Scorsese is altijd relevant gebleven en staat nog steeds aan de top

Met een tentoonstelling in filmmuseum Eye en een groot retrospectief van zijn films, is dit de zomer van Martin Scorsese. Wat maakt zijn werk zo meesterlijk? Nederlandse filmregisseurs leggen het uit. Vandaag Martin Koolhoven over Mean Streets (1973).

'Scorsese is zo vanzelfsprekend goed dat ik hem eigenlijk nooit noem als een van mijn favoriete regisseurs. Maar als ik erover nadenk, kan ik niet anders dan zeggen dat hij de grootste nog levende cineast is. Iemand voor wie vorm net zo belangrijk is als inhoud. In zijn beste films zijn de verhalen urgent, de personages even complex als interessant en gebruikt dan wel onderzoekt hij het medium gretig. Hij is ook altijd relevant gebleven en staat nog steeds aan de top. Taxi Driver, Goodfellas, After Hours, het zijn films die ik regelmatig opnieuw bekijk.

En natuurlijk Mean Streets. Ik houd ontzettend van die film. Ik zag hem voor het eerst als 21-jarige. Ik deed een audiovisuele vooropleiding aan de Mikojel Academie in Sittard en daar raakte ik bevriend met mensen als Jeroen de Bruin (cameraman van onder andere Soof en De marathon) en Frank van den Eeden, die cameraman zou worden voor onder meer Nanouk Leopold. Met z'n vijven keken we films uit Franks enorme VHS-collectie, waaronder dus Mean Streets. Ik was meteen verkocht.

Toen ik de film onlangs voor de derde keer keek, vond ik hem nog steeds onwaarschijnlijk goed en vol vaart. Het ritme waarop niet alleen de scènes wisselen, maar ook de beelden elkaar binnen de scènes opvolgen. Hoe de acteurs praten en bewegen - dat enorme tempo heeft ongetwijfeld met Scorsese zelf te maken: als je hem hoort praten, is hij net een motor die op volle toeren draait.

Martin Koolhoven (Den Haag, 1969) is regisseur. Sinds zijn speelfilmdebuut Suzy Q (1999) maakte hij onder meer het met een Gouden Kalf onderscheiden De grot (2001), de Jan Terlouw-verfilming Oorlogswinter (2008) en de western Brimstone (2016), die werd genomineerd voor een Gouden Leeuw op het filmfestival van Venetië.

Martin Koolhoven. Beeld anp

Mean Streets staat aan het begin van een gouden periode in Hollywood, toen jonge honden als Scorsese, Francis Coppola en William Friedkin in totale artistieke vrijheid films maakten. Mean Streets markeert bovendien Scorseses geboorte als auteur, als cineast met een van film tot film herkenbare signatuur. Het is niet zijn debuut: hij had daarvoor al Who's That Knocking at My Door (1969) en Boxcar Bertha (1972) gedraaid. Die eerste film vind ik te pril om van een echte Scorsese te kunnen spreken; de tweede heeft hij duidelijk in opdracht van B-filmproducer Roger Corman gemaakt en onderscheidt zich met zijn snelle, goedkope misdaadplotje nauwelijks van andere exploitatiefilms van Corman. Toen Scorsese aan zijn grote voorbeeld John Cassavetes vroeg wat hij van Boxcar Bertha vond, antwoordde Cassavetes dat het best een aardige film is, maar dat Scorsese niettemin een compleet jaar aan 'shit' had verspild. Maak iets wat je aan het hart gaat, zei Cassavetes, en dat werd dus Mean Streets, een film die echt uit zijn tenen komt.

Mean Streets speelt zich af in Little Italy, de New Yorkse buurt waar Scorsese opgroeide als telg van een Italiaans-Amerikaanse migrantenfamilie. Harvey Keitel speelt Charlie, een jonge gast die zich omhoog wil werken in de maffia, maar intussen zijn heetgebakerde vriend Johnny Boy (Robert De Niro) in het gareel probeert te houden. We hebben allemaal wel van die vrienden die je moet verdedigen tegenover je andere vrienden of geliefde, en De Niro speelt een soort turbo-uitvoering daarvan. Een ongelooflijke, elektriserende vertolking.

Terwijl Johnny Boy zijn schulden aan een maffioso alsmaar niet betaalt en het steeds spannender wordt wat daarvan de consequenties zullen zijn, blijft de film eerder meanderend dan strak narratief; Scorsese vindt het vooral belangrijk zijn eigen wereldje overtuigend neer te zetten. De film voelt wat dat betreft ontzettend authentiek. Het is ondoenlijk zoiets te maken als je dit niet van dichtbij kent. Hij is zelf ook te zien, als de man die in de finale op de auto van Charlie en Johnny Boy schiet. Nog opmerkelijker is dat hij persoonlijk een deel van Charlies voice-over heeft ingesproken. Een manier om met zichzelf in het reine te komen, zegt hij in het boek Scorsese on Scorsese, maar ach, je moet regisseurs nooit te serieus nemen.

Zo'n voice-over zegt vooral veel over Scorseses bravoure als cineast. In Mean Streets zie je voor het eerst wat zijn werk daarna is blijven typeren: dat hij zich zeer bewust is van de beeldtaal, van het filmidioom, en er niet voor terugdeinst die regels naar zijn hand te zetten. Heel anders dan in het klassieke Hollywood, waar alles zo onopvallend mogelijk moest worden verteld. Scorsese hangt bijvoorbeeld letterlijk de camera aan Keitels lijf in de scène waar Charlie stomdronken is, om die beschonken toestand visueel en voelbaar te maken. Of kijk naar het briljante gebruik van slowmotion wanneer Charlie zijn hels verlichte stamkroeg bezoekt en de overige personages worden geïntroduceerd. Door alles te vertragen mythologiseert Scorsese het moment, tilt het boven de realiteit uit. Wanneer dat de film dient, staan in Mean Streets stilistisch alle registers open.

Tegelijkertijd is de film geregeld heerlijk ongepolijst. Neem de vechtpartij in de poolzaal: eerst wordt Johnny Boy door de eigenaar voor 'mook' uitgescholden - geen idee wat een 'mook' is, de personages weten het eigenlijk ook niet precies - en dan slaan hij en zijn kompanen de halve tent aan gort. De scène is zo perfect gekadreerd dat hij wel zorgvuldig moet zijn voorbereid, maar dat maakt het onbesuisde, rauwe karakter ervan des te indrukwekkender. De camera jakkert tussen de tafels door, achter de vechtende mannen aan, de spaanders van de keus vliegen je om de oren; je hebt echt het idee dat hier rake klappen worden uitgedeeld. En op de achtergrond blijven The Marvelettes maar onbezorgd Please, Mr. Postman zingen. Scorsese is sowieso de koning van het gebruik van bestaande muziek. De soundtrack bevat dik twintig liedjes en de helft van het beschikbare geld ging op aan de muziekrechten.

De vaak robuuste stijl van Mean Streets kwam grotendeels voort uit het krappe budget. Omdat Scorsese geen geld had om iedere scène in soepele rijders te filmen - iets wat veel voorbereiding vergt en dus kostbaar is - koos hij vaak voor handcamerawerk. En dat past ontzettend goed bij het losse, vrijgevochten karakter van de film. Als je maar genoeg talent hebt en weet wat je met je film wilt zeggen, kunnen noodoplossingen juist verdieping geven aan wat je oorspronkelijk van plan was.

Of de film nu werd gedicteerd door geldgebrek of niet, het blijft aanstekelijk en inspirerend om te zien hoe Scorsese hier te werk gaat. Fantastisch hoe discontinu en speels Scorsese de scène monteert waarin Charlie met zijn nichtje in bed ligt. Om met de montage iets anders te doen dan alleen het verhaal zo soepel mogelijk vertellen - zulke experimenteerdrift zie je niet meer. Dan krijg ik wel een beetje heimwee naar die tijd.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden