Sigur Rós betovert en doet iets wat niemand anders doet

De totale verwondering die Sigur Rós met het album Ágætis Byrjun (1999) veroorzaakte, is na tien jaar verdwenen. We kennen het geluid van de IJslandse band, het ijle fantasietaaltje Vónlenska (‘Hopelandic’) waarin Jónsi Birgisson zingt, het beeld van de magere frontman die met zijn elektrische gitaar bespeelt met een strijkstok,...

Door Menno Pot

Des te veelzeggender is het dat Sigur Rós nog altijd betovert. Dat gold voor het vijfde studioalbum, dat in juni verscheen (titel: Með suð í eyrum við spilum endalaust) en ook voor het optreden dat de groep in augustus op Lowlands verzorgde. Maandag, in een uitverkochte Music Hall, gebeurde het opnieuw. De band is met de jaren wat toegankelijker geworden. Gobbeldigook, van het jongste album, is een compact jubelliedje zoals de band dat tien jaar geleden niet zou hebben gemaakt. De bandleden zijn beter Engels gaan spreken en daardoor beter benaderbaar geworden.

Het meest indrukwekkend blijven de lange, sferische stukken, die betoveren en bijna ongemerkt naar een climax sluipen: de avond werd geopend met Svefn-G-Englar (1999), om anderhalf uur later op orkaankracht en in een wervelstorm van papiersnippers te eindigen met Popplagið. Tussendoor kwamen parels van recenter datum bloot te liggen.

Twee keer kwamen Jónsi, Goggi, Kjarri en Olli terug op het podium, niet voor een extra toegift maar voor een diepe buiging. Met zijn vieren doen ze iets dat niemand anders doet. Aan pure schoonheid raak je gelukkig nooit gewend.

De IJslandse band Sigur Ros. De foto is in Montreux genomen. (EPA) Beeld
De IJslandse band Sigur Ros. De foto is in Montreux genomen. (EPA)

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2023 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden