk mens die niet wreder door het lot had kunnen worden bezocht. In de vloeiende vertaling van Harry Oltheten wekt Barbellion naast de door hem verlangde sympathie ook mededogen en bewondering.

Adriaan de Boer

W.N.P. Barbellion: Dagboek van een teleurgesteld man.

Vertaald uit het Engels en van een nawoord voorzien door Harry Oltheten.

De Arbeiderspers (Privé-domein); 334 pagina's; ¿ 34,90 (na 1 april ¿ 49,90).

ISBN 90 295 0157 X.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden