Dit is de toekomst Aflevering 5

Schrijver Marieke Lucas Rijneveld over buitenaards (zee)leven

Beeld Leonie Bos

Zes Nederlandse auteurs spreken op ons verzoek met wetenschappers en schrijven naar aanleiding daarvan een kort verhaal. Vandaag Marieke Lucas Rijneveld, die met mariene bioloog Lisa Becking over evolutie, en buitenaards (zee)leven sprak.

Liever luisteren?

Voor onze podcastserie Dit is de toekomst heeft Marieke Lucas Rijneveld dit verhaal ook voorgelezen. Luisteren kan ook via Apple Podcasts of Spotify.

Er zit nog een beetje huzarensalade in het bakje, met ei en augurkenreepjes aan de randen, wat mayonaise erbovenop als een klodder duivenkak, en in het midden een houten vorkje met twee tanden dat half verdronken in de kleffe zooi steekt. Papa nam er gisteren een paar happen uit en stak het vorkje daarna weer terug zodat er nu een klein laagje water op is komen te staan. Hij giet het water weg in de gootsteen en zet het bakje als nieuw op tafel, maar ik zie alleen maar dat beeld voor me van dat eilandje omringd door kwijl: het lijkt wel het eiland waar wij op wonen, met in het midden de stacaravan in een veld van koolzaad en achter op het terrein de fabriek. Aan de overkant van de kleine zee heb je de Aarde. Wij wonen niet op de Aarde, wij wonen in het Johma-universum (Johma, Johma, niemand krijgt ons klein, al snijden we de aardappels nog zo fijn!). In de kleine zee stikt het van de zeemonsters. Volgens papa denken wij vanuit gewervelden. Terwijl de ongewervelden vaak intelligenter zijn. Neem de octopus, die heeft een mini-brein en al zijn tentakels kunnen onafhankelijk van elkaar denken en bewegen. Papa beweert dat ze gevaarlijk zijn, dat ze je zo met hun acht armen in de houdgreep leggen.  

Papa steekt het vorkje in het bakje.

‘Kijk eens’, zegt hij, ‘een feestmaal.’

Na dertig jaar glinsteren zijn ogen nog steeds als hij een van zijn producten openmaakt, alsof het voor het eerst is. Mijn tweelingbroertje Tommy kijkt naar de salade op het midden van de tafel, trekt een vies gezicht en zucht diep. Allebei werken we al van jongs af aan in de fabriek van pa, waar we de hele dag aan de lopende band dekseltjes op de bakjes met salades te doen en groentes en vlees snijden (kip, aardappel, rundvlees, sellerie, prei). Aan het einde van de dag kan ik geen salade meer zien of ruiken.

‘Niet met lange tanden’, zegt papa als we ons over de slaatjes buigen en de groentes eruit peuteren. Ik doe mijn mond stijf dicht zodat papa mijn tanden niet kan zien. Het vorkje in het eiland lijkt op een ruimtewezentje. Zo noemt pa ons ook: zijn ‘ruimtewezens’.

Wij zijn niet normaal, nooit geweest ook. Het liefst wil ik het vorkje doormidden breken en het eilandje tot een bal vormen, zo rond als de Aarde. Ik kijk naar de klok, die aangeeft dat de pauze bijna voorbij is. Dan schuif ik mijn stoel naar achteren, schraap mijn keel en zeg: ‘Ik moet jullie iets vertellen’.

Dit is de toekomst

Beluister hier alle afleveringen van onze podcastserie Dit is de toekomst. 

Tommy heeft me vannacht wakker gemaakt. Ik droomde weer over de fabriek en had geschreeuwd. In het licht van Tommy’s zaklamp fluisterde ik over hoe de machines ineens oververhit raakten en ontploften en hoe ik door de eiersalade en de bieslooksnippers naar de uitgang probeerde te zwemmen, maar de massa kwam steeds hoger en ik stikte in de drab en verdronk. Zwetend zat ik op de rand van mijn bed. Tommy gaf me een glas water, draaide zich daarna weer om en sliep verder, soms wat grommend of woelend. Hij droomt zelden over de fabriek, eerder over meisjes. Ik bleef wakker en piekerde over hoe het verder moest. Met ons, met de fabriek, met het heelal. Door het raampje van de stacaravan kon ik de fabriek zien als een grote boze wolf, met in zijn bek tientallen leghennen – onmisbare ingrediënten voor de boerenkipsalade die zeer in de trek is op de Aarde. Soms verlang ik zo naar die plek dat ik mijn zere rug en stijve kuiten (van al dat staan) vergeet, en me probeer voor te stellen hoe het aan de overkant is. Van papa mogen we er niet heen. Iedereen zou aan ons zien dat we anders zijn: aan de bleekheid van onze gezichten (zo wit als Zaanse mayonaise), aan onze lange benen en armen (ze fladderen als we hard rennen) en aan onze volle lippen (goudvisdikte).

Zachtjes ben ik uit bed gegaan en buiten via de regenton op het dak van de stacaravan geklommen, waar ik een sigaretje ging roken en uitkeek over het eiland, naar de sterren en naar de maan, die groot en fel aan hemel stond. Daar overviel me eenzelfde gevoel van leegte als ik had wanneer ik bij het eieren controleren een windei vond. En ik dacht: ik ben dat. Een ei zonder schaal. De windeieren begraven we achter de fabriek tussen de botjes van de leghennen. Als ik op de stacaravan zit, mijn voeten bungelend over de rand, fantaseer ik soms dat de kippen weer tot leven komen, en dat ze met vleesmessen tussen hun poten geklemd wraak willen nemen.

Terwijl de rook om mij heen danste, zat ik te rillen in mijn pyjama; het is begin mei maar het vriest nog. Steeds sterker verlangde ik naar de Aarde, naar mama die daar woont en die ik jaren niet heb gezien, naar weggaan, naar meer te zijn dan enkel medewerker van de fabriek – om een normaal iemand te worden met een normaal leven. Vooral na de gebeurtenis op 10 april, toen astronauten de eerste foto van een zwart gat maakten – dat ook wel ‘de poort van de hel’ werd genoemd – en alles hier misging.

Hoe fictie de wetenschap beïnvloedt, in vier lessen

De kruisbestuiving tussen feit en fictie kan tot intrigerende toekomstverkenningen kan leiden. Hoe? We leggen het uit in vier lessen.

Ik schraap opnieuw mijn keel. Papa zit kaarsrecht als een broodsoldaatje aan tafel, zijn blik koud en hard. Hij heeft de kachel uit laten gaan om kosten te besparen. De ramen zijn beslagen. Om de paar seconden blazen we wolkjes in onze handpalmen. Om mezelf een houding te geven gris ik het pak dubbelvla – aardbei en chocolade – van tafel en houd het boven mijn schaaltje.

‘Als je de kleuren gescheiden kunt houden, ben je een echte buitenaardeling’, zei papa vroeger altijd als hij met boodschappen terugkwam van de Aarde. Zodra het bij hem mislukte, gooide hij het kommetje met de dubbelvla uit het raam in het grasveld, waar de mussen meteen op afkwamen.

Ik zet het pak vla terug op tafel. Net iets te hard. Tommy kijkt op.

‘Ik wil wat zeggen.’

Mijn wangen gloeien ondanks de kou. Papa kijkt niet op of om. In zijn blonde haren zitten takjes van het knotten van de wilgen. Een kras loopt van zijn slaap naar zijn kin.

‘Ik ga weg van hier. Voorgoed.’

Het wordt zo stil dat ik de koelkast hoor zoemen. De klok tikt. Over een halfuur hoort er een vogeltje uit te springen, maar het vogeltje is al een tijdje gaan hemelen. Het deurtje gaat niet meer open. De uren gaan in stilte voorbij.

‘Ik kom niet meer terug’, voeg ik er voor de duidelijkheid nog aan toe.

Met het houten vorkje begint papa in de salade te hakken.

Voetje voor voetje liep Tommy over het dak naar mij toe. Hij was wakker geworden, zag een leeg bed en wist meteen waar ik was. Meestal dacht papa dat er een lepelaar over het dak liep of een andere vogel. Dat vertelde hij dan bij het ontbijt, terwijl wij wisten: wij waren die lepelaar. Over zijn pyjama heen droeg mijn broertje zijn witte kokshemd met drukknoopjes aan de zijkanten, dat hij in de fabriek soms voor de helft openlaat, als het zo warm is dat zelfs de krabsalade begint te zweten. De rood-witte pet met op de voorkant LEVE JOHMA droeg hij achterstevoren. Ik gaf de sigaret aan hem door. Hij nam een flinke trek en begon meteen te hoesten.

‘Ssst’, zei ik, ‘dadelijk hoort pa ons nog.’

We keken naar de heldere lucht. Ik betrapte mezelf erop dat ik ook steeds vaker verlang naar een leven zonder papa: hij zorgt ervoor dat we nooit buiten een straal van vijfhonderd meter van de stacaravan en de fabriek komen. Het terrein is afgezet met prikkeldraad alsof wij – zijn ruimtewezens – schapen zijn en hij de boze herder. Tot ons vijftiende levensjaar heeft hij mijn broer en mij thuis les gegeven. Sterrenkunde, geschiedenis, wiskunde, biologie. Iedere ochtend zaten we op de hoekbank in de stacaravan, onze schriften opengeslagen voor ons tussen de ontbijtspullen en de kruimels in. Papa droeg tijdens de les steevast een karamelkleurig colbert waaraan een paar knopen ontbraken. Gezag droeg volgens hem een jas.

‘School is gevaarlijk’, zei hij altijd, ‘daar word je gevormd tot een machine, allemaal dezelfde machines. Wij zijn anders, bijzonder.’

En: ‘Ruimtewezens worden vaak niet begrepen. Ze maken er films over, zetten ze voor gek, maken ze lelijk. Neem nou E.T. Die lokken ze met Reese’s Pieces-snoepgoed, alsof wij met zoetigheid te vangen zijn. Vergeet dat nooit: wij zijn niet te lokken. Wij zijn buitenaards, maar niet gek. De Aarde is een vergiftigde plek. En wie hier om de verkeerde reden weggaat, wordt met duizend octopusarmen tegengehouden.’

Naast de normale vakken leerde hij ons alle namen van de planten op het eiland (Boerenjasmijn, Weegbree, Zwaardherik, Wolfsklauw) en vertelde hij weetjes over dieren: dat konijnen bijvoorbeeld twee baarmoeders hebben en varkens de enige dieren zijn die een zonnesteek kunnen krijgen. Soms joegen zijn verhalen me angst aan, dan zag ik de Aarde voor me als een mierenhoop waarin de koningin alles voor het zeggen heeft en mannetjes alleen dienen voor de voortplanting en daarna spoedig sterven. Maar af en toe, als papa in een goede bui was, bijvoorbeeld als de tonijnsalade goed verkocht, vertelde hij ook mooie verhalen, hoe afschuwelijk hij de Aarde ook vond.

Eén keer in de week fietste hij naar het bootje aan de wal en voer over de kleine zee naar de Aarde om de salades weg te brengen naar een aantal winkels en bezorgadressen. Dan droeg hij een zwarte pandjesjas met bijpassende hoed. Als hij terugkwam – wij stonden op de uitkijk en zagen hem naderen, als een cowboy uit een westernfilm – vertelde hij wie hij daar had gezien, welke bloemen langs de kant van de weg groeiden, hoeveel Volkswagens hij was tegengekomen, wat hij daar had gegeten, hoe ze daar praatten. En hij eindigde – tot onze grote vreugde – altijd met meisjes. Dan boog hij zich naar voren, begon net zo zachtjes te praten als wanneer hij over het Johma-universum sprak en hoe dit het paradijs der paradijzen was, en spitsten wij onze oren. Sommige dingen waren zo mooi dat hardop praten ze lelijk maakte. Daarna werd hij weer nors en zei dat we niet in sprookjes moesten geloven (Roodkapje, Assepoester, Sneeuwwitje: onzin!)

Tommy en ik kennen alleen de meisjes uit het Johma-reclamefoldertje. Die prijzen halfnaakt de kip-saté aan, met een stralende glimlach. We bewaren ze onder onze matrassen, waar ze gekreukt en vol met zaad liggen te wachten totdat ze ingewisseld worden voor de nieuwe folder die eens in de maand uitkomt. Op het dak van de stacaravan kunnen Tommy en ik uren over ze praten, terwijl hij de peuken verdeelt die hij van Sjoerd – de enige medewerker van de Johma-fabriek – heeft gejat.

Nu we vijftien zijn, vinden we onszelf klaar voor de liefde. We willen niet langer in een foldertje bladeren, maar een meisje aanraken. Zoals we de aardappels in de kelder van de fabriek aanraken om ze op gaafheid te controleren, zo willen we ieder plekje van een meisje aftasten. En na gebruik gooien we ze niet op de composthoop, maar houden we ze eeuwig bij ons, lang en gelukkig.

Ik verroer me niet. Mijn woorden weerklinken ijzig koud in de stacaravan. Papa legt zijn hoofd op zijn armen. Dat doet hij altijd als hij in staking gaat tegen iets wat wij zeggen, in de hoop dat we onze woorden zullen terugnemen. Tommy kijkt me donker aan. Nooit sprak een van ons over weggaan. Niet als we zwommen in de kleine zee en steeds een stukje verder gingen, om vervolgens weer hard terug te zwemmen. (Volgens pa zaten de octopussen in het midden, en als je die dag iets lelijks had gedaan of gezegd, trokken ze je aan je enkels naar de bodem.) Niet als we aan de lopende band stonden en elkaar plaagden met Aardse grappen. Niet als we soms huilend om de blaren onder onze voeten in de visstoeltjes voor de stacaravan zaten. Nooit. Toch moet hij het al die tijd hebben geweten, vooral na wat hij in de fabriek had aangericht. Misschien komt het te snel voor hem, dacht hij dat zolang we de momenten hadden op de stacaravan, ik het nog wel even zou volhouden. Nu wil ik hem het liefst tegen me aan drukken, ik wil met hem stoeien, wat altijd helpt als hij boos is, dan begint hij vanzelf weer te lachen, die mooie jongenslach op zijn kaken. Maar ik doe niets.

Papa zwijgt. Wordt dan boos. Staat op, loopt naar buiten en slaat de deur met een klap dicht. Verdriet zit hier in dichtslaande deuren. Na een paar minuten komt hij weer terug.

‘Je weet wat ik altijd heb gezegd, je overleeft het niet op de Aarde. Wij zijn daar niet voor gemaakt, wij zijn anders dan normale mensen. Wij zijn buitenaards. Je zult het nog geen twee kilometer zonder ons redden. Ze verpulveren je onder hun schoenen als een kakkerlak. Wij hebben ons eigen universum.’

Zoals hij net de knotwilg heeft gesnoeid, zo wil hij mij ook snoeien. Al mijn hele leven knipt hij mij bij, laat me nooit een andere kant uitgroeien. Ik knik en ik luister. Sta op, schuif mijn stoel aan tot de leuning de tafelrand raakt: dit is het afscheid.

‘Ik moet dit doen’, zeg ik.

Sjoerd is niet buitenaards zoals wij. Hij is ‘normaal’ en komt van de Aarde. Papa heeft hem ontmoet op straat toen hij de producten naar de winkels bracht. Het klikte meteen. Volgens pa heeft Sjoerd buitenaards bloed, maar wordt hij nooit één van ons, al moeten we hem wel koesteren, want met zijn drieën redden we het niet in de fabriek. Soms brengt Sjoerd iets voor ons mee: een roman van Reve, chocoladekoekjes, de nieuwste koptelefoon, een spiksplinternieuwe voetbal. Papa ziet het mopperend aan. Zolang we niet vergeten dat wij anders zijn en nooit als Sjoerd zullen worden, staat hij het toe. Alleen Reve komt de stacaravan niet in, die moeten we in de fabriek naast de pureermachine laten liggen, daar kunnen we er af en toe stiekem een stuk uit lezen als we even pauze hebben – steevast van twaalf tot een, maar meestal werken we door zodat we eerder klaar zijn en kunnen gaan zwemmen in de kleine zee, waarin we ons ook iedere ochtend wassen en de gedachten aan de reclamemeisjes van ons afspoelen; het maakt onze lichamen sterk en gespierd. Natuurlijk vragen we weleens aan Sjoerd, die tien jaar ouder is dan wij, of we met hem mee mogen, een dagje, ah toe! Maar dan wordt zijn blik ernstig en schudt hij zijn hoofd, fluistert dat hij zijn baan kan verliezen als hij ons meeneemt naar de Aarde. Dat in zijn contract staat dat hij het universum het universum moet laten, wat dat ook betekenen moge.

Het mooiste aan Sjoerd is de manier waarop hij zijn sigaretten rolt – traag en dromerig – en dan zijn tong er langs haalt, om daarna te vertellen over de gebouwen aan de overkant van de kleine zee (‘tot aan de sterren zo hoog’), over de kroegen (‘ze sluiten pas als het donker je vriend is geworden’), over de bioscoop (‘als je op een knopje drukt, krijg je popcorn, zoet of zout’), over de winkels (zomerjassen zijn altijd in de aanbieding om regen af te kloppen). Wanneer Sjoerd aan het einde van de werkdag weggaat, kijk ik hem jaloers na tot hij uit het zicht is.

Naast de lessen die papa geeft, moeten we ook al jarenlang iedere avond voor het slapengaan het Wilhelmus zingen, alle verzen: rechtop, kin in de lucht. Papa vindt ons dan wel buitenaards, koningsgezind is hij wel. En als we er geen zin in hebben en onverstaanbaar of te zacht zingen, dreigt hij met de zeemonsters, met het zwarte gat: ‘Ik kan jullie er zo ingooien, eens kijken wie er dan nog lacht’.

Eén keer is de koningin van de Aarde naar de fabriek gekomen om papa een lintje te geven voor zijn verdiensten. Met de baard in de keel en in keurig gestreken kokshemden, zongen we het Wilhelmus voor haar en haar zoon. Ze proefde de salades uit de grote ijzeren tonnen, prikte er een vorkje in, keek dromerig naar de hemel, alsof het kaviaar was en knikte toen met haar hoofd. De aardappelsalade vond ze het lekkerst, die hadden Tommy en ik speciaal voor haar gemaakt: crème fraîche, uitjes, knoflook, mosterd, tomaatjes. Daarna dronken zij en haar zoon met papa koffie in de stacaravan, keken het eiland rond en gingen weer weg, nadat ze ons de hand hadden geschud – wat vreemd was, want niemand gaf ons ooit een hand. Papa was zo in zijn nopjes met het bezoek dat hij dagenlang niet praatte over hoe gevaarlijk de buitenwereld was. Tot die dag in april, toen de slakroppen felgroen uit de grond kwamen, als groeiende alienhoofden, en Tommy en ik achter de lopende band stonden en het zoveelste dekseltje op een slaatje deden. Ineens stond pa achter ons, groot en dreigend.

‘Meekomen jullie’, zei hij alleen maar.

Achter hem aan liepen we naar het kamertje waar de machines bediend werden. Een rood knopje flikkerde. Het was de zoutknop. Ik keek naar Tommy, die nog bleker werd dan hij al was. Alle salades waren verpieterd door de hoeveelheid zout.

‘Per ongeluk’, fluisterde Tommy.

Papa ijsbeerde door de ruimte met zijn handen op zijn rug. Toen ik opnieuw vragend naar mijn broertje keek, knipoogde hij naar me. Toen wist ik dat hij het expres had gedaan, dat hij het had gedaan voor mij zodat ik hier weg kon komen. Hij moest het gezien hebben aan de manier waarop ik werkte: traag en lusteloos. Aan hoe ik vanaf de stacaravan verlangend naar de verte staarde.

Het ging al een tijdje niet zo goed met de fabriek, nu was ook nog eens de hele voorraad te zout, en zaten de winkels met lege schappen. Ze wilden geen nieuwe producten meer van ons aannemen, bang dat ze weer klachten kregen. Overal waar papa het vroeg, kreeg hij een afwijzing. Als we op de uitkijk stonden, zagen we al aan de manier waarop hij de trappers naar voren duwde, dat hij geen goed nieuws voor ons had. Ik probeerde teleurgesteld te zijn, maar telkens maakte mijn hart een sprongetje. Toch bleef pa driftig salades maken. De dozen in de fabriek stapelden zich op, en op den duur werden ze verplaatst naar de slaapkamer van Tommy en mij, waar ze na verloop van tijd begonnen te schimmelen en stinken. Binnensmonds vervloekte ik de slaatjes, vervloekte ik papa. Na wat Tommy had gedaan, kookte pa niet meer: iedere avond trok hij een bak huzarensalade open en verdeelde het over de borden. Hij bleef trots op zijn product, maar werd steeds banger voor de Aarde nu hij er niet meer kwam.

‘Ze willen ons kapotmaken, zoals ze daar de natuur kapotmaken om er rijtjeshuizen neer te zetten. En dan van die afschuwelijke potten ervoor zetten om toch nog wat ‘groen’ te hebben. Wij hebben alleen elkaar.’

In de fabriek was alles anders. Er mocht geen radio meer aan. Daar kwamen volgens papa stralingen uit waardoor ze ons konden afluisteren – hij vreesde dat ze de recepten wilden stelen om de salades na te maken. Ik miste de liedjes, vooral die over meisjes gingen, over een ander leven, over drugs en uitgaan. Bob Dylan, The Beatles, Nirvana. Soms keek ik dromerig tussen de bomen door naar de gebouwen ver van ons vandaan. Het waren slechts contouren. Ik was ook bang voor de Aarde. Bang dat ik voor een monster zou worden aangezien en gevangen zou worden genomen en zou worden onderzocht als een labotoriummuis omdat niemand buitenaardelingen kende. Dat ze me zouden uitlachen en vernederen zoals papa regelmatig deed om ons voor te bereiden op wat er zou gebeuren als we het in onze ‘botte hersens zouden halen hier weg te gaan. Dan legde hij mijn hoofd op dezelfde steen waar hij de kippenkoppen oplegde, drukte met zijn hand op mijn wang en riep: ‘Wat zie je!’

‘Ons universum’, riep ik dan.

‘Wat zie je?’

‘Ons universum!’

Ik zag meer dan dat. Ik zag het mes in zijn hand met het bloed van de leghennen er nog aan. Ik zag de kleine zee, de Aarde, een uitweg. Steeds vaker zat ik op de stacaravan. In het dak zaten wel honderd asrondjes van uitgedrukte peuken. Ieder rondje stond voor een droom, voor een plan om hier weg te komen. Als het er duizend waren, zou ik vertrekken, hield ik mezelf voor. Mijn rugzak lag al ingepakt onder mijn bed.

Beeld Leonie Bos

Tommy hangt met zijn rechterschouder tegen de deurpost, zijn blik naar beneden gericht, naar het onkruid dat tussen de planken van de veranda doorgroeit. Ik kijk naar de fabriek op het eiland waar ik iedere ochtend naartoe ging om te werken. Hij ligt er eenzaam bij, de wolf is moedeloos nu hij nog amper dienst heeft. De tranen schieten me in de ogen, maar ik vertik het om te gaan huilen. Blij moet ik zijn, blij om van hier te vertrekken, om niet langer meer naar slaatjes te ruiken.

Papa gooit het inmiddels over een andere boeg: ‘Ga maar. Ik heb je niet nodig.’

Ik leg mijn hand op zijn hoofd, ik streel zijn warrige haren. Woest schudt hij zijn kop zodat mijn hand eraf valt, ik stop hem in mijn broekzak en de andere ook. Ik zal nooit meer huzarensalade eten, alleen maar donuts en chocoladekoekjes. Ik zal meisjes ontmoeten en ze misschien durven aankijken, door ze heen bladeren.

Doordeweeks keken we weleens naar National Geographic. Dat mocht alleen als we hard hadden gewerkt.

‘Zweet tot aan je bilnaad?’ vroeg papa dan. En als we heftig knikten, ging de tv aan. Ondertussen gaf pa de hele tijd commentaar. Zo was er leven gevonden op Mars, althans de bouwstenen voor leven (water, koolstof, de juiste temperatuur). Nog even en ze zouden ook bij ons komen. Gulzig slokte ik alle informatie op die tot ons kwam, over het klimaat, over bermbommen, over de geschiedenis, enzovoort. Soms deed ik zelfs of ik aan tafel zat bij een talkshow (ik zapte weleens stiekem naar een ander kanaal). Ik zou vertellen over het leven als buitenaardeling, over mijn werk in de fabriek, over mijn dromen. Ik zou zeggen dat ik net als Reve wilde worden (eenzaam maar gewaardeerd, met een vlijmscherpe pen, al had ik het schrijven steeds vaker gelaten). Papa las alles, en zette er een rode streep onder, met daarbij: ‘Gelul. Sentimenteel. Aards.’ En dan verscheurde ik alles, stookte het op in de vuurkorf naast de stacaravan waar nog restanten van marshmallows aan de randen plakten, rook de versmeulde woorden, en deed nog harder mijn best in de fabriek. De laatste tijd hadden we ook geen tv meer mogen kijken. We zouden er vierkante ogen van krijgen en papa vond dat ze de zendtijd alleen aan slechte dingen besteedden, aan soaps, talkshows, Miljoenenjacht.

Ik hijs mijn rugzak op mijn rug en draai me nog eenmaal om. Tommy maakt zich los van de deur en omhelst me stevig. Hij ruikt naar jongenszweet en Axe tegelijk. Hij wil niet mee naar Aarde, hij vindt het eiland goed genoeg. Misschien heeft hij meer asrondjes nodig dan ik. Papa komt ook naar buiten, met grote stappen. Zijn ogen zijn gevuld met tranen. Ik heb hem maar één keer zien huilen. Dat was de dag dat ma hem verliet. Om het te verbloemen was hij in de fabriek uien gaan snijden. Rode, die zijn extra sterk van geur. Maar ik zag zijn schouders schokken.

Ik probeer nog iets te zeggen, maar papa schreeuwt opnieuw dat ik op moet rotten, dat ik zijn zoon niet meer ben. Na vijfhonderd meter kijk ik nog een keer over mijn schouder. Nog even en papa en Tommy zijn schimmen, zoals de Aarde jarenlang een schim is geweest. Ik loop verder en verder en kijk niet meer achterom.

Schrijver Marieke Lucas Rijneveld en wetenschapper Lisa Becking, marine bioloog . Beeld Katja Poelwijk

De feiten achter de fictie

Voordat zij haar verhaal ‘De buitenaardelingen’ schreef, sprak auteur Marieke Lucas Rijneveld op uitnodiging van de Volkskrant met mariene bioloog Lisa Becking over evolutie en buitenaards (zee)leven.

Door George van Hal

Huzarensalade

Van ruimtedolfijnen die door de kosmos zwemmen (in Passing for Human uit 1977) tot een reusachtige tijdslang die de aarde komt oppeuzelen (in Time Snake and Superclown uit 1976): de sciencefictiongeschiedenis kent vele voorbeelden van verhalen waarbij het vooral draait om de fiction en maar een heel klein beetje om de science.

Er zal geen wetenschapper te vinden zijn die denkt dat de huzarensaladeliefhebbende buitenaardsen uit ‘De buitenaardelingen’ daadwerkelijk ergens op een eilandje aardappelen in stukjes aan het hakken zijn. Het verhaal doet wat dat betreft eerder denken aan mensen die dénken dat ze buitenaardsen zijn. Of aan mensen die in schreeuwerige televisiedocumentaires beweren dat ze ooit zijn ontvoerd door de bestuurders van een overvliegende UFO.

Toch borrelt onder het fictieve oppervlak ook in ‘De buitenaardelingen’ de nodige wetenschap. Allereerst is het idee dat buitenaards leven bestaat een serieuze wetenschappelijke hypothese. De meeste onderzoekers schatten de kans dat ergens in de kosmos buitenaards leven bestaat, of bestaan heeft, in als behoorlijk groot. Het heelal kent naar verwachting talloze miljarden planeten. Dat wij van al die planeten de enige zijn waar leven is ontstaan, zou dan wel enorm toevallig zijn.

Ongewerfelden

‘Volgens papa denken wij vanuit gewervelden. Terwijl de ongewervelden vaak intelligenter zijn. Neem de octopus, die heeft een mini-brein en al zijn tentakels kunnen onafhankelijk van elkaar denken en bewegen. Papa beweert dat ze gevaarlijk zijn, dat ze je zo met hun acht armen in de houdgreep leggen. (Fragment uit ‘De buitenaardelingen’).

Op aarde ontstond het leven in de diepzee, zegt Lisa Becking. En het grappige is: alleen al in die diepzee zijn twee vormen van intelligentie ontwikkeld. ‘Kijk bijvoorbeeld naar de octopus. Die heeft een brein dat totaal niet op dat van ons lijkt. In zijn tentakels zitten een soort minibreinen, die zelf kunnen nadenken. Op die manier kan de octopus zijn ledematen veel sneller bewegen dan wij dat kunnen.’

Volgens Becking is het maar de vraag of we wel goed in staat zijn om intelligentie te zien bij andere wezens. Dat geldt al op aarde, laat staan voor leven van buiten de aarde. ‘Bij ongewervelde dieren loopt ons empatisch vermogen spaak’, zegt zij. ‘Wil je een wetenschappelijk experiment doen op een muis, dan heb je daar uitgebreide goedkeuring voor nodig. Voor een zeeslak geldt dat niet. Terwijl het maar de vraag is of ongewervelde zeedieren niet een veel hogere mate van intelligentie hebben dan muizen. In die zin is zeeleven eigenlijk heel buitenaards.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden