Sieb Posthuma: van toen, tot hier, en nu verder

In een prachtig vormgegeven biografie schetst Joukje Akveld een levendig portret van illustrator Sieb Posthuma.

Iets moois maken voor kinderen, dat is wel zo'n beetje het laatste waarvan tekenaar en theatermaker Sieb Posthuma in zijn jonge jaren droomt. 'Die truttenafdeling', noemt hij de opleiding van de Rietveld Academie waar zijn toekomstige collega's tot illustrator worden geschoold. Zelf schildert hij grootse, sombere doeken in de stijl van de Nieuwe Wilden en niet veel later gaat hij de columns van Theo van Gogh in HP/De Tijd illustreren. Zijn handelsmerk: piemels in alle soorten en maten.

Niet zo gek dus dat uitgevers niet meteen overtuigd zijn als hij jaren later toch met ideeën voor een kinderboek komt aanzetten. En zelfs tegenwoordig, nu hij met zijn hondenheld Rintje brede bekendheid geniet en samen met leesprinses Laurentien spraakmakende kinderboeken over het milieu ontwerpt, versiert hij met onkinderachtige bravoure de schutbladen van Sieb Posthuma, van toen, tot hier, en nu verder met doodskoppen, grijnzende vogeltjes en natuurlijk heel veel piemels.

Dat is het mooie van een portret in boekvorm van een levende illustrator: de kunstenaar kan zonder zich met de tekst te bemoeien zijn eigen verhaal vertellen. In dat opzicht alleen al is het boek bijzonder geslaagd. Het is geen dodelijk objectieve, maar een soms dubbelzinnige en bovenal springlevende biografie, die in woord en beeld verschillende verhalen tegelijk vertelt.

Als oudste zoon in een kunstminnend en vrijgevochten Rotterdams D66-gezin groeit Sybrand Suardus Nicolaas Posthuma (1960) tamelijk eclectisch op, met Degas én Beatles, Dick Bruna én de romantische illustrator Arthur Rackham. Tekenen doet hij van jongs af aan, bij voorkeur in bed en buiten de lijntjes. Als het papier vol is, gaat hij buiten het papier verder, op de lakens.

Op de middelbare school loopt hij in een zelfgemaakte jas van postzakken. Zijn matige resultaten compenseert hij met een opvallend tekentalent en zijn gevoelens voor jongens verdringt hij door een langdurige relatie met een meisje. De Rietveld Academie, die hem twee keer weigert, kan hij maar met moeite overtuigen van zijn kwaliteiten. Een slecht begeleide stage in Berlijn loopt haast verkeerd af. Als hij bijna is afgestudeerd en zijn moeder na jaren tobben zelfmoord pleegt, gaat het maken van grote, serieuze schilderijen hem tegenstaan.

Naast zijn vertrouwde potloden vindt hij zijn tegendraadse gevoel voor humor terug. En helemaal als hij mag gaan werken naast de opruiende columns van Theo van Gogh. Het moeten gelukkige jaren zijn geweest, waarin hij met vaak veel te grote tekeningen naar de redactie fietst en voor het eerst een geregeld inkomen verdient.

In een geestige en veelzeggende passage omschrijft actrice en columniste Annemarie Oster, een van Van Goghs opvolgers bij HP/De Tijd, zijn werk als 'vriendelijke tekenaarsseks' met een 'goedmoedig soort sexappeal'. Posthuma's tekeningen laten een andere kant van het verhaal zien dan in de column wordt verteld. Van dit soort citaten moet het boek het hebben. Waar Akveld voorzichtig om de lastigere thema's heen tast, stelt Annemarie Oster tijdens een etentje met veel wijn die broodnodige impertinente en misschien ook pijnlijke vragen. Hoe is dat, bijvoorbeeld, om als man zo lang je gevoelens te onderdrukken en wat doet dat met je werk?

De lezer krijgt door het slim ingezette interview met Oster het gevoel dat er wel meer onderwerpen zijn waar hij niet al te graag over praat. Liever bespreekt Posthuma zijn voorbeelden, minder bekend werk dat veel voor hem betekent, wat hij allemaal nog van plan is en - goed, omdat je zo doorvraagt - de relatie met zijn moeder.

Minder graag heeft hij het over de kunstenaar die lastig onder één noemer te brengen is, die met zijn identiteit worstelt, die steeds nieuwe werelden opzoekt. Hij ontwerpt naast werk dat door uitgevers te gevoelig en te politiek wordt gevonden boekomslagen, decors, kostuums en zelfs serviezen.

Als eindelijk Rintje verschijnt (Lemniscaat,

2001) is zijn humor gebleven, maar zijn de dansende geslachtsorganen vervangen door worsten en botten. En wordt hij dankzij zijn beroemdste fan, prinses Laurentien van Oranje, met wie hij Mr. Finney en de wereld op zijn kop (Querido, 2009) maakt, de eerste en tot nu toe enige kinderboekenillustrator die bij een presentatie politiebeveiliging krijgt.

Helemaal helder krijgt Akveld niet wat voor een man daar nu precies achter zit, en er is wellicht iets te veel aandacht voor wat ze zelf in haar inleiding 'kindervakanties, jeugdliefdes en navelbreukjes' noemt.

Is het belangrijk dat we weten dat Keith Haring een inspiratie was 'maar niet doorslaggevend'? Doet het ertoe dat Posthuma ermee worstelt om eens een maandje vrij te nemen voor nieuw werk, maar dat dat al jaren niet lukt? Voegt het iets toe aan een verder mooi portret van zijn gegoede maar verscheurde jeugd in Heemstede en het Britse Peak District te concluderen dat hij wat moeite heeft met afscheid nemen?

Gelukkig weet Akveld toch steeds koers te houden in haar verhaal. Bescheiden stelt ze in haar inleiding dat dit boek, hoe lijvig ook, nog geen biografie mag heten. Eerder maakte ze, samen met collega Annemarie Terhell, inspirerende weglezers over Thé Tjong-Khing en Tonke Dragt en ook was ze de eerste die alle gezaghebbende Nederlandse illustratoren in één lijvig overzichtswerk bijeenbracht: Tekenaars (Hoogland & Van Klaveren, 2010). Ze groeit in haar rol als kinderboekenexpert en Sieb Posthuma is, ook door de prachtige vormgeving als kleurrijk magazine, een nieuw bewijs van Akvelds kunnen.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden