Singing in the brain is vreselijk beperkt, braaf en saai

Erik Scherder overlaadt de lezer met brave vakliteratuur over muziek en het brein. De hersenonderzoeker kan prachtig vertellen, maar dit boek is gewoon saai.

Elke wetenschap verdient een Erik Scherder. Nu televisie beschouwd wordt als de plaats waar 'het' gebeurt, heeft elke wetenschap behoefte aan een eigen media-ambassadeur die op de buis enthousiast, met een grap en een gretige blik, die wetenschap kan uitleggen aan een miljoenenpubliek. De natuurkunde heeft Robbert Dijkgraaf, de sterrenkunde Govert Schilling, de wiskunde Ionica Smeets, en het hersenonderzoek VU-hoogleraar Erik Scherder. Geregeld schuift hij aan bij DWDD om weer iets prachtigs te vertellen over het brein. Want vertellen, dat kan hij. Maar een dik boek schrijven, dat is iets anders.

Singing in the brain combineert de twee passies van Scherder: breinonderzoek en muziek. Over dat snijvlak valt veel te vertellen. Heel veel. Het lijkt er soms wel op dat hersenonderzoekers niets liever doen dan hun cliënten in de CT-scanner schuiven met een muziekje op de oren. En dan maar kijken welke delen van het brein oplichten. Welk effect heeft muziek op het gevoel, op pijnbeleving of welbevinden? Rond dat soort vragen is een ware berg aan vakliteratuur ontstaan, en Scherder heeft zich daar een weg door gebaand.

Helaas levert dat geen leesbaar boek op. Afgezien van een handjevol persoonlijke anekdotes bestaat Singing in the brain voor het grootste deel uit monotone samenvattinkjes van wetenschappelijk onderzoek, honderden achter elkaar, naar hoe bepaalde patiënten zich voelden met aangename muziek op de oren, en wat de effecten op de lange termijn zouden zijn. De conclusie is steeds dezelfde, en ligt voor de hand: aangename muziek is goed voor je.

Daarnaast wil Scherder ons dolgraag steeds opnieuw vertellen welk stukje brein wakker wordt bij deze of gene muzikale ervaring. Die stukjes hebben moeilijke namen en vaag omschreven functies, maar hij legt geduldig uit dat de muziek hier wordt 'geïntegreerd', daar 'geanalyseerd' en zo verder. En dan zijn er tientallen plaatjes van een doorgesneden brein, voorzien van pijlen en nieuwe onuitspreekbare namen (nu vaak in het Engels). Kortom, na 50 pagina's weet de lezer het wel. En dan komen er nog 350.

Wat is muziek? Scherder opent zijn eerste hoofdstuk met die vraag, en verwijst naar de beroemde stilte (4'33'') van de Amerikaanse componist John Cage. Maar zijn aandacht gaat uitsluitend uit naar klassieke muziek en dan vooral de variant die op Radio 4 aangeduid wordt als 'aangenaam klassiek'. Die muziek is bij hem altijd leuk en aangenaam, en je gaat er spontaan van dansen, lezen we meerdere keren. (Gelukkig valt dat in de praktijk wel mee.)

Atonale muziek is vreemd; pop is vrijwel afwezig, 'harde rockmuziek' wordt een of twee keer genoemd (daar krijg je lichamelijke klachten van) en de term 'jazz' duikt voor het eerst op op pagina 238. Dat het overgrote deel van de muziek ons irriteert of koud laat, blijft onbesproken - maar is cruciaal. Muziek is een aangeleerd genot, en dat genieten is vaak iets anders dan zachtjes meedeinen met 'aangenaam klassiek' - en dat levert ongetwijfeld heel andere plaatjes op dan Scherder in de literatuur heeft gevonden. De vakliteratuur is met andere woorden vreselijk beperkt en braaf. En Singing in the brain is dat ook, en daarnaast ook nog saai. Misschien moet Scherder het toch maar bij vertellen houden. Want echt, elke wetenschap verdient een ambassadeur als Erik Scherder.

Non-fictie. Erik Scherder. Singing in the brain. Athenaeum - Polak & Van Gennep; 423 pagina's; euro 24,50.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden