Van der Leeuw-LezingVan wie is de verbeelding?

‘Schrijvers mogen zich door geen enkel verbod de mogelijkheid laten ontnemen om culturele, maatschappelijke, politieke of seksuele grenzen over te steken’

null Beeld Maus Bullhorst
Beeld Maus Bullhorst

Afgelopen vrijdag hield schrijver Stefan Hertmans de 39ste Van der Leeuw-Lezing. Dit is een ingekorte versie van de lezing, waarin Hertmans betoogt dat de wereldliteratuur een duizenden jaren durende estafette is van pogingen zich de ander zo goed mogelijk in te beelden.

Stefan Hertmans

‘Where are we now?’
David Bowie

Wie gevraagd wordt een lezing te houden in een kerk, krijgt algauw vage associaties met de aloude donderpreken, waarbij de stem vooraan zich het recht toe-eigent niet louter in eigen naam, maar in naam van alle andere aanwezigen te spreken. Wie vooraan gaat staan, laadt daardoor de verdenking op zich te menen het beter te weten, en vandaar ook het recht te hebben zijn toehoorders een mening op te dringen. Deze situatie heeft filosofen en schrijvers van oudsher beziggehouden: op welke plaats denk je te staan, wanneer je in de publieke ruimte spreekt?

Wie het woord neemt, spreekt nooit vanuit een oorspronkelijke positie. Hij of zij is altijd gebonden aan een hele resem gedachten en argumenten die aan het eigen spreken vooraf zijn gegaan. We denken uit eigen naam te spreken, maar spreken steevast vanuit een verbeelde, grotendeels impliciet gebleven samenhang, een onzichtbare groep van instemmend knikkende anderen.

Wie het woord neemt in de openbare ruimte zou zich dus niet in eerste instantie moeten afvragen wat hij of zij per se wil zeggen, maar hoe hij de illusie kan vermijden uitsluitend in eigen naam te spreken. Nu we in een tijd leven waarin sommigen ons waarschuwen dat we ons de Ander cultureel niet zo maar mogen toe-eigenen, is het misschien goed even stil te staan bij de impact van dit spreken in eigen naam of in naam van de Ander. Daarbij is de literatuur, als van oudsher, een aangewezen model om het over andere domeinen van maatschappelijke communicatie te hebben.

Ik behoor tot de generatie voor wie de kreet Die Gedanken sind frei de grondwaarheid leek te bevatten van het democratisch principe. Toch heb ik het altijd een problematische uitspraak gevonden. De activist die zich hier beroept op het recht op vrije verbeelding, vervalt uiteindelijk in een haast fatalistisch recht: ik kan in stilte toch denken wat ik wil. Maar zodra je je mond opent in de publieke ruimte, blijken die vrije gedachten helemaal geen vrijheid te garanderen.

Beter gezegd: zeer vaak konden mensen in voorgaande eeuwen, en in vele landen nog steeds, voor om het even welke uitspraak plots, en uit onverwachte of onverdachte hoek, aan de schandpaal genageld worden, uitgesloten worden, gevangen genomen, gefolterd of terechtgesteld worden – niet zelden omdat een bepaalde uitspraak de macht van bepaalde groepen bedreigt. Dat is een verschijnsel dat zich niet alleen voordoet in totalitaire regimes, waar het geweld letterlijk en lichamelijk is; het is ook eigen aan eender welke vorm van democratie, zij het dan, dat het geweld in onze samenlevingen meestal symbolisch of verbaal is – maar even efficiënt.

Evengoed wordt er sinds het ontstaan van de sociale media voortdurend uitgesloten, gebrandmerkt en veroordeeld zonder dat men ook maar ergens zeker van is. In onze wereld is de vrijheid van denken en spreken niet alleen een erg fragiel en betwistbaar goed, het is ook een wapen waarmee de democratie zich tegen zichzelf kan keren. Enerzijds schreeuwen mensen in manifestaties dat hun eigen individuele vrijheid onaantastbaar is en dat niemand hen iets kan opleggen, drie straten verderop roepen mensen dat vrijheid niet absoluut is, maar ook een vorm van solidariteit behelst. De anderen verschijnen vaker als tegenstrevers dan als gesprekspartners, en elke uitspraak kan tot een verbale explosie leiden. Met andere woorden: zelfs de notie van vrijheid is onderworpen aan allerlei vormen van verbeelding, die ons vaak onbewust gijzelen. Terwijl we roepen dat de vrijheid een universeel goed is, ontzeggen we die in eenzelfde beweging aan wie met ons van mening of cultuur verschilt.

Hoezo, de gedachten zijn vrij? Zijn de gedachten niet altijd gebonden aan dit enorme, grotendeels impliciet blijvende reservoir van beelden van waaruit gedacht, gesproken, veroordeeld of instemmend gereageerd kan worden? En wat meer is: zijn er niet overal lieden die luider schreeuwen naarmate ze zich minder bewust zijn van de verbeelding die hen drijft? Hoe assertiever we zijn, hoe minder aandacht we hebben voor het recht op spreken van de Ander.

*

In een essay met de titel De ander van binnenuit kennen spreekt David Grossman over zijn verlangen om de Ander helemaal en ten diepste te leren kennen via het schrijven van verhalen. Maar, voegt hij eraan toe, in feite zijn we altijd ook bang van het volstrekt vreemde in de Ander, bang voor de ‘mysterieuze, woordeloze, onbewerkte kern, die op geen enkele manier maatschappelijk getemd is, niet verfijnd, beleefd of tactvol is’. Hij zou dit scherm tussen hem en de ander willen wegnemen, bekent hij, zichzelf zonder enige bescherming bloot willen geven aan die onbekende Ander, maar beseft dat dit een erg delicaat en meestal utopisch verlangen is. Daarom noemt hij verhalen schrijven een oefening om van die ingebakken beschermingsreflex af te raken. Zich inleven in de verbeelding van de intimiteit van de Ander vormt voor Grossmann het bestaansrecht van de literatuur.

*

In een roman uit 2008, Het verborgen weefsel, heb ik zelf geprobeerd een hedendaagse, vrijgevochten vrouw van binnenuit te beschrijven, met al haar angsten, twijfels, haar intelligentie, haar intimiteit en haar sensualiteit. Ik ging daarmee mijn genderboekje te buiten, maar dat is net waar het boek begint: bij de uitdaging om, voor de tijd en de ruimte die onze verbeelding het ons toestaat, even de Ander te worden en in diens of dier huid te kruipen. Niet om ons de Ander toe te eigenen, niet om aan culturele toe-eigening te doen, maar om onze eigen individualiteit te verruimen.

In een andere roman, De bekeerlinge, moest ik dit vermogen om een volslagen onbekend iemand van binnenuit te leren kennen, nog sterker oprekken. Toen ik namelijk een aantal jaren geleden ontdekte dat in het Zuid-Franse dorp waar ik een deel van mijn tijd doorbreng een middeleeuwse jonge vrouw had geleefd die zich tot het jodendom had bekeerd, raakte ik gefascineerd door de gedachte dat ze over dezelfde tijdloze rotspaden had gedwaald die ik zo goed ken, en dat ze, met duizend jaar afstand, zoiets als mijn buurvrouw was geweest.

Dunner kon de draad naar het wezen van een ander mens niet zijn. Het enige spoor van haar bestaan werd vastgelegd in een door de tijd aangevreten document dat in een oude synagoge in Caïro werd teruggevonden, geschreven door een rabbijn die meldt hoe ze haar joodse man en kinderen verloor in een pogrom, aangericht door de kruisvaarders. Het vredige dorp onder de zuiderse zon dat voor mij iets paradijselijks heeft, bleek duizend jaar eerder de plek van een gruwelijke moordpartij te zijn geweest.

Naarmate ik opzoekingen deed, werd ik gegrepen door een haast obsessief verlangen om het leven van deze onbekende vrouw te reconstrueren. Ik leefde me zo goed mogelijk in haar leefomstandigheden in en zag uiteindelijk, terwijl ik ’s avonds op televisie gelijkaardige vluchtelingen in de omgekeerde richting de Middellandse Zee zag oversteken, haar hedendaagse gedaante. Ik liep ten slotte over het drukke Tahrirplein in Caïro met de mislukte Arabische Lente in mijn herinnering, om een paar uur later in haast tijdloze oude wijken te dwalen en de illusie te hebben dat ik er de ongelukkige bekeerlinge uit de 11de eeuw kon tegenkomen.

Deze drang om mij via de verbeelding het leven van een ander toe te eigenen, bracht me ertoe bijna vier jaar lang te leven in het hart en de emoties van een vrouw die ik onmogelijk kon kennen, maar voor wie ik gaandeweg zo’n betrokkenheid voelde, dat ik er zelf het hart van in was toen ik haar ongeluk in alle mogelijke details beschreef; de onbekende vrouw was, in en door mijn verbeelding, haast fysiek deel van mij geworden.

In de christelijke traditie is dit wat men de Lazarus-arbeid noemt: door zich het leven van anderen te verbeelden, kun je ze laten opstaan uit de dood en de vergetelheid. ‘Verblijven in de gloeiende kern van de Ander’, zegt Grossman nog, leert ons op onverwachte manier ook veel over onszelf en onze eigen verlangens naar zelfkennis in en door het leven van de anderen. Literatuur gaat dus nooit zomaar over zelfaffirmatie, maar over die vreemde transformatie waardoor we onszelf tegenkomen door ons in de ander als personage te verdiepen – door onze identitaire drang om te zetten in belangstelling voor de onbegrijpelijkheid van de Ander.

Met de theatertekst Antigone in Molenbeek ging ik nog een stap verder: ik had gezien hoe verweesd talloze Maghrebijnse families achterbleven na de aanslagen van maart 2016 in Brussel. Ik probeerde mij het lot voor te stellen van een jonge, geëmancipeerde moslimvrouw in Molenbeek wier broer zichzelf had opgeblazen, om het soort mensen die ik er op straat voorbijliep te leren begrijpen. Deze oefening in culturele toe-eigening deed ik, absurd genoeg, via een theatertekst uit de westerse klassieke traditie van 2500 jaar geleden: Sophocles’ Antigone.

Toen de tekst verscheen en op amper honderd meter van Molenbeek in het Nederlands, Frans en Arabisch werd gepresenteerd, voelde ik diepe emoties bij het grootste deel van het aanwezige publiek – dat uiteraard voor het grootste deel wit en hoogopgeleid was. Wat ik me bleef afvragen was hoe een intelligente vrouw zoals de Nouria in mijn tekst, deze oefening in empathie zou hebben gelezen: ik had beschreven hoe zij, radeloos geworden door het onbegrip van overheden en justitie, zelf radicaliseerde – daarmee de logica van Sophocles trouw blijvend.

Het was voor mij dan ook van wezenlijk belang toen de actrice, die haar rol op zich nam, zelf met een Maghrebijnse achtergrond, in een interview liet weten dat ze verbaasd was geweest dat een oude witte man haar emoties zo treffend had kunnen weergeven alsof het haar eigen woorden waren geweest. Niet dat ik me daarom op de borst wil kloppen, maar het toont aan dat het mogelijk is via onze verbeelding ruimer te zijn dan een identitair gedefinieerd wezen, en dat schrijvers zich door geen enkel verbod de mogelijkheid mogen laten ontnemen om culturele, maatschappelijke, politieke of seksuele grenzen over te steken.

*

Een aantal jaren geleden kreeg ik een residentie aangeboden in het Zwitserse stadje Leuk; ik kon er gaan zitten schrijven wanneer ik er zin in had. Toen ik er aankwam, bleek het een prachtige plek, met ruim uitzicht over de Rhônevallei beneden, stemmige huizen in het stadje en een aantal bijzonder vriendelijke mensen die de organisatie van deze Leuker Literaturpreis op zich hadden genomen.

Met de andere bewoners kreeg ik geen contact: de kassierster van de kleine supermarkt, de mensen daar in de rij, iedereen gaf me stilzwijgend het signaal dat ze niet van plan waren met een vreemdeling te spreken. Dat kon me weinig deren; ik voelde me geprivilegieerd, daar op een plek die ingeklemd lag tussen twee voor mij symbolische plaatsen: aan de ene kant het kleine kasteeltje van Muzot, waar Rainer Maria Rilke zijn grootse Elegieën had voltooid en de wonderlijke Die Sonette an Orpheus had geschreven; aan de andere kant, dieper de vallei in, wist ik het graf van de dichter tegen de muur van het kerkje van Raron aangeklemd liggen, met het legendarische grafschrift dat ik altijd in gedachten had.

Bij het wandelen in het bergachtige landschap stelde ik me voor dat ik in zijn passen liep. Ik nam even later de kabelbaan naar het nog 800 meter hoger gelegen Leukerbad, een klein kuuroord vanwaaruit men nog eens 100 meter hoger kon, tot in het eeuwig besneeuwde, adembenemende landschap waar je je op de top van de wereld kon wanen. Een wereld van witte zuiverheid.

Het is precies in deze witte wereld dat de zwarte Amerikaanse schrijver James Baldwin per toeval terecht was gekomen in mijn geboortejaar, 1951. Baldwin was toen al een beroemde Amerikaanse auteur, maar de inwoners van Leuk schrokken hevig toen daar plots een zwarte man in hun dorp opdook: zo iemand hadden ze nog nooit gezien. Kinderen liepen huilend weg omdat ze dachten de duivel te hebben ontmoet. Anderen beschuldigden hem ervan hun brandhout te willen stelen, of kwamen hem goedbedoeld vertellen dat ze zilverpapier spaarden voor de zwartjes in Afrika.

Het werd voor Baldwin de aanzet voor een wereldberoemd geworden essay, Stranger in the Village, waarin hij het heeft over de manier waarop ook Amerika blijft vasthouden aan de illusie van een blanke cultuur, en daarbij zijn zwarte identiteit verdringt. De zuiverheid van de Zwitserse bergbewoners had een sinister kantje, dat hem duidelijk maakte hoe beladen hun blanke onschuld was zonder dat ze dat beseften. Het was niet dat ze racistisch waren, schrijft hij, ze wisten niet eens wat racisme was, ze leefden gewoon in hun illusie van een witte wereld.

Bijna zestig jaar later gaat een andere schrijver, Teju Cole, naar Leukerbad om daar in de sporen van Baldwin te kijken hoe het er gesteld is. Ook ik, schrijft Cole, ben een zwarte schrijver uit New York, ook ik ben bekend met de steelse blikken, met het plotse zwijgen als je ergens binnenkomt, maar het stadje is fundamenteel veranderd, het is nu een internationaal bekend kuuroord, er bestaan geen onschuldige bergbewoners meer.

De meeste mensen zijn toeristen, een dienstmeisje is iemand van kleur, er is een vriendelijke zwarte man die hem aanspreekt. Voor hem is er geen wereld meer waarin hij moet kiezen tussen Shakespeare en de spokenwordpoëzie van de Yoruba, of tussen de Brandenburgse concerti en de klassieke koramuziek uit Mali. Ik heb het geluk dat alles tegelijk te bezitten, schrijft Cole. Maar ’s avonds leest hij over de nieuwste rellen in New York: men wil de stad ‘zuiveren’ van de talloze zwarte dansers die in de metro en op vele straathoeken opduiken. Waarom moest men hen die plezier brengen in de stad wegzuiveren, vraagt hij zich af, terwijl de Jehova’s getuigen die je overal aanklampen ongemoeid worden gelaten? De onschuld, besluit Cole, heeft voor altijd haar onschuld verloren.

In de toespraken bij de inauguratie van mijn residentie werd veel over de maatschappelijke waarde van literatuur gesproken; maar de namen van de grote schrijvers James Baldwin en Teju Cole bleven onvermeld, terwijl juist zij de plek wereldberoemd hebben gemaakt. Op die manier keerde ikzelf met een grondig gewijzigde blik terug naar mijn vroegere herinneringen aan het Rhônedal, naar Rilkes gedichten, naar de culturele erfenis die men mij heeft meegegeven. Ook Goethes notie van Weltliteratur heeft sinds lang haar onschuld ingeruild voor het besef dat wereldliteratuur geen universele gelijkheid kan representeren, maar het bewustzijn moet uitdragen van ontelbare culturele verschillen.

*

De cartografie van onze wereld verandert razendsnel. In een boek met de titel Terra Forma heeft de Franse historica Frédérique Aït Touati samen met enkele anderen onderzoek gedaan naar de manier waarop satellieten, GPS-systemen en drones onze perceptie van de cartografie diepgaand aan het wijzigen zijn. Niet langer is de wereldkaart een statisch gegeven – terra firma –, maar een onophoudelijk verschuivend geheel van vloeibare grenzen, hertekeningen, door klimaatverandering wijzigende kustlijnen, verdwijnende gletsjers en wouden, stedelijk weefsel dat voortdurend groeit en verandert.

Ook de demografie is onophoudelijk in beweging: we wonen niet langer op één plek, alle plekken zijn met elkaar verbonden, de grote migratiestromen veranderen onze culturen diepgaand. Het boek bevat merkwaardige schema’s, abstracte tekeningen en voorstellingen van de manier waarop we onze wereld onophoudelijk in een andere verbeelding moeten leren ervaren.

Het is maar net zo met de cartografie van onze oeroude bibliotheken, bedacht ik, met verwondering bladerend door de afbeeldingen. Ik herinnerde me de dag waarop ik de modernistische, indrukwekkende nieuwe bibliotheek van Alexandrië bezocht en daar twee jonge gesluierde moslimvrouwen zag zitten glimlachen met een boek van Michel Houellebecq in hun handen. Hoe wijzigen, haast elke dag, de nieuwe culturele posities onze ‘verbeelding van de bibliotheek’?

Daar bij de kade van Alexandrië, waar in de 1ste eeuw voor onze jaartelling nog zo’n 700 duizend boekrollen werden bewaard, hing destijds in de antieke zalen een spreuk: ‘Dit is de plek waar de ziel geneest.’ Die oude schatkamer, waarin sinds vele eeuwen eindeloos veel verhalen uit de mediterrane cultuur lagen opgeslagen, viel ten prooi aan brand door militaire acties, werd geleidelijk aan verwaarloosd, en wat restte werd later vernield door half analfabete monniken. Het verlies voor het begrip van onze wereldcultuur is enorm. Het ontstond uit culturele bekrompenheid en gebrek aan historisch besef.

Eeuwen daarvoor was Aeschylus van Athene naar Sicilië gereisd met zijn verzamelde werken; de Albanese schrijver Ismail Kadare herinnert ons eraan dat die, gegrift als ze waren op kleitabletten, alles samen wellicht een paar ton moeten hebben gewogen. Ik zie de oude tragediedichter moeizaam in het schip stijgen, de zeilen staan bol, het schip ligt laag in het water door zijn zware last: het gewicht van zijn geestelijke arbeid. We weten dat het overgrote deel van zijn werk verloren is gegaan; er blijven ons slechts een handvol tragedies over, die nog steeds onze verbeelding prikkelen.

Ze grijpen terug naar oude mysteries, riten en geheimen, antropologische raadsels van een tijd die we amper nog kunnen doorgronden. Maar in de Eumeniden schetst Aeschylus een wereld waarin de oude bloedwraak moet worden vervangen door begrip en vergeving, omdat een democratische stadstaat niet kan worden gegrondvest op haat en miskenning van de Ander. Kadare schreef elders nog dat Aeschylus op die manier ook getuigde van het schuldbesef dat de Grieken op zich hadden geladen toen ze Troje vernielden.

In een prachtig verhaal vertelt Jorge Luis Borges over het boek van zand: een boek dat, telkens wanneer je het openslaat, andere pagina’s laat zien, onophoudelijk wisselend, en nooit vindt de verteller iets terug van wat hij tevoren las; omdat het hem tenslotte ondraaglijk wordt, verstopt hij het boek van de oneindigheid ergens op een oude plank van de Nationale Bibliotheek waar 900 duizend boeken worden bewaard. Daar moet het, onvindbaar, nog steeds staan. Soms lezen u en ik een pagina die ons doet opkijken omdat ze ons verrast, en ergens, terwijl we opkijken, zien we dat denkbeeldige boek van zand, waarin een oeroude, onleesbare boodschap staat: die van de eindeloze estafette van intentie en verbeelding.

Dit is een ingekorte versie van de Van der Leeuwlezing die Stefan Hertmans vrijdag 19 november in de Martinikerk in Groningen heeft gehouden.

Stefan Hertmans

Stefan Hertmans (Gent, 1951) is auteur van een omvangrijk literair oeuvre, waarvoor hij in binnen- en buitenland is onderscheiden. Hij publiceerde poëzie, romans, essays, theaterteksten en korte verhalen, doceerde jarenlang aan de Hogeschool Gent en was gastdocent aan universiteiten over de hele wereld. Hertmans brak in 2013 door bij het grote publiek met Oorlog en terpentijn. Inmiddels zijn er meer dan 250 duizend exemplaren van verkocht en is de roman in 26 landen vertaald. Ook De bekeerlinge (2017) was een internationaal succes.

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2023 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden