SIMON VESTDIJK Schepper van een kolossale motregen

Geboren: 17 oktober 1898 in Harlingen. Ontkende: dat een schrijver inspiratie nodig heeft. Schreef het best: als een loeiende stofzuiger ander lawaai overstemde....

DAT hij krankzinnig productief was, staat wel vast. Dat hij over een briljant stel hersens beschikte, speelde met een fenomenale eruditie en een verbluffend inzicht toonde in de kronkelingen van de menselijke psyche, eveneens. Hij was bovendien een meester in het bedenken van complexe intriges, beheerste alle literaire genres en kon elk denkbaar onderwerp aan. Zelfs aan gevoel voor humor ontbrak het hem niet. Hij kon vlijmscherp ironisch zijn en wreed spotten met kleinzieligheid. Simon Vestdijk kon alles, en hij deed het ook.

Maar toch. Alle jubelende typeringen die grote tijdgenoten hem schonken - 'duivelskunstenaar' (Ter Braak), 'gij die sneller schrijft dan God kan lezen' (Roland Holst), 'een der amusantste mensen die ik heb ontmoet' (Du Perron), 'Simon de Magiër' (Theun de Vries) -, omzeilen behoedzaam dat ene, tere punt: was Vestdijk, behalve een virtuoos, ook een 'groot' schrijver? Groot in visie, conceptie, wereldbeeld?

Daarbij gaat het om de vraag of de maker van 52 romans, 23 essaybundels en duizenden gedichten - die met evenveel gemak over zijn eigen jeugd (de Anton Wachter-romans) schreef als over de klassieke oudheid (De nadagen van Pilatus), over collaborateurs (De schandalen) en verzet (Pastorale 1943), God en de duivel (De kelner en de levenden), over sadisme (Meneer Vissers hellevaart), lesbische liefde (Een alpenroman), schizofrenie (De redding van Fré Bolderhey), voyeurisme (De ziener), en Ierland in de vorige eeuw (Ierse nachten), die zijn theorieën had over Het wezen van de angst, over De toekomst der religie, over astrologie, muziek en psychoanalyse - of die man, zeventien jaar lang kandidaat voor de Nobelprijs, aan de twintigste eeuw een paar gedachten heeft meegegeven die het behouden waard zijn.

Toen Vestdijk in 1971 stierf, leek daarover geen twijfel mogelijk. 's Lands grootste romancier werd ter aarde besteld. Een genie op eenzame hoogte. Zijn lezers namen afscheid met de plechtige verzekering dat zij hem in leven zouden houden. De verzamelde romans werden uitgegeven, fanatieke bewonderaars richtten een Vestdijk-kring op, er kwam een driemaandelijkse Vestdijk-kroniek waarin kenners elkaar de loef afstaken. In Vestdijks geboorteplaats Harlingen konden bedevaartgangers een Vestdijk-route bij de VVV halen.

Kroon op de Vestdijkiana-gekte moest de definitieve biografie worden. Mieke Vestdijk-Van der Hoeven, de veertig jaar jongere vrouw met wie de schrijver zes jaar voor zijn dood trouwde en die hem op de valreep twee nakomelingen schonk, sprak over enkele kandidaten haar veto uit. Uiteindelijk schreef de ingenieur Hans Visser het boek. Het verscheen in 1987, kreeg een slechte pers en was spoedig vergeten.

Nu, op het eeuwfeest van zijn geboorte, dreigt Vestdijk zelf de vergetelheid in te tuimelen. Scholieren weten niet meer wie hij was, hun docenten lezen hem niet meer. De 52 romans werden vakkundig verramsjt. Enkele 'klassiekers', zoals Terug tot Ina Damman en De koperen tuin, staan te vergelen op de schappen van de boekhandel. Zijn weduwe klaagt dat zij niet meer van de royalty's kan rondkomen. Vestdijk is nog slechts een Grote Naam, goed voor een flink lemma in de literatuurgeschiedenis, maar niet iemand die mee mag in de vakantiekoffer. Een lot dat die andere veelschrijver, Couperus, niet trof. Waar schort het aan bij Vestdijk?

Kritiek was altijd al te horen. Zelfs bij Ter Braak en Du Perron, die hem juichend hun tijdschrift Forum binnenhaalden, hield de liefde niet lang stand. Toen Vestdijk in 1933 zijn eerste roman schreef - het meer dan duizend pagina's dikke Kind tussen vier vrouwen, een proustiaanse onderdompeling in zijn jeugd - rezen er bezwaren. Vestdijk bleek een 'litterator', geen 'vent' die getuigde van betrokkenheid bij de wereld. Van de wereld had hij zich afgekeerd. Hij was een angstig kind geweest, een wanhopig verliefde puber, een student die het er flink van nam, en hij had vijf jaar als arts gewerkt - later zou hij zeggen dat hij in die jaren zijn mensenkennis had opgedaan. Daarna verruilde hij zijn leven voor de literatuur. Hij schreef, dag na dag, als hij niet in een verduisterde kamer lag te genezen van een depressie. Minstens één titel per jaar. 'Een handelsman', snoven Ter Braak en Du Perron minachtend. Als het succes was uitgebleven, zou hij zijn gestopt, zei Vestdijk later. Eigenlijk was hij liever dirigent geworden.

Zijn werk zou kil zijn, intellectualistisch en cerebraal. Vestdijk zou zelden ontroeren, en geen sprankje compassie tonen met zijn medemens, die hij van achter een glazen wand begluurde en kapot analyseerde. En dan zijn stijl: bijzinrijke, stroef lopende zinnen, wijdlopige gedachtenspinsels en beschrijvingen zonder einde. Geen proza voor de eeuwigheid.

Liefhebbers van zijn werk wijzen erop dat zijn afstandelijkheid het product is van bedwongen emotionaliteit. Vestdijk transponeerde zijn hart naar zijn hoofd. Volgens Maarten 't Hart was hij 'zo gevoelig dat hij steeds verkeerde op de grens van waanzin'. En zijn meanderende, paradoxale stijl, waarbij in één zin de ene hand geeft wat de andere terugneemt ('zij was allemachtig lelijk, helemaal niet lelijk, mooi') is het gevolg van zijn sceptische levenshouding. Bij Vestdijk verschuift het perspectief voortdurend. Zijn personages - vaak een geïdealiseerde geliefde of een niet te evenaren vriend - zijn 'wijkende gestalten', en zijn romans 'zoektochten naar hun ware gedaante', zoals Kees Fens schreef. Alleen de twijfel krijgt bij Vestdijk gelijk.

Vestdijk verwoordde zijn romantische thematiek in verstandelijk proza en gekunstelde gedichten. Maar dat 'thema' laat zich niet duidelijk omschrijven. 'Mijn hele ''kunstenaarschap'' gaat regelrecht terug op de Ina Damman-ervaring', schreef hij in 1943 aan Theun de Vries. Terug tot Ina Damman, het derde deel van de autobiografische reeks over de 'Lahringse' jongen Anton Wachter, beschrijft de noodlottige liefde voor de koele Ina, die Anton maar 'een vervelende jongen' vindt. 'Op mijn vijftiende jaar ben ik doodgegaan', zegt Anton in de laatste roman uit de reeks. Hij stierf, en de schrijver werd geboren. Een schrijver die het enige tegengif tegen de angst - blijvende, ongeschonden liefde - zou koesteren in zijn 'Note Book'. De zoektocht naar de Graal was begonnen.

En er werd niets gevonden. 'Waar is nou hét boek? Waar is het boek van de eerste helft van de twintigste eeuw dat Vestdijk geschreven heeft?', vroeg Harry Mulisch zich in 1965 af. De criticus Gabriël Smit typeerde zijn werk treffend als 'een permanente motregen': 'Nooit breekt de zon door, nooit woedt een echt onweer.' Vestdijk, schreef Smit, verspilde zijn talent aan de beschrijving van 'een in herhaalde mislukking gevangen mens', waardoor zijn werk 'een repeterende breuk' werd. De tientallen romans die verschenen na de voltooiing van de Anton Wachter-reeks in 1960, produceerde hij op louter routine, zeggen vele critici elkaar na.

En toch. Ook al zou de helft van de inhoud van de boekenkast die Vestdijk in zijn eentje vulde, bij het vuil kunnen, dan nog resteert een indrukwekkend oeuvre. Wie Vestdijk beoordeelt naar zijn hoogtepunten, houdt een paar schitterende romans in handen. Terug tot Ina Damman natuurlijk, dat 'oerboek', maar ook De koperen tuin en Het glinsterend pantser, romans waarin hij door zijn afstandelijkheid heen breekt en een ode brengt aan zijn ware liefde, de muziek. Of Pastorale 1943, waarin hij al kort na de oorlog, in 1948, met superieure ironie het Hollandse verzet tekent, in al zijn knulligheid en misplaatste heroïek. Lees die boeken, zou je jonge lezers willen aanraden, en constateer dat Vestdijk niet zo onleesbaar is als wordt beweerd.

Een 'beperkt' schepper van een imposant en veelzijdig oeuvre - wellicht. Maar dan toch een schrijver die er door zijn blikvernauwing in is geslaagd het portret van de mens in de de twintigste eeuw terug te brengen tot één, onweerlegbaar kenmerk: dat van de armzalige hunkeraar, gedoemd te falen tot aan zijn dood.

Aleid Truijens

Dit is de 40ste aflevering van een serie over honderd belangrijke Nederlanders van deze eeuw. De volgorde is chronologisch (op basis van geboortedatum). Onder het kopje Gepasseerd staan de namen van tijdgenoten die de tophonderd niet hebben bereikt.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.