Nir Baram in zijn appartement in Tel Aviv, Israël.

Achter het boekNir Baram

Schrijver Nir Baram: ‘Nu is er niemand meer die mij zo goed begrijpt’

Nir Baram in zijn appartement in Tel Aviv, Israël.Beeld Moti Milrod

Hoe schrijft de schrijver? Anderhalf jaar zocht Nir Baram naar een manier om te schrijven over de rouw om zijn beste vriend. De fantasiewereld uit hun jeugd bracht hem verlossing, en een nieuwe roman: Aan het einde van de nacht.  

Vijf jaar geleden kreeg de Israëlische schrijver Nir Baram een kind. ‘Mijn zoon komt op de eerste plaats. Het schrijven komt pas daarna. Dat is de volgorde. Ik wil geen vader zijn die even twee weken weg is om aan zijn boek te werken. De mensen om me heen waren verbaasd. Ze vroegen steeds: hoe moet het dan met het schrijven?

‘De enige die niet verbaasd zou zijn geweest over mijn besluit, was Oeri. Maar hij was er niet meer.’

Zes jaar geleden maakte de beste vriend van Nir Baram (1976) een einde aan zijn leven. Hij was getroffen door een zware depressie. Ze kwamen allebei uit Beet Hakerem, een groene, liberale wijk aan de rand van Jeruzalem. Twee jongens die opgroeiden tot mannen, en daarbij de wereld van hun jeugd meedroegen.

‘Oeri en ik hadden het altijd over Beet Hakerem. We waren dan geen herinneringen aan het ophalen; in ons hoofd was die wereld nog steeds tastbaar.

‘Nadat hij was overleden, had ik niemand meer om daarover te praten. Niemand begreep het. Niemand begreep mij. Want als je nieuwe mensen ontmoet – en ik weet zeker dat je dat herkent – dan vertel je die over je leven. Maar de ander begrijpt het nooit helemaal, want hij was er niet bij. En Oeri was erbij.

‘We waren zo met elkaar verbonden en die symbiotische relatie scheurde af na zijn dood. In de laatste jaren van zijn leven drong tot me door dat ik mijn beste vriend toch niet helemaal kende. Ik werd overvallen door schuldgevoelens. En door de vraag of er in de wereld van Beet Hakerem iets verscholen lag wat heeft bepaald hoe we zijn geworden.’

Nir Baram: ‘Zelfs op de beste dagen is er een kloof tussen wat ik voor me zie en wat ik daarvan op papier kan krijgen.’ Beeld Moti Milrod

De zoektocht naar antwoorden heeft zijn neerslag gevonden in Aan het einde van de nacht, Barams derde roman die in het Nederlands is vertaald. Het is een coming-of-ageverhaal en requiem in één. Geen proza waar je even overheen surft, maar dat je de diepte in sleurt. Het maakt hem ‘tot de beste schrijver van zijn generatie’, zei schrijver A.B. Yehoshua, een van de aartsvaders van de Israëlische literatuur.

In Aan het einde van de nacht onderzoekt de schrijver Jonatan het leven met zijn beste vriend Joël. In een paar verloren dagen na een literatuurfestival in Mexicio-Stad spit hij in zijn herinneringen aan de vriendschap. Het voert hem naar lange terugblikken op de jaren tachtig en negentig. Van vechtpartijen tot het eindexamenfeest in Beet Hakerem. De spookachtige vraag of Joël nou dood is of toch nog leeft, drijft hem tussen die herinneringen voort.

Net als in zijn vorige twee romans springt Baram heen en weer tussen plaatsen en tijden. Acht jaar geleden brak hij internationaal door met Goede mensen, dat zich tegen de achtergrond van de Tweede Wereldoorlog afspeelt in Berlijn en Leningrad. Met het geslaagd ambitieuze Wereldschaduw nam hij daarna de kapitalistische wereldorde onder de loep. Aan het einde van de nacht heeft een beperktere scope, maar dat maakt het des te indringender.

Sinds jaar en dag, zegt Baram, is hij een liefhebber van het werk van de Franse schrijver Marcel Proust. In zijn klassiek geworden Op zoek naar de verloren tijd beschreef Proust een eeuw geleden hoe het heden en de herinnering onophoudelijk op elkaar botsen in ons bewustzijn. ‘Ik heb op een of andere manier altijd geweten dat ik uiteindelijk zoiets zou schrijven. Ik wist alleen niet dat het zou gebeuren met iets dat zo persoonlijk en verwoestend zou zijn.’

Beeld Moti Milrod

In het Hebreeuws bestaat de titel uit één woord, Jekitsa. Wat betekent dat?

‘Ontwaken. Maar er zitten ook de woorden kets en kaits in verstopt – einde en zomer. Het verwijst naar Joël, die steeds zegt dat hij niet nog een zomer zal leven. In een vertaling kun je die drieslag niet vangen. Aan het einde van de nacht kwam het dichtst bij het gevoel dat ik bedoelde.’

Als hoofdpersoon koos u een schrijver. Hebt u daar lang over geaarzeld?

‘Nee, want het was me duidelijk dat ik een groot deel van mijn eigen wereld in deze roman zou stoppen. Voor de lezer is dat ook duidelijk. Het voelde nep om Jonatan een ander beroep te geven, een oppervlakkig gebaar.

‘Het boek gaat verder niet over wat het betekent om schrijver te zijn. In dat dilemma wilde ik niet duiken. Het gaat om de avonturen en om het mysterie wat er met zijn vriend is gebeurd. Het is niet zo belangrijk dat Jonatan schrijver is, wel dat je begrijpt dat hij van jongs af aan verhalen verzon en dat Joël en hij daarin wilden leven.’

Het boek begint in de nasleep van een schrijversfestival, een cliché uit de literaire wereld. Ook daarover geen aarzelingen gehad?

‘Nee, en ik schrijf ook niet over ontmoetingen tussen schrijvers of over hun boeken. Geen dialogen daarover. De sfeer van een literatuurfestival is er een waar je je behoorlijk alleen kunt voelen. Daar ging het me om. Soms moet je gewoon schrijven over een gevoel dat je zelf kent.’

U laat Jonatan wakker worden in Mexico-Stad. Is dat een toevallige keuze?

‘Daar was ik toen Oeri stierf. Zo ver van huis zijn, en dan gewoon moeten doorgaan. Het gevoel te overleven. Dat was heel heftig.’

In het gesprek wisselen Nir en Jonatan, Oeri en Joël steeds van plaats – en op een gegeven moment ook Daniel en Itamar, de zoon in de roman. Het maakt het interview soms net zo’n hallucinerende ervaring als het lezen van Aan het einde van de nacht.

Anderhalf jaar zocht Nir Baram naar een ingang tot het verhaal dat hij na de zelfdoding van zijn beste vriend wilde vertellen. Hij vond ‘de deur’ in 2015 in Amsterdam, tijdens een schrijfperiode op uitnodiging van het Nederlands Letterenfonds. Met zijn vrouw en pasgeboren zoon verbleef hij aan het Spui. Hij deed daar indertijd verslag van in de Volkskrant. ‘Ik kan niet over Oeri schrijven’, noteerde hij. ‘En ook nergens anders over.’

Maar de verlossing kwam. ‘Zeven dagen lang zat ik van 11 uur ’s ochtends tot 6 uur ’s avonds achter mijn laptop en er gebeurde niets. Op de achtste dag zag ik twee jongens een geul graven in een wadi in Noord-Jeruzalem, en als ze straks klaar zijn, zal niets meer zijn zoals het was.’

Op pagina 43 komen we ze tegen in de drooggevallen vallei naast Beet Hakerem, de zesdeklassers met hun uit de schooltuin gestolen scheppen. ‘Joël zei dat zijn hand pijn deed en trok zijn handschoenen uit, die naar bladeren roken, en ze keken allebei naar de wit-met-roze blaar die op een van zijn vingers was ontstaan. Het was weerzinwekkend, maar Jonatan wendde zijn blik niet af en zei: ‘Geeft niks, dat heb ik altijd’, en hij bedacht dat Joël meestal wist wanneer hij loog. Joël blies op de blaar en er verscheen een klein lachje op zijn gezicht, en plotseling ging Jonatans hart naar hem uit en herinnerde hij zich hoe mooi Joëls glimlach was als de huid rond zijn groenbruine ogen zich kromde tot halve maantjes die meelachten.’

Beeld Moti Milrod

Uw romans zijn opgedeeld in delen en hoofdstukken met verschillende verhaallijnen. Werkt u die eerst apart uit?

‘Nooit. Ik schrijf het zoals je het leest. Mensen vragen me dit altijd. Maar als ik begin te schrijven, begrijp ik de roman nog maar tot op zekere hoogte. Veel keuzes maak ik instinctief, niet gepland. Voor elke zin kun je uit tienduizend mogelijkheden kiezen. Het is intuïtie. En als dat zo is, hoe kan ik dan plotlijnen eerst naast elkaar uitwerken? Ze moeten wel met elkaar blijven corresponderen.

‘Soms sta ik voor een afgrond en weet ik niet hoe het verder moet. Dan laat ik de roman een tijdje in mijn gedachten rondgaan tot er iets gebeurt. Het hoofdstuk waarin Itamar op de borst van Jonatan ligt, zit erin omdat het me echt is overkomen. Soms gebeurt er iets en weet ik: dit is onderdeel van het verhaal. Soms kan er ook iets heftigs gebeuren en weet ik zeker: dit is er geen onderdeel van. Zo schrijf ik.’

Beeld Moti Milrod

Op een goed moment vraagt Joël aan Jonatan: ‘Schrijf iets moois over me.’ Hield u er rekening mee dat lezers echte mensen achter de personages zien?

‘Voor ik in 2015 naar Nederland kwam, had ik vier bladzijden geschreven. Het had de ik-vorm en was autobiografisch. Na een week las ik het terug en wist dat het rotzooi was, precies omdat ik er rekening mee ging houden of dingen wel echt zo waren gebeurd en hoe iemand die erin voorkwam zou reageren.

‘Het visioen van de geul haalde me hieruit. Het was het licht dat me het verhaal in leidde. Daarna ben ik, zoals altijd, zo veel mogelijk in de wereld van de roman geweest. Om van binnenuit te schrijven, echt te zien wat er in mijn hoofd omgaat. Pas toen het boek af was, dacht ik aan wat anderen ervan zouden vinden. Ik heb toen nog wat namen veranderd, maar verder niet.

‘Iemand zei: je hebt die geul toch niet met Oeri gegraven? Dat klopt, dat was met een andere jongen. We zaten ook niet op dezelfde middelbare school. Sommigen vinden daarom dat het niet echt Oeri is, anderen vinden dat het veel te veel Oeri is. Ik hoorde dat de moeder van Oeri vindt dat er te weinig van zijn goede dagen in zit. Je kunt het nooit goed doen.

‘Het ging er ook niet om dat ik iemand tevreden stelde. Het ging erom dat ik zo precies mogelijk beschreef wat ik voor me zag en wat ik voelde. Zelfs op de beste dagen is er een frustrerende kloof tussen wat ik voor me zie en wat ik daarvan op papier kan krijgen. Ik denk dat de opmerking van Joël daarop slaat. In een van mijn laatste gesprekken met Oeri hadden we het erover, maar hij zei niet: ‘Schrijf iets moois over me.’ Hij wist dat ik over hem zou schrijven, want hij had als een van de weinigen in mijn vorige twee boeken, Goede mensen en Wereldschaduw, ook al Beet Hakerem herkend.’

Verlangt u terug naar Beet Hakerem?

‘Nee. Het is ook geen plek die Jonatan en Joël verheerlijken. Voor veel mensen die daar zijn opgegroeid, was Beet Hakerem de hemel. De lange straten, de bomen, de padvinders. Zij zijn ook boos om de roman.

‘Beet Hakerem was een afgesloten wereld, een kleine gemeenschap. Anders dan andere wijken in Jeruzalem had het duidelijke grenzen. Als je je er niet thuis voelde, raakte je vervreemd. Het was vrijwel onmogelijk om je te onttrekken aan je ouders en de regels van de buurt. Als jongen wilde ik weg. Ik zeurde steeds bij mijn vader: ik wil naar Tel Aviv.

‘In de roman probeer ik dat gevoel over te brengen. De twee jongens haten Beet Hakerem. Ze willen populair zijn, maar dat lukt ze niet. Ze hebben alleen de wadi, een groot open gebied.

‘Ons huis stond het dichtst bij de wadi van allemaal. Vanuit het raam keken we erop uit. Op het dak was je er al bijna onderdeel van. Tegenwoordig loopt er een snelweg doorheen. Toen was het een plek waar dingen konden gebeuren. Er waren daar geen regels. Het was een wilde plek, en dat maakt hem zo belangrijk voor Jonatan en Joël.’

U woont nu in Tel Aviv. Heeft uw zoon daar ook zo’n plek om te ontsnappen?

‘We spelen al twee jaar samen een spel: onze strijd tegen de slechteriken. Elke keer bedenken we een vijand. Meneer Engerd of Kapitein Haak of een ander. Aan het begin gebeurt er iets, dan zeg ik bijvoorbeeld: ‘Kapitein Haak is met al zijn piraten naar het strand gegaan, waar hun boot ligt. Kom we gaan erheen.’ En dan stappen we in de auto en doen dat ook echt. Zo bepaalde ik steeds het verhaal. Maar kort geleden zei hij: ‘Nee, er gebeurt iets anders.’ Dat was voor het eerst dat iemand mij het verhaal uit handen nam.

‘Ik had nooit iemand om de fantasiewereld mee te delen. Behalve Oeri. Mijn ouders begrepen het niet, en ik had het er nooit met ze over. De vraag is wel hoe ik het in evenwicht houd. Soms haal ik mijn zoon op van de kleuterschool en is het eerste wat hij vraagt: welke slechterik komt er vandaag?

Beeld Moti Milrod

‘Ik heb altijd geprobeerd hem niet te beïnvloeden. Pas toen hij 4 was, heb ik verteld dat ik een schrijver ben. Maar dit spel, dit ben ik, dit is zoals ik denk – en zo denkt hij ook. Ik was altijd een goede voetballer, en ik voetbal ook met hem, maar dat vindt hij niet leuk.

‘Op de kleuterschool hoorde ik eens een kind aan zijn vader vertellen dat hij iets had gedroomd. Maar de vader pikte dat helemaal niet op. Ouders vragen hun kind wel wat ze hebben gegeten tussen de middag, maar dat doen ze voor zichzelf. Praten over dromen is belangrijk voor een kind. Daarom denk ik dat ik een goede ouder ben. Oeri wist dat als ik ergens zo gedreven in ben, ik dat ook doorzet.

‘Mijn zoon vroeg laatst aan mijn ex-vrouw waar mijn moeder eigenlijk is. Waarom vraagt hij dat niet aan mij, dacht ik. En toen begreep ik het: als jongen bracht ik een heleboel zorgen en vragen die ik had over naar de fantasiewereld. Misschien doet hij dat ook, en heeft hij me naar mijn moeder gevraagd in het spel. Want mensen gaan daar ook dood, en ouders gaan daar dood. Als je het fantasiespel speelt, voel je heel erg dat je leeft. Dat gaat over beweging, over verbeelding, over controle, over sterk zijn.

‘Ja, ik heb het altijd moeilijk gevonden om direct te communiceren, zeker met de mensen die het dichtst bij me staan.’

Beeld Moti Milrod

Heeft het schrijven van Aan het einde van de nacht geholpen bij het rouwen om Oeri?

‘Nee. Het verlies is er, elke keer dat ik met hem zou willen praten. Toen mijn moeder overleed, had ik niet zo’n groot gevoel van verlies. Maar we hadden ook niet van die liefdevolle gesprekken waarnaar ik terugverlangde. Met Oeri is dat anders.

‘Even dacht ik dat ik het gat van Oeri met vijf mensen kon opvullen. Dat bleek een illusie. Het is iets dat je in het begin gelooft om erdoorheen te komen. Als ik eerlijk ben, praat ik sinds zijn dood zelfs minder met andere mensen. Niet meer, minder. Natuurlijk praat ik nog wel en heb ik vrienden, maar de gesprekken zijn ook frustrerend. Er is altijd de vergelijking.

‘En er is nog iets. Na het schrijven van deze roman en alles wat ik u heb verteld over onze vriendschap heb ik nog steeds het gevoel dat ik hem niet echt kende. Omdat je een ander mens nooit helemaal kunt kennen. Omdat je niet in zijn hoofd kunt kijken. Je kunt hem niet echt zien, je ziet alleen een glimp.’

Wie is Nir Baram?

Nir Baram (1976) brak wereldwijd door als ‘grootste literaire talent uit Israël’ met Goede mensen (2010), een roman over gezagsgetrouwe collaborateurs tijdens de Tweede Wereldoorlog in Duitsland en de Sovjet-Unie. Met die kwalificatie ben je al snel een opvolger van de Grote Drie: Amos Oz, David Grossman en de in Nederland minder bekende A.B. Yehoshua. Net als zij laat Baram zich weleens kritisch uit over de Israëlische bezetting van de Palestijnse gebieden. En net als Oz en Grossman voor hem schreef hij een sombere bundel met journalistieke reportages over de bezette Westoever, Een land zonder grenzen (2015). Maar over politiek schrijft hij zelden meer. ‘Het put me uit, en ik heb er momenteel niets nieuws over te zeggen.’

Nir Baram: Aan het einde van de nacht

De Bezige Bij; 432 pagina’s; € 23,99.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden