ReeksSchrijvers in hun werkkamer

Schrijver Nicolien Mizee in haar werkkamer: ‘Die smurf met de ganzeveer ben ik’

Als er één beroepsgroep is die weet hoe het is om thuis te werken, is het die van de schrijvers. We vroegen een aantal van hen in het voetspoor te treden van Xavier de Maistre, die in 1794 zijn beroemde Reis door mijn kamer schreef. Vandaag: Nicolien Mizee. 

Schrijver Nicolien Mizee blijft wegens het coronavirus thuis in Haarlem.Beeld Ivo van der Bent

Welkom, medereiziger!

Zelden, slechts zeer zelden ontvang ik hier bezoek. Dat komt doordat de ruimte, zoals u ziet, beperkt is: drie bij vier meter.

Het grote raam op het zuiden maakt veel goed. Vanaf deze hoogte zien we uit op de vogelen des velds en de langhalzige paarden en in gindse woudreuzen bouwen Okkie en Takkie, zoals ik onze eksters genoemd heb, al sinds een decennium aan hun twee grote buitenverblijven. Kijk, daar komt Okkie aanvliegen met een tak en worstelt zich naar zijn oude woonhuis, dat al vele stormen heeft overleefd en nog vele stormen zal overleven. Ik zou graag weten hoe het er vanbinnen uitziet, het heeft een ingang aan de onderzijde, een oud ekstergebruik.

U heeft gelijk, de paarden zijn niet zo langhalzig. Het zijn de IJslanders van de manege en die zijn juist nogal gedrongen. De bomen zijn geen woudreuzen maar meelbessen. En eerlijk gezegd domineert de gymzaal van de middelbare school mijn uitzicht. Maar mijn beroep is nu eenmaal schrijver en dat betekent dat ik de werkelijkheid aanpas aan mijn wensen. Als u hinderlijk rochelde, zou ik dat weglaten wanneer ik u opvoerde in een boek, want ik houd niet van vieze dingen. Mocht u dat afkeuren: vijf straten verderop woont een schrijver die juist dol is op braaksel en sperma, daar kunt u straks ook nog aanbellen.

Links van u hangt een op linnen gedrukte schoolplaat. Onze onderwijzer hing deze plaat aan een koperen haak aan het schoolbord als we gingen lezen uit het boekje Ik zie, ik zie wat jij niet ziet, waar deze plaat bij hoorde. Dat boekje moet toen al heel oud zijn geweest, want er werd een Dik Trom-achtige wereld zonder auto’s in geschetst, met ravottende jongens, een bakker met een broodmand en een oude vrouw met een omslagdoek. Dat soort vrouwen zie je niet meer, want oude vrouwen verven tegenwoordig hun haar zwart en hun lippen rood en zien er uit als wezens uit een horrorfilm. Ze gebaren en kirren als tienermeisjes. Ze lopen niet, maar strompelen op naaldhakken, zelfs onze koningin. Vroeger werden in het oude China meisjesvoetjes afgebonden om ze te misvormen. Nu doen we het onszelf aan!

Excuseer me dat ik me opwind, ik zal even een aantekening maken, zodat ik er straks, na uw vertrek, een fax aan mijn vriend Ger over kan schrijven, dan hoef ik u er niet mee te vervelen. Zo gaat dat de hele dag: ik zie iets, ik wind me op, ik schrijf een fax aan Ger en dat kalmeert me dan. Dat is mijn leven. Zo gaat het dag in, dag uit, al decennia lang.

Helaas heeft Ger niet het eeuwige leven. Ik moet me dus haasten om hem alles te vertellen, voordat het niet meer kan. Maar nieuwe gedachten ontstaan en oude gedachten keren terug. Er valt niet tegenop te werken. De zaak is hopeloos. Even noteren, de zaak is hopeloos, daarmee zal ik u verder niet vervelen.

Rechts van de schoolplaat ziet u mijn prikbord, waarop ik enkele stichtende uitspraken van grote denkers met vogelspeldjes heb vastgeprikt.

‘Weemoed hoeven we niet uit te sluiten, maar wel moeten we in onszelf de hang naar het moeizame en fatale vernietigen.’ Dat komt uit een dagboek van Camus en dat lees ik bij dreigende geestelijke bewolking. Dat gebeurt vaak, dus ik ben doe mijn best me verre te houden van onheilsliteratuur.

Wat ons brengt op het citaat ernaast, van Thomas Henry Huxley. Huxley had na de dood van zijn zoontje wel willen bidden, maar dat kon hij niet, want hij was een vriend van Darwin en had hem bijgestaan tijdens het schrijven van The Origin of Species, waarin God wordt ingeruild voor natuurwetenschap. ‘Op de vraag welk voordeel het heeft om mij van de hoop en de vertroosting van het mensdom te ontdoen is mijn enig antwoord – o duivel! – waarheid is beter dan groot voordeel. Ik heb mijn overtuiging tot op de bodem onderzocht en wanneer vrouw en kind en naam en faam de een na de ander voor mij als straf verloren zouden gaan, dan nog zou ik niet liegen.’

Mijn vrienden en familieleden lachen smadelijk als ik ‘waarheid is beter dan groot voordeel’ citeer, want zij beschouwen me als iemand die nooit de waarheid spreekt, maar overal van alles bij verzint. Ik zal even een aantekening maken over Dichtung und Wahrheit, dan kan ik dat straks verder uitwerken, want ik zie dat u meer geïnteresseerd bent in mijn smurfenplattegrond. Voorzichtig! Die smurfen vallen steeds om. Die smurf met de ganzeveer ben ik. Ik laat mijn bouwsel zelden aan iemand zien, omdat ik bang ben voor lichtzinnig te worden versleten en dan kan ik een mooie literaire prijs wel vergeten. Bij het schrijven van een boek als Moord op de moestuin is een driedimensionale plattegrond handiger dan een tweedimensionale. Kijk, daar hangen twee getekende plattegronden bij eerdere boeken, die heeft een vriendin gemaakt.

U ziet het, er staat een bed in mijn kamer, een tafel en een kast. Op de bovenste plank van die kast staan dertig cd’s van Reinhard Mey, de enige muziek die ik hier beluister. Reinhard Mey, die inmiddels in de 70 is, maar van wie in mei toch weer een nieuwe cd uitkomt, zingt zoals Karel van het Reve schrijft: zonder stemverheffing. Zo wil ik ook schrijven, want wie zijn stem verheft, heeft ongelijk.

In die kist onder in de kast zit mijn archief. Het emaille bordje met ‘werk volbracht’ heb ik laten maken bij de oude schoenmaker in de stad. Hij vond het een mooie tekst.

Onder de spiegel hangt een door mijzelf getimmerd sieradenplankje. Omdat ik het liefst rondloop in wijde, zakkige kleding en daarbij toch mijn stand probeer op te houden, draag ik sieraden die op elkaar zijn afgestemd. Ik heb een rode, een groene, een blauwe, een zilveren en een gouden combinatie. Ik heb gemerkt dat sieraden het best ongeveer 50 euro kunnen kosten. Goedkopere sieraden verkleuren snel en duurdere sieraden raak je kwijt als je op de volkstuin je sjaal afdoet. Kortgeleden heb ik deze oorbel, met een parel en een blauw steentje, teruggevonden bij het spitten. Nog helemaal goed. Gelukkig had ik de andere oorbel niet weggedaan maar op het prikbord gehangen. Een mooi begin van een verhaal trouwens: vrouw graaft oorbel op en oude herinneringen komen boven.

Mijn kamer uitgaan? Waarom? We hebben, in die tien minuten dat u hier bent, nu al drie ideeën voor faxen aan Ger opgedaan en één verhaal bedacht. Ik heb vroeger door Marokko, Brazilië en in Indonesië gereisd, maar toen ik thuiskwam, wist ik er niets over te vertellen. Mijn indrukken waren dezelfde als van iedere andere toerist. Verre landen, verhuizen en verbouwingen: saaiere verhalen bestaan er niet.

Kijk, daar staat het verzameld werk van Agatha Christie. Alles komt erin voor: wraaklust, moord en doodslag, brandende liefde, gewetenloosheid. Heel leerzaam. Ja, de mensen moeten meer lezen, inderdaad. Een jongen op de volkstuin, aardige kerel van een jaar of 25, legde me gisteren uit dat het geen toeval is dat het coronavirus nét toeslaat nu het 5G-netwerk wordt aangelegd. Hoe weerleg je een dergelijke theorie zonder te gaan schreeuwen? Het is om gek van te worden! O pardon, ik zal even een aantekening maken.

Op de deurlijst staan poppetjes van Suske, Wiske, Lambik, tante Sidonia en Jerom. Toen ik nog klein was, woonde er bij ons thuis een dame op kamers die lange fluwelen jurken droeg. Ze gaf muziekles. We leerden de vedel, de draailier en de rinkelbol bespelen. Soms marcheerden we al zingend en spelend door de tuin. Die mevrouw had voor wachtende leerlingen stapels Suske en Wiskes liggen. We kenden geen stripboeken, maar we dachten dat je die boeken moest lezen als je daar les had. Ik kon nog niet eens lezen, maar misschien juist daardoor maakten de plaatjes een diepe indruk op me. De stemmenrover speelt zich af in het oude Japan, het echte Japan kan daar waarschijnlijk niet aan tippen. Minister Nijpels vertelde eens argeloos dat hij graag Suske en Wiske las. Nog lang is hij erom uitgesliept. Pas toen Pieter Steinz er een lans voor brak, durfden de liefhebbers uit de kast te komen.

Het zeil op de vloer is oud en bekrast. Mijn ladekast is oud en gebutst. Het laatje ‘belangrijke dingen’ durf ik al jaren niet meer te openen. Nee, ik doe het nu ook niet. Het verhaal is uit. Ik ga aan het werk. En u bent weg.

Nicolien Mizee (1965) debuteerde in 2000 met Voor God en de Sociale Dienst. Haar tweede roman Toen kwam moeder met een mes werd in 2004 genomineerd voor de Libris Literatuurprijs. In 2017 en 2018 verschenen haar faxen aan scenarioschrijver Ger Beukenkamp in boekvorm en in februari 2019 werd Moord op de moestuin gekozen tot Boek van de maand bij De wereld draait door. Mizee geeft al jaren les in verhalen schrijven, onder meer aan de Schrijversvakschool. Een maand geleden werden haar schrijflesverhalen gebundeld tot De grote wil (Nijgh en Van Ditmar).

Als iemand weet hoe het is om de hele dag thuis te zitten, zijn het schrijvers wel. In de serie Reis door mijn kamer nemen ze ons  mee op hun (geestelijke) omzwervingen door de werkkamer, zoals Xavier de Maistre dat deed in zijn Reis door mijn kamer.  Boekenchef Wilma de Rek geeft uitleg: ‘Fysieke bewegingsvrijheid kan worden beperkt, maar de verbeeldingskracht van de mens kent geen grenzen.’ 

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden