'Scorsese was zijn tijd ver vooruit'

Met een tentoonstelling in filmmuseum Eye en een groot retrospectief van zijn films, is dit de zomer van Martin Scorsese. Wat maakt zijn werk zo meesterlijk? Nederlandse filmregisseurs leggen het uit. Vandaag documentaireregisseur Coco Schrijber over The King of Comedy (1982).

Robert de Niro in The King of Comedy uit 1982

'Scorsese, dat is de basis. Zijn films zijn mijn bijbel. Dat zou je een principekwestie kunnen noemen: ik kan geen vrienden zijn met iemand die Scorsese niet waardeert. Natuurlijk kun je sommige van zijn films slecht vinden, maar als je niet snapt dat hij desondanks een van de allergrootste is, dan is daar de deur. Dan hebben jij en ik elkaar niets te melden.

Coco Schrijber (1961) is documentairemaker en auteur. Met haar eerste lange documentaire First Kill (2001) won ze de prijs van de Nederlandse filmkritiek op het Nederlands Filmfestival. Zeven jaar later won ze op datzelfde festival een Gouden Kalf met Bloody Mondays & Strawberry Pies, een essayistische blik op verveling. How to Meet a Mermaid (2016) is haar meest recente film. Met de roman De luchtvegers (2015) debuteerde ze als schrijver.

Dat ik verslaafd ben aan zijn films komt door dat ongelooflijke ritme, door die ontzettend dwingende blik. In zijn boek Scorsese on Scorsese vergelijkt hij zichzelf met Jim Jarmusch, die de toeschouwer steeds een zekere mate van vrijheid wil geven. Scorsese heeft een heel andere houding, zegt hij: 'Ik wil dat ze alles precies op míjn manier zien'. Nou, dan heeft hij aan mij een goeie. Als ik op de bank tv zit te kijken en midden in Raging Bull (1980) of The Age of Innocence (1993) beland, kan ik onmogelijk wegzappen. Ik móét blijven kijken, zelfs als de film door commercials wordt onderbroken. 'Je hebt 'm gewoon in de kast staan', zegt mijn vriend dan, en toch blijf ik wachten tot de reclame voorbij is en de film verder gaat.

Geen wonder dat ik een film als The King of Comedy, waarin aspirant-komiek Rupert Pupkin (Robert de Niro) de hardnekkige stalker wordt van zijn idool Jerry Langford (Jerry Lewis), tig keer heb gezien. Complete scènes en dialogen ken ik uit mijn hoofd, klaar voor gebruik als ik in gezelschap iets ontregelends wil zeggen. 'I wanna count your eyelashes', bijvoorbeeld. Die neiging om Scorsese's werk te verinnerlijken had ik nog veel meer toen ik met zijn werk kennismaakte, zo rond mijn 20ste. Als een gangster uit Mean Streets (1973) liep ik over straat, iedereen af te bekken die te dichtbij kwam. Dankzij The Color of Money (1986) ging ik poolen, want ik wilde à la Tom Cruise de keu kunnen hanteren en, terwijl ik mijn koffer openklikte, tegen mijn tegenstander 'I'm your worst nightmare' kunnen zeggen.

Beelden uit The King of Comedy

Ik was in die tijd wel een beetje een nerd. Iemand die haar lievelingsfilms opsnoof om zichzelf een houding te kunnen geven, om iets van het leven te proeven dat ze in die films zag. Je zou kunnen zeggen dat Rupert Pupkin in The King of Comedy om vergelijkbare redenen stand-upcomedian wil worden en zich spiegelt aan zijn held Jerry Langford. Maar Pupkin doet dat ook echt om beroemd te worden, en die ambitie had ik destijds zeker niet. Ik wist nog niet eens dat ik ook zelf filmmaker wilde worden. Ook in die ontdekkingstocht heeft Scorsese me trouwens volop geholpen. Door steeds weer bij zijn werk terug te keren, begreep ik beter wat ik zelf als cineast beoog: dat ook ik met mijn films niets anders wil presenteren dan mijn persoonlijke kijk op de werkelijkheid. Zo zie ik het, en zo ga ik het je door de strot duwen.

Ik kan me niet voorstellen dat je je als toeschouwer makkelijk met Pupkin identificeert. Toen ik de film voor het eerst zag, kreeg ik meteen de kriebels van die vent. Verschrikkelijk, hoe hij in zijn opdringerigheid van geen ophouden weet. Alsmaar blijft hij Langford lastigvallen, hoe vaak hij ook wordt afgewimpeld. Als al zijn geslijm en geplak niets oplevert, ontvoert hij de man, geholpen door collega Langford-stalker Masha - een heerlijke rol van komiek Sandra Bernhard; wat een ongebreidelde energie legt zij in haar rol, en om de een of andere reden kan ik haar gekte beter verdragen. Zij is eerlijk en instinctief, waar Rupert zich ontpopt als een drammerige sociopaat.

Zijn gestoorde voortvarendheid maakt Pupkin eigenlijk veel griezeliger dan Travis Bickle, de eveneens door De Niro gespeelde wraakengel uit Taxi Driver (1975). Bickle heeft tenminste nog enig zelfbesef: die probeert zijn agressie en woede te beteugelen, omdat hij weet wat voor verschrikkelijks er gebeurt zodra hij hij de controle verliest. Rupert Pupkin is dergelijke zelfreflectie vreemd. Hij is zozeer van zijn eigen gelijk en talent overtuigd, dat het gevaarlijk en extreem onaangenaam wordt.

De ongemakkelijkste scène is die waarin hij voor de zoveelste keer in de balie van Langfords kantoor zit, om te horen wat Langford vond van de demotape met zijn stand-upact. Langfords secretaresse (Shelley Hack) staat Pupkin vriendelijk te woord, legt uit wat ze wel en niet goed vonden aan de tape, vraagt hem over een tijdje eens terug te komen en wil afscheid nemen. Dat staat Pupkin niet toe: hij loopt achter de vrouw aan en blijft haar ter verantwoording roepen. 'Spreek je wel namens Jerry', zegt hij dan. De toon waarop De Niro die zin uitbreekt, de ijskoude blik die hij dan in Pupkins ogen legt - het is als een mes dat tussen je ribben wordt gestoken. En intussen probeert die secretaresse haar professionele beleefdheid te bewaren. Wat een beklemming voel je dan als kijker. Je zou die Pupkin, een man die als kauwgom aan je schoen blijft plakken, het liefst van de trap willen gooien.

Beelden uit The King of Comedy

Een komedie is The King of Comedy niet. Ik kan me voorstellen dat veel bioscoopbezoekers dat destijds wel verwachtten, onder meer omdat klucht-icoon Jerry Lewis min of meer zichzelf speelt. Daarom is de film zo geflopt. Zelf moet ik er nog steeds flink om lachen - zoals om Pupkins naam, die voortdurend tot 'Pumpkin', 'Pupnick', 'Pupper', 'Puffer', 'Krupkin' of 'Potkin' wordt verbasterd - maar het is vrijwel altijd een lach geboren uit onbehagen of irritatie. Niet direct wat mensen willen als ze op een lachfilm rekenen.

De film was met zijn kritiek op de media en hun hang naar sterrenverering ook te zeer zijn tijd vooruit, denk ik. Het einde, waarin Pupkin na een gevangenisstraf vervroegd vrijkomt, zijn autobiografie publiceert en alsnog zijn eigen tv-show krijgt, had destijds iets vervreemdends en ongeloofwaardigs. Alsof het zich alleen maar in Pupkins hoofd afspeelt. Maar tegenwoordig voelt dat toch enigszins anders: anno 2017 laat je nog geen scheet of je bent al beroemd, en wanneer moordenaars of criminelen hun levensverhaal opschrijven, willen we dat boek allemaal lezen. Dat maakt een film als The King of Comedy relevant als nooit tevoren.

Toch jammer dat Scorsese niet aanwezig was in Eye Amsterdam, toen de expositie over zijn werk werd geopend. Ik had hem graag willen spreken, goed voorbereid, zonder handtekeningengedoe of andere vormen van heldenverering, gewoon een gesprek van cineast tot cineast. Tegelijkertijd blijft zoiets lastig. Ik zou in zo'n geval natuurlijk kunnen zeggen dat ik minstens 35 van zijn films heb gezien, hoe geweldig ik ze vind, wat ze met me doen en hoe ik er soms aan denk als ik mijn eigen films maak. Maar ja, wat heeft zo'n man daar aan? Je wordt dan toch al snel zelf zo'n Rupert Pupkin.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden