Dit is de toekomst Aflevering 4

Schrijver Jan van Aken over de wereld na een extreme zeespiegelstijging

Beeld Max Kisman

Zes Nederlandse auteurs spreken op ons verzoek met wetenschappers en schrijven naar aanleiding daarvan een kort verhaal. Vandaag Jan van Aken, die met ecoloog Wieger Wamelink de wereld na een extreme zeespiegelstijging besprak.

Liever luisteren?

Voor onze podcastserie Dit is de toekomst heeft Jan van Aken dit verhaal ook voorgelezen. Luisteren kan ook via Apple Podcasts of Spotify.

‘Waar zijn de geesten?’, vroeg een jongetje.

Ik liet de vraag even in de lucht hangen. Ik had veertien mensen aan boord, voornamelijk jonge Aziaten, maar ook een paar Opperlanders; de spannende verhalen bewaarde ik voor later, als ze zich gingen vervelen. We gleden langs twee betonnen pijlers die ooit een weg hadden moeten ondersteunen en nu begroeid waren met kruinen van struikgewas, boompjes en afhangende ranken. De boot doorsneed vrijwel geruisloos de vlakke waterspiegel, af en toe hoorde je het zachte gebonk van drijfhout tegen de kiel. Hoog boven ons vielen twee kraaien een havik aan, maar niemand die omhoog keek.

‘Hoelang duurde het voor er planten verschenen op die pijlers?’, vroeg mijnheer Li, een nerveuze man van onbestemde leeftijd, die achterin zat. Ik had hem eerder martiale oefeningen zien doen in de wachtrij op de kade.

‘Die zijn al snel na de ineenstorting in bezit genomen’, zei ik. ‘Als je goed kijkt zie je touwladders en kabelwebben. Ze hebben modder met emmers opgehesen en later zelfs muurtjes gemetseld en wilgentenen vervlochten met het uitstekende betonijzer om de grond vast te houden.’

‘Daar zit iemand!’, riep een meisje. De passagiers begonnen te roezemoezen, iedereen keek nu naar de vrouw die roerloos in het lover hurkte en ons vanaf haar hoge positie tussen de struiken gadesloeg, haar oogwit lichtte op in de schaduwen.

‘Is dat er een?’, vroeg mijnheer Li.

Ik wachtte om de spanning op te voeren. Niets is erger dan een boottocht met apathische geprivilegieerden en hun ongeïnteresseerde kroost, zeker in een deadzone. Het jongetje dat eerder geen antwoord had gekregen, vroeg weer, ditmaal aan zijn vader: ‘Zijn er dan toch geesten?’

‘Het zijn niet écht geesten’, suste mijnheer Li vanuit de achterhoede.

‘De term is ongepast’, zei ik, ‘maar inderdaad, deze mensen zijn nergens geregistreerd en dus ook ongechipt. Omdat ze officieel niet bestaan, worden ze geesten genoemd. Ze wonen op pilaren, vlotten, viaducten, hoog in verlaten parkeergarages en in de overgebleven gebouwen.’

‘Maar wilden zijn het!’, zei een meisje met manga-ogen, op de voorste rij. Haar naam was me meteen weer ontschoten.

‘Hoe denkt u dat ze jullie noemen?’, vroeg ik haar.

Ze rolde met haar ogen.

Mijnheer Li liet het er niet bij zitten. ‘Spreken ze? Hoe noemen ze ons dan?’

Ik zuchtte. ‘Hun taal is erg veranderd sinds de ramp.’ Een zinloze mededeling; in het Verre Oosten denken ze toch al dat we in Europa allemaal Engels spreken. Daar werken we zelf aan mee, ikzelf evengoed als deze Opperlanders, die ook het wilde Vloedland weleens wilden zien, zo dicht bij hun glanzende, zoemende steden.

‘U hebt de vraag niet beantwoord, oude man’, zei een jongen. Zijn wangtattoo, eens een symmetrisch schakelingenpatroon, was door uitdijing vervormd tot het rag van een waanzinnige spin – of was dat juist de bedoeling?

Vreters, en in een milde bui, drones.’

‘Alsof dat niet ongepast is’, zei het mangameisje. Ze leek op de onrealistische sex-dolls van weleer.

Niemand had behoefte aan verdere uitleg. Twee zwanen, verstoord door onze nadering, maakten een klapwiekende aanloop, verhieven zich en vlogen in de richting van een langgerekt elzenbos. Een school eendjes bleef onverstoorbaar dobberen, al passeerden we rakelings. Ik stelde de zonwering wat donkerder en voerde de snelheid op, zodat de voorplecht omhoogkwam en we een bruisende hekgolf opwierpen. De zon zou de batterijen op peil houden. We passeerden een praam met gereefd zeil, waarin een visser naar het water stond te turen. Hij keek niet op, al moest hij even door zijn knieën zakken om de plotselinge deining op te vangen.

‘Wanneer eten we?’, vroeg Katerin, een Opperlandse dame die, gezien haar gewicht, de hoogste prijs had moeten betalen voor haar kaartje.

Ik wees. ‘Bij de oude Zuidas. We eten lokale producten.’

De passagiers keken elkaar aan en toen weer naar mij.

‘Kan hier dan iets groeien?’, vroeg Katerin uiteindelijk.

‘We kweken groenten op de maanbasis en in de koepels van Mars’, zei ik. ‘We hebben zelfvoorzienende ruimtestations in omloopbanen en bij Titan. En dan zou het hier niet lukken?’

Ze leek niet overtuigd. Wie weet nog dat er al duizenden jaren menselijke cultuur bestond voor de opkomst van de technologie.

‘Dit gebied verandert voortdurend’, zei ik, ‘we hebben getijdengeulen en vloedbossen, veen en moerassen; land groeit aan en slaat af, geulen verdiepen zich of slibben juist dicht, duinen wandelen en verplaatsen zich; zandbanken duiken op waar je vorig jaar nog kon varen; we hebben zoet en zilt water en alles wat daartussen zit, we hebben koude stromen, warme stromen – duizend microklimaten vind je hier, elk met zijn eigen mogelijkheden.’

Ik geloof niet dat iemand begreep waarover ik het had.

De boot maakte een omtrekkende beweging, laveerde tussen begroeide damrichels en dichte kragen van lisdodden door en hernam een slalommende koers naar de sombere kolossen.

‘Waarom varen we niet in een rechte lijn?’, vroeg de jongen met de gewebte wangen.

Een meisje naast hem antwoordde voor mij. ‘Hoorde je niet hoe er van alles tegen de kiel bonkte, Zhū? Met deze snelheid moet de boot obstakels vermijden om niet lek te slaan.’

‘Dat is juist’, zei ik, ‘bij lagere snelheden levert drijfhout geen problemen op. Daarnaast kun je de stromingen niet vertrouwen en bevinden zich hier en daar, vlak onder de waterspiegel, zandbanken en ook nog resten van de oude stad.’

‘En lijken?’, vroeg mijnheer Li, ‘waren dat niet de doden die tegen de kiel tikten?’

‘Dat zou best kunnen.’ Wie was ik om zijn verbeelding te doorkruisen? ‘Volgens de Vloedlanders zijn de verdronkenen nog altijd niet tot rust gekomen.’

‘Dus toch geesten’, zei Zhū. 

Wat zou een natuurramp met ons eten doen?

Schrijver Jan van Aken en Wieger Wamelink, exobioloog aan de universiteit Wageningen, vertellen erover in deze podcast.

We naderden voorzichtig de oude, trapsgewijs geconstrueerde woonflats, die niet meer als zodanig herkenbaar waren. Een onvoltooide trap naar de hemel, een toren van Babel, overwoekerd met jungle. Naar het westen lagen de diepere wateren, maar aan de overkant…

‘Wat is dát?’, vroeg een Vietnamees die zich als Tranh had voorgesteld. Hij wees op de gestalten in de verte, die als langpotige insecten voortijlden waar het meer overging in moeras.

‘Mensen uit de paaldorpen’, zei ik, ‘ze bewegen zich op hun stelten razendsnel voort, waar wandelaars of boten niet kunnen gaan.’

Ondertussen schoven we door wolken opzwermende mussen langs de ruigbegroeide gebouwen. Ik meerde aan onder guirlandes van ranken, toetste een code in en het bootdak schoof open. Mijn gasten begonnen door elkaar te roepen.

‘Is dat wel veilig?’

‘En de wilden?’

‘Zijn er geen beesten?’

De insectenverjager sloeg aan. Een wesp in de boot kon paniek veroorzaken; in de Opperlandse steden zag je ze nog wel, maar China kende al generaties geen insecten meer. Ik stak mijn hand uit en plukte een kiwi. ‘Hier lunchen we’, zei ik, ‘jullie hebben het juiste jaargetijde uitgezocht.’

Het meisje voorin durfde te proeven. ‘Kiwi, hier?’

‘In overvloed’, zei ik, ‘ze exporteren naar Opperland.’ Ik begon vruchten uit te delen.

‘Is dat wel hygiënisch, zo onverwerkt?’, vroeg Katerin, maar meteen borrelde een urgentere vraag in haar op. ‘En die wilden’, met volle mond, ‘worden die niet boos?’

‘Op deze plek mogen we plukken.’ Ik wees: ‘Druiven. En die rode trossen, dat is peperbes.’

‘Wat ruik ik?’, Mijnheer Li kwam overeind.

‘Iemand is vlees aan ’t roosteren’, zei ik.

‘Hoe komen ze daaraan?’

Zijn onwetendheid verbaasde me niet, zelfs voor de Opperlanders, die maar op een uur varen woonden, was dit terra incognita. ‘Ze kweken en vangen vis, ze jagen op de geestgronden en ruilen onderling. In de hoger gelegen moerassen, rond de oude industrieterreinen, houden ze waterbuffels en hooglanders. In de stad hebben ze pluimvee voor eieren, vlees en mest, of om de moestuinen kaal te trekken, dat scheelt werk.’

‘En daar schijnen ze niet van te houden’, wist Katerin, ‘maar dieren eten? Wat smerig!’

‘Natuurlijk’, zei ik, ‘die mooie proteïneplakjes die jullie krijgen aangeleverd, geven je geen beeld van de vleesbomen die wuiven op kunstmatige getijden in hun vruchtwaterbassins.’

Lege gezichten; bezocht niemand ooit de kwekerijen?

Na een tijdje vroeg Zhū: ‘Waarom zouden ze kunstmatige getijden maken in bassins?’

‘Vlees is toch spierweefsel?’, zei ik. ‘Spieren moeten écht geleefd hebben, dan smaakt het vlees beter. De kwekers stimuleren hun vleesbomen met zenuwprikkels om weerstand te bieden tegen de getijdenkrachten.’

Hij keek me aan. ‘Hou je me voor de gek?’

Ik haalde mijn schouders op en wilde nog wat plukken, maar op dat moment landde er iets zwaars op de voorplecht. Te vroeg, niet iedereen was voorzien van fruit. De passagiers schreeuwden en kropen over hun stoelen naar achteren. Ik draaide me om. Daar stond een Asser, licht door de knieën gebogen, zijn staf half opgeheven om toe te slaan. Hij loerde van tussen zijn vervilte haarslierten en gromde iets onverstaanbaars.

‘Wat wil hij?’, vroeg mijnheer Li.

‘Hij is boos’, zei ik, ‘blijkbaar is ons verdrag niet meer geldig.’

De man brulde als een grote kat, al was alleen ik oud genoeg om er ooit een gezien te hebben. De vrouwen schreeuwden. Mijnheer Li hees zich op aan het dak, wilde hij vechten? Overboord springen?

‘Wacht!’ Ik deed een stap naar de man en gaf hem zijn bijdrage in het zakje dat ik al bij de hand had. Hij snauwde nog iets, schudde de stok dreigend naar de doodsbange mensen en trok zich toen op aan een touw. Verdwenen was hij.

‘Doe dat dak dicht!’, riep Katerin.

Ik deed wat ze zei. ‘Het is in orde’, zei ik, ‘we mogen plukken.’

Niemand wilde blijven, de plek had haar bekoring verloren.

‘Dit was maar een voorafje’, stelde ik ze gerust, ‘er is eten aan boord.’

‘Wat gaf u die man?’, vroeg het meisje vooraan.

‘Glazen kraaltjes’, loog ik, ‘daar zijn ze gek op.’

Mijnheer Li ijsbeerde nog opgewonden door het gangpad. ‘Zag je die stok?’, riep hij. ‘Een mooi wapen. Zelf heb ik de hoogste graad in zwaardvechten Yang-stijl.’

‘Waarom viel je hem dan niet aan?’, vroeg Zhū.

‘Ik heb geen zwaard bij me.’ Mijnheer Li wendde zich tot mij. ‘Kende u die wilde?’

‘Er was geen direct gevaar’, suste ik hem. ‘U kunt bij terugkomst een klachtenformulier invullen.’

Hij knikte en zocht zijn plaats weer op. Zhū begon te zoenen met het meisje naast hem. Waren ze al een stelletje, of had de spanning hen in elkaars armen gedreven?

Ik liet de autokok van de boot lunches verstrekken en terwijl we langs het staketsel van het oude stadion kwamen, zette iedereen zich aan het eten.

‘Waren dit vroeger woonwijken?’, vroeg een jongen na een tijdje.

‘Zeker’, zei ik, ‘maar er is weinig van over. Al in de rampnacht, toen de eerste dijken doorbraken, ontstonden er branden in de gebouwen. De mensen die per auto probeerden weg te komen, kwamen vast te staan op de snelwegen. Wie niet verdronk in het snel stijgende water, bezweek aan de kou. De verstandigsten vluchtten de gebouwen in, waar gevechten uitbraken om het weinige voedsel. Ondanks de strenge vorst wilde het kolkende, brakke water niet bevriezen. De overlevenden braken het hout uit de verlaten huizen. Eerst verstookten ze deuren en raamkozijnen, later het dakhout, de trappen, alles wat maar brandde. Ze stookten in kamers en op platte daken. Overal laaiden de vuren en in de voortdurende stormen ontstonden steeds nieuwe haarden.’

‘Hadden ze geen boten om weg te komen?’, vroeg iemand.

‘Sommigen waagden dat’, zei ik, ‘maar er dreef van alles in de woeste stromen: ijsschotsen, ontwortelde bomen, tankwagens en woonarken. Cruiseschepen braken los in de haven; vrachtschepen op drift vernielden alles op hun weg. In het stadscentrum staat nog maar weinig overeind. We varen trouwens over wat vroeger een groot park was. Kijk, daar staan nog wat behouden huizen.’

Ook hier torsten de daken miniwouden; hangplanten en klimop bedekten de oude muren. Zwarte gaten waar ooit ramen hadden gezeten. Ganzen stoven snaterend voor de boot uit en op een ronde steen die vaag de vorm had van een olifant, stond roerloos een donkere jongeman met een boog in zijn hand en een pijlenkoker schuin over de rug. Aan zijn gordel hingen twee dode watervogels. Pas toen we hem waren gepasseerd, stak hij een hand op, in een groet of een verwensing.

‘Is dat allemaal dezelfde stam?’, vroeg mijnheer Li.

Ik schudde mijn hoofd. ‘De Cassiners leven in een complex bij het oude Leidseplein.’

‘Zijn hier veel bandieten, moordenaars? Wie handhaaft het gezag?’

‘Niemand eigenlijk’, zei ik, ‘er schijnt niet meer misdaad te zijn dan elders. Ze lossen het onderling op.’

Ik stuurde om een rietkraag heen en zag hoe Tranh zijn vrouw wees op een libellenpaar. Hij keek me vragend aan.

‘Het zijn grote insecten’, zei ik, ‘maakt u zich niet ongerust.’

Ik koerste recht op de Dam af. ‘Dit was het centrale plein van de stad’, vertelde ik. ‘Het koninklijk paleis is nog bijna intact.’

Beeld Max Kisman

We gleden langzaam langs de bemoste kegel waar nog groezelige resten zichtbaar waren van de beeldengroep. Aan de overkant, bij het paleis, lagen bootjes schots en scheef tegen meerpalen. Een visser wrikte zijn schuitje over het plein. Ik liet de boot stationair draaien. ‘Die streep op het monument’, zei ik, ‘zo hoog kwam het water destijds.’

‘Hoe is dat mogelijk?’, vroeg een Laotiaan. Zijn mechanische Engels had hij misschien pas vorige week geleerd met noötropica. ‘Was dit niet ooit een dam die het water buiten moest houden?’

Ik knikte. ‘U hebt zich goed voorbereid. De stad heeft er zelfs haar naam aan te danken. Het monument staat op hogere grond dan de rest van dit plein, waarvan de klinkers lang geleden zijn weggehaald. De Nieuwe Kerk, waarvan u daarginds de restanten ziet, stortte al in de tweede nacht van de Silvestervloed in.’

Die nachten, ik was ze niet vergeten.

‘Dank voor uw uitleg’, zei de Laotiaan, ‘maar als u hiermee mijn vraag hebt beantwoord, dan is mij dat ontgaan.’

Ik haalde diep adem. ‘Een ondergang, dames en heren, heeft vele vaders… We hadden geen oog voor de complexe processen in klimaat en maatschappij, laat staan voor de manier waarop ze op elkaar inwerkten. Achteraf konden we de tipping points zien, de cascade-effecten…’ Ik knikte naar de Opperlanders. ‘Jullie weten dit al’, zei ik verontschuldigend.

Een Opperlandse zei: ‘Vertelt u het voor onze gasten en voor de kinderen.’

Ik glimlachte. ‘Regeringsleiders’, ging ik verder, ‘negeren vaak het voor de hand liggende en zien alleen de kortetermijnbelangen.’ De plotseling opgetrokken maskers waarschuwden me dat onze bezoekers niet gewend waren aan kritiek op de staat. Dit was niet wat ze hun kinderen wilden bijbrengen. ‘Vrees niet’, zei ik. ‘In de vrijzone is geen surveillance-apparatuur.’

Dit is de toekomst

Beluister hier alle afleveringen van onze podcastserie Dit is de toekomst. 

Iemand snoof. Ik geloofde het zelf ook niet helemaal. Al voor de ramp had de staat overal primitieve camera’s opgehangen; hoeveel erger was het in onze tijd waarin ieder insect een luistervinkende drone kon zijn en meer ogen ons in de gaten hielden dan alle goden van alle pantheons bijelkaar? Deze mensen wisten dat zelfs hun kinderen informanten konden zijn. Zelf had ik weinig te vrezen, maar zij moesten straks weer naar huis.

‘Naarmate wetenschappers gelijk kregen’, ging ik verder, ‘staken de massa’s hun kop verder in het zand. Tegenover overstelpende bewijzen en onderbouwde argumenten, stelden nihilistische politici hun categorisch ‘nietes’.

‘Naast de omslagpunten die waren voorspeld door de Cassandra’s van onze tijd, kwamen onvoorziene variabelen en overschrijdingen van drempelwaarden. Ondertussen hadden opeenvolgende regeringen de dijken verwaarloosd en was de staatskas uitgeput om het economische vliegwiel draaiende te houden.’

Ik merkte dat ze hun belangstelling verloren. ‘Wie weet wat er nog meer misging in de wereld?’, vroeg ik, om ze er weer bij te betrekken.

‘De kwantumcrisis’, zei de Laotiaan, ‘toen hackers het unikey-algoritme online zetten en daarmee de digitale deuren en kluizen opengooiden.’

Ik knikte. ‘In de herfst van dat jaar stortten de financiële markten in; miljardairs zagen hun kapitalen weggeboekt naar honderdduizenden rekeningen, maar wie profiteerde van deze Robin Hood-actie, verloor de nieuwe rijkdom binnen minuten, zo snel devalueerde het.’

Het meisje wist er nog een: ‘De blackoutbommen!’

‘Dat was het directe gevolg’, zei ik. ‘De EMP-aanval wierp Rusland terug naar de middeleeuwen; we hebben allemaal onze vermoedens uit welke hoek die kwam.’

Weer die maskers; China zou het in geen duizend jaar toegeven.

Ik lachte. ‘Perfect storm, was in die dagen een veelgehoorde term. Al die hele en halve rampen versterkten elkaar tot een superramp.’

‘Een clusterfuck’, riep Zhū. Dat leerde je niet in de noötropische drilprogramma’s.

‘Inderdaad’, zei ik, ‘en, boven op de overdrachtelijke storm kreeg Nederland ook nog een echte.’

Ik schetste de dagenlange opbouw van de orkaan en hoe onze leiders de deskundigen negeerden. Toen die uiteindelijk alarm sloegen op de sociale media, moest de regering wel reageren. ‘Alles is onder controle’, had de premier verklaard. ‘Onze tegenstanders zaaien weer eens angst met hun aan waanzin grenzende geloof in de klimaathoax.’ Zelfs toen de storm zich met volle kracht op de kust stortte, weigerde hij om de verloven van de krijgsmacht in te trekken.

Ik liet mijn stem dalen, ze waren doodstil nu. ‘Toen de omvang van de ramp duidelijk werd, en het ijzige water al door de straten stroomde, waren het zijn trouwste volgelingen die de premier uitleverden aan een woedende menigte. Niemand heeft ooit nog iets van hem vernomen. En dat was nog maar het begin van de chaos die maanden zou aanhouden.

‘Pas in de lente van dat jaar kwam Europa de overbevolkte steden en dorpen in de hogere gebieden te hulp; buurlanden namen vluchtelingen op en de lidstaten boden hulp bij het versterken van de behouden gebieden, maar men besloot unaniem het verwoeste West-Nederland op te geven.’

‘Probeerden ze de achterblijvers niet naar veilige gebieden te krijgen?’ vroeg mijnheer Li.

‘U moet begrijpen’, zei ik, ‘dat veel mensen niet weg wilden. Ze verschansten zich in gebouwen en op hogere stukken grond. Ze zochten naar manieren om te overleven en kregen versterking van mensen die kansen zagen en kennis, materialen en vaardigheden meebrachten: hydroponische systemen waarin ze vis en groenten kweekten; zilte landbouw en veenteelt; groenten en fruit op daktuinen en drijfeilanden.

Een groep in het havengebied nam een opslagbedrijf in bezit en nog diezelfde zomer kweekten ze al aardappels, vis en algen in de half ontmantelde olietanks. Autonomen en anarchisten maakten zich op voor de onvermijdelijke confrontatie met de Europese krijgsmacht. Uiteindelijk besloten de lidstaten de autonomie van het Vloedland te respecteren, maar onder één voorwaarde.’

‘Ja, dat weten we’, zei Zhū chagrijnig, ‘het hele gebied moest een deadzone blijven. Geen elektronische communicatiemiddelen.’

Ik grijnsde naar hem. Hoe zwaar viel het ze om te leven in deze dataschaduw, al was het maar voor een paar uur. Ze hadden hun apparaten niet eens hoeven inleveren, Vloedland had gewoon geen dekking. De wereld zat niet te wachten op een vrijzone waar desperado’s en anoniemen vrije toegang hadden tot de internationale netwerken.

‘Ze zullen toch wel een omweggetje hebben?’, vroeg mijnheer Li.

Nu was het mijn beurt om een ondoorgrondelijk masker op te zetten.

Zhū’s vriendin had er genoeg van. ‘Kunnen we nu verder?’, vroeg ze. ‘We willen graag iets zien.’

Ik was klaar met mijn verhaal. ‘We gaan het paleis bekijken.’

HOE FICTIE DE WETENSCHAP BEÏNVLOEDT, IN VIER LESSEN

De kruisbestuiving tussen feit en fictie kan tot intrigerende toekomstverkenningen kan leiden. Hoe? We leggen het uit in vier lessen.

Ik meerde af bij het bordes waar een paar Vloedlanders ons opwachtten. Ze hielpen mijn gasten naar binnen en we betraden de burgerzaal die nog altijd haar grootsheid niet had verloren, al waren de drempels opgehoogd en de onderste ramen met metselwerk beschermd tegen het water. Schilderijen, beelden en kroonluchters waren al lang geleden in veiligheid gebracht.

Het was er druk, handelaren marchandeerden en ruilden de koopwaar die in kraampjes of op kleedjes lag uitgestald. De lucht was vol van geuren, maar die van vis overheerste.

‘Welkom in de Burgerzaal’, zei ik. ‘Hier hoor je tientallen talen, maar iedereen verstaat Engels.’

‘Komen hier veel toeristen?’, vroeg mijnheer Li. Zijn stem sloeg even over, was hij bang?

‘Niet veel.’ Eigenlijk was ik al jaren de enige. Een paar mensen groetten mij, de vreemdelingen negeerden ze. De jongeren liepen rond, bekeken de waren. Veel handwerk, soms opgeviste curiosa en etenswaren: en een overvloed aan vis en zilte groenten, dakgroenten en zomerfruit.

‘Stort dit dan niet in?’, vroeg mijnheer Li, die wat bij mij bleef dralen.

‘Ooit wel’, zei ik, ‘maar rond de oude stad hebben ze met puin primitieve golfbrekers en dijken gebouwd. Het water is hier al jaren stabiel.’

Hij leek op vragen te broeden. ‘Verliest u nooit mensen?’, vroeg hij uiteindelijk.

‘Van mijn toeristen?’ Ik legde een hand op zijn schouder, vermoedde dat hij iets anders wilde vragen, maar Katerin kwam bij ons staan. ‘Kijk dat voedsel toch eens’, zei ze. ‘Och, die arme, arme mensen!’

We liepen naar een kraampje. ‘Hoe kunnen ze!’, zei ze. ‘Ik verga van de honger, maar dit is weerzinwekkend.’

‘Alles went.’ Het rook heerlijk, ik voelde mijn maag rommelen.

‘Wat is dit?’, vroeg mijnheer Li.

‘Saté van rat.’ Ik nam er een, betaalde met een muntje.

Mijnheer Li keek ernaar vol afschuw. Toen nam hij een beslissing. ‘Ik wil ook’, zei hij. ‘Hoeveel is het?’

‘Deze krijgt u van het huis’, zei het meisje achter de kraam. Ze wist hoe moeilijk het voor hem moest zijn, hij was niet de eerste die het wilde proberen.

‘Kijkt u toch uit’, zei Katerin. ‘Ik hoor dat ze hier soms zelfs mensenvlees eten. Wat een vreselijke wereld.’

‘Het voordeel van rat’, zei ik, ‘is dat het eruitziet als rat. En hier eten ze geen mensenvlees, wél gaan de doden in een natuurlijk recycling-proces.’

Ik verzweeg dat dit in de visvijvers gebeurde. Evengoed liep ze kokhalzend van ons weg. Die redde zich wel, verderop hadden ze biefstukken van waterbuffel met in huttentutolie gewokte aardpeer en lisdodde, salades van zoutmelde, zeeaster, brave hendrik en waterkastanje; garnalen en rivierkreeften, krabben, palingen als mythische slangen; vissen in zilveren harnassen. En als iemand haar vertelde van dat visvoer, dan kon ze altijd nog kiezen voor de wilde soorten.

Mijnheer Li stond nog steeds met zijn stokje in de hand. Hij haalde diep adem, nam toen een hap. ‘Het smaakt goed’, zei hij. En na drie happen: ‘Die mensen lijken niet ongelukkig.’

‘Dat zijn ze ook niet.’ Ik ging tegenover hem staan. ‘U hebt iets op uw hart’, zei ik.

‘Accepteren ze hier buitenstaanders?’, vroeg hij verlegen.

‘Als ze zich gedragen zijn ze welkom.’

‘En hun verleden? Wordt dat niet onderzocht?’

Hij was die ene op velen.

‘Wij zijn de ongechipten’, zei ik. ‘Wie hier komt, heeft geen verleden.’

‘Ik ben gechipt’, zei hij.

‘Dat kan worden verholpen.’

‘Wat is de prijs?’

Ik wees. ‘Zie je die vrouw met dat rode haar?’

Rafa zag me wijzen en ze wuifde.

‘Laat je bij haar scannen’, zei ik. ‘Wacht niet te lang, we gaan zo weg.’

Hij keek me aan met grote ogen. Ging het te snel voor hem? Toen nam hij een beslissing en hij liep naar het kraampje. Even later bracht Rafa hem bij me terug. ‘Proximale falanx’, zei ze, ‘rechts.’

Als ik het niet dacht.

Mijnheer Li trok zijn creditcard, maar ze weerde hem af. ‘Die geldt hier niet’, zei ze lachend. ‘Tot spoedig!’

‘Wat nu?’, vroeg mijnheer Li, ‘en wat betekent proximale falanx?’

‘Wacht tot we terug zijn’, zei ik, ‘bedenk onderweg wat het je waard is.’

Hij aarzelde. ‘Hoe weet ik dan of ik het kan betalen?’

‘De vraag is eerder of je het wilt betalen.’

Op de terugweg was hij stil.

Iedereen was stil, behalve dat jongetje dat vroeg: ‘Waarom is er eigenlijk nog steeds water? Hier zijn toch ook dijken?’ Hij bedoelde de lange, gedeeltelijk beboste richels van puin, van bakstenen, klinkers en betonplaten, van autowrakken en tankwagens en verroeste schepen, die de brokstukken van oude dijken aanvulden.

Mijnheer Li begreep het. ‘Dat is om het water binnen te houden’, zei hij, waarna hij weer in gepeins leek te verzinken. Hij keek zelfs niet op toen er even paniek leek te ontstaan bij de gasten uit het Oosten.

‘O god’, zei de vriendin van Zhu, ‘wat is dat? Het lijkt wel een orkaan!’

We volgden haar blik naar de wolken in het noorden, die snelle metamorfosen doormaakten en vreemde patronen vormden.

‘Het zijn maar vogels’, zei ik, ‘en niet eens een grote zwerm, dan moet je over een paar weken komen kijken.’

Later leidde ik mijn kudde naar de registratiepoortjes bij de grens. Mijn assistent Kay stond ons al op te wachten en liet ze een voor een door. De jongeren doken weer in hun onlinewereld, schuimbekkend van geluk. Sommige gasten bedankten me. Iemand vroeg of ik iets met ze kwam drinken.

‘Ik kan niet verder’, zei ik. Ik bedoelde dat ik niet mocht.

‘Het was een hellevaart’, zei Katerin, ‘maar oh, het was zo écht! Waar kunnen we fooien geven?’ Ik verwees haar naar Kay. Ze ging tevreden weg. Die had wat te vertellen thuis.

Mijnheer Li was in de boot achtergebleven. Toen alleen Kay nog over was, zochten we hem samen op. Hij zat nog steeds op zijn plekje. Ik nam tegenover hem plaats. ‘Speel je piano, gitaar of een ander instrument?’, vroeg ik.

Hij schudde zijn hoofd.

‘Het is je rechterpink’, zei ik, ‘dat is de prijs. Niet de top, maar het derde vingerkootje, de proximale falanx.’

Hij bekeek de pink in kwestie. ‘Is dat alles?’, vroeg hij toen.

‘Is het niet genoeg?’

Hij knikte berustend. ‘En jij, je bent van ginds. Welke prijs moest jij betalen?’

‘Ik ben een oude man’, zei ik. ‘Ik hoefde niet uit het systeem te stappen, ik heb er nooit in gezeten.’

‘Doe het snel dan.’

Ik knikte naar Kay, dat hij aan het werk kon gaan. Li gaf geen kik en naderhand pakte Kay het stukje pink in en ging door de poort, waar de scanner de terugkeer van twee burgers registreerde.

Soms zat er een bij, misschien eens in de twee jaar. Je wist nooit van tevoren wie het zou zijn. Dit jaar was het mijnheer Li geweest. Vaak droegen ze nog jaren tralies met zich mee, mentale tralies. Vroeg of laat beseften ze dan dat er geen kooi meer was.

Toen we de vrije wateren bereikten, schudde ik mijnheer Li de hand. De linker, rechts was verdoofd en verbonden. Hij moest een beetje huilen.

 ‘Welkom vriend Li’, zei ik, ‘welkom bij de geesten.’

Schrijver Jan van Aken (links) en Wieger Wamelink. Beeld Rebecca Fertinel

De feiten achter de fictie

Jan van Aken gebruikte de zorgen van wetenschappers over klimaatverandering en zeespiegelstijging als aanleiding voor zijn verhaal ‘Proximale falanx’. Vooraf sprak hij met ecoloog Wieger Wamelink (universiteit Wageningen) over de details van plantengroei en voedselvoorziening in een definitief veranderde wereld.

Door George van Hal

De natuur keert terug

‘Hoe lang duurde het voor er planten verschenen op die pijlers?’ vroeg mijnheer Li [...]. ‘Die zijn al snel na de ineenstorting in bezit genomen’, zei ik. ‘Als je goed kijkt zie je touwladders en kabelwebben. Ze hebben modder met emmers opgehesen en later zelfs muurtjes gemetseld en wilgentenen vervlochten met het uitstekende betonijzer om de grond vast te houden.’ (Fragment uit ‘Proximale Falanx’)

Wie beton met rust laat, ziet vanzelf de natuur terugkeren. ‘Van wegen weten we bijvoorbeeld dat ze binnen tien jaar worden overgenomen door planten’, zegt Wieger Wamelink. Beroemd is het voorbeeld van het gebied rond Tsjernobyl, waar planten en bomen zich over, door en langs gebouwen wurmen. ‘Als je één positief ding kunt zeggen over kernrampen, is het dat je er prachtige natuur van krijgt’, zegt Wamelink. ‘Al zul je zien dat, wanneer je beter inzoomt, heus niet al die natuur even gezond is.’

Wie in een overstroomde stad de natuur een handje helpt, heeft dus binnen de kortste keren een nieuw soort stadsnatuur. ‘Je keert dan eigenlijk terug naar de oude, natuurlijke Nederlandse situatie.’

Marsplanten

‘We kweken groenten op de maanbasis en in de koepels van Mars’, zei ik. ‘We hebben zelfvoorzienende ruimtestations in omloopbanen en bij Titan. En dan zou het hier niet lukken?’ (Fragment uit ‘Proximale Falanx’)

Wamelink weet als geen ander dat je planten bijna overal kunt laten groeien. Zelf doet hij onderzoek naar hoe planten groeien op de maan- en marsbodems. In zijn kantoor staat een soort aquarium, vol planten, die groeien op gesimuleerde Marsgrond waar wormen doorheen kruipen. Die moet je op de rode planeet natuurlijk wel zelf meenemen van aarde, geeft hij toe. Bovendien moet je de boel kweken onder een beschermende koepel, maar dan moet het ook lukken. ‘Onze Marstomaten zijn heerlijk. Ik maak er bij lezingen soms tomatenspread van, die ik dan uitdeel op toast. Dat gaat er altijd goed in.’

Zilte landbouw

‘Dit gebied verandert voortdurend’, zei ik, ‘[...] we hebben zoet en zilt water en alles wat daartussen zit, we hebben koude stromen, warme stromen – duizend microklimaten vind je hier, elk met zijn eigen mogelijkheden.’ (Fragment uit ‘Proximale Falanx’)

Welke planten waar kunnen groeien, is afhankelijk van de ondergrond en het heersende klimaat, zegt Wamelink. Zelf doet hij onder meer onderzoek naar zilte landbouw. ‘Door klimaatverandering wordt dat steeds noodzakelijker. Het zoete water is niet meer in staat het zoute tegen te houden. Daardoor krijg je zout boven in de bodem. Dat zie je al in het Westen van Nederland. Gewassen zoals aardappels willen op die grond niet groeien.’

Daarom werkt men in Wageningen aan gewassen die ook in zoute grond willen groeien. ‘Dat heb ik ook nodig voor mijn Marsonderzoek, omdat de grond daar ook best wel zout is. Je kunt wel lamsoor en zeekraal verbouwen – die groeien op zoute grond – maar dat is toch vooral leuk voor de salade. Je wordt er niet dik van. Je moet dan dus een ander soort landbouw gaan doen, met een nieuw soort aardappel. Overigens neemt zo’n aardappel het zout in de grond niet op. Op je frietjes moet je straks dus gewoon nog zout strooien.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden