Achter het boekJan Brokken

Schrijver Jan Brokken: ‘Elke ochtend begin ik weer op pagina 1’

Hoe schrijft de schrijver? Blijf altijd geloven in wat je doet, weet Jan Brokken na 32 boeken (zijn nieuwste bundel reisverhalen is net verschenen). En toch. ‘Als mijn uitgever me belt met de eerste kritiek, dan wens ik hem dood.’

Schrijver Jan Brokken.Beeld Els Zweerink

Je moet meteen een gigántische concentratie hebben. Dezelfde concentratie als een concertpianist die in de grote zaal van het Concertgebouw een recital geeft en alleen op het toneel zit.’

Hoe bereikt u die?

‘Toen ik jonger was, stak ik een sigaret op en dan had ik meteen de goeie concentratie. Maar ik ben gestopt. Nu ga ik zitten, ik zet mijn koptelefoon op, de muziek gaat aan en ik ben in de wereld die ik beschrijf.’

Helemaal alleen.

‘Ik zie alleen nog de hemel door het raam.’

De schrijver ploetert in eenzaamheid en wie schrijver in Holland wil zijn, ploetert nog ietsje harder, zo blijkt uit het verhaal van Jan Brokken (70 jaren, 32 boeken, 16 talen). In Zuid-Europa geniet hij van de solidariteit onder schrijvers. In Nederland is dat wel anders, verzucht Brokken. ‘Op het Boekenbal kwamen altijd tal van schrijvers op me af, want ik schreef grote coververhalen in de Haagse Post. De eerste keer dat ik er niet als journalist maar als schrijver kwam, liepen ze zonder te groeten aan me voorbij.’

Jan Brokken: ‘Je moet meteen een gigántische concentratie hebben.’Beeld Els Zweerink

In uw nieuwe boek wordt u anders op festivals met alle egards behandeld.

‘Dat is in Italië. Hier is het op festivals haat en nijd. Heeft die een betere tijd? Krijgt zij meer aandacht? Hoe lang is de rij voor het signeren bij hem? Zo gaat het bij de fictieschrijvers, dat zijn enórme ego’s die zich voortdurend op de voorgrond dringen.’

Is de Nederlandse literaire wereld zo anders?

‘In Italië en Frankrijk is het van oudsher: wij kunstenaars, schrijvers, musici tegen de rest van de wereld. Tegen de burgerlui, de mensen die het geld bezitten, de mensen die de macht hebben. Erik Satie was ontzettend arm. Claude Debussy nodigde hem elke week uit om te komen eten, want Debussy had eerder en meer succes. En Debussy was niet de enige: ook Darius Milhaud nodigde Satie uit voor het eten. Dan hing mevrouw Milhaud zijn jas op een haakje en stopte ze stilletjes 400 frank in zijn zak. Hier is onderlinge strijd, in plaats van dat wordt gezegd: wij vormen samen de literatuur en de kunsten.’

Let wel: Brokken heeft het over fictieschrijvers. Bij de Nederlandse non-fictieschrijvers vindt hij wel soelaas. Hij zit in een inspirerend non-fictieclubje: driemaandelijks dineert hij in restaurant Levant met Geert Mak, Annejet van der Zijl, Lieve Joris, Jutta Chorus, Frank Westerman en Judith Koelemeijer. Geen societygedoe. Ze hebben hevige, principiële discussies over het vak. Afspraak: niets daarvan komt naar buiten.

Vindt u bij die groep wel de solidariteit die u uit Frankrijk en Italië kent?

‘Ja. Je had in de tijd van Satie in Parijs Le Chat Noir. Ik kende dat als het cabaret waar hij piano speelde, maar er was ook een literair genootschap met Émile Zola, Guy de Maupassant en alle andere literaire schrijvers van dat moment. Die hadden eenzelfde soort gesprek als wij nu hebben. De literaire non-fictie is in Nederland een tamelijk nieuw genre en we lopen tegen vooroordelen op. In de tijd van Zola was dat ook zo. Toen bespraken ze hoeveel werkelijkheid ze in hun romans konden duwen en gingen ze hun genre naturalisme noemen.’

Jan Brokken: ‘Metaforen zijn levensgevaarlijk.’Beeld Els Zweerink

En nu is het: hoeveel fictie kun je in non-fictie stoppen?

‘Bij Zola was het: hoeveel non-fictie kun je in fictie stoppen? Wij hebben de vraag: hoever kun je gaan met non-fictie? Met verbeelding, inbeelding?’

Het gesprek heeft plaats in een oud pakhuis aan een Amsterdamse gracht. Onder de nok ligt de werkkamer van Jan Brokken. Je bereikt die via een trapje dat zo steil is dat je er alleen achterwaarts weer van kunt afdalen. De schrijver ontvangt in een zitje naast het bureau. Vaker werkt hij in zijn huis bij Bordeaux. Hoe hij in Frankrijk is beland? Van beneden klinkt een vrouwenstem met Frans accent: ‘De liefde!’

Op zijn 36ste nam Brokken de radicaalste beslissing van zijn leven: hij stopte als journalist en werd schrijver. Met de opmerking ‘jij schrijft beter dan de meeste schrijvers die je interviewt’ had Harry Mulisch hem het laatste zetje gegeven. Jaren van sappelen volgden. Een tweede hypotheek, nóg een lening, huis verhuurd: alles voor de kunsten. Inmiddels is Brokken schrijver-arrivé van romans en literaire non-fictie. Bij het verschijnen van een nieuwe bundel reisverhalen, Stedevaart, wil hij best enkele geheimen van de chef kwijt.

Schrijver, vertel ons uw stijl!

‘Ik hou ervan de poëzie te zoeken in concrete beschrijvingen en onverwachte observaties. Een prachtige landschapsbeschrijving interesseert me niet. Wat ik mooi vind, is concreet. In dit boek is dat bijvoorbeeld de beschrijving van Erik Satie. Die woonde in een klein kamertje in Montmartre, twee bij drie meter, samen met de Catalaanse dichter Contamine de Latour. De twee bezaten één kostuum. De ene dag ging Satie in dat pak uit en de volgende dag Contamine de Latour. Dat vind ik poëzie.’

Beeld Els Zweerink

En metaforen?

‘Een goede metafoor is het mooiste wat je kunt hebben. Maar metaforen zijn levensgevaarlijk. Ze trekken je naar de clichékant. Een metafoor is alleen van belang wanneer die iets verduidelijkt. Mijn ervaring is: de metafoor moet er in één keer zijn. Je moet niet gaan zoeken. Het is het beeld dat je te binnen schiet.’

Heeft u een voorbeeld van zo’n geslaagde metafoor?

‘Bilbao ligt aan zee en aan een bergrivier. Direct achter de stad rijzen de Pyreneeën op. Ik zag dat en dacht precies wat ik in Stedevaart schrijf: ‘De stad ligt als een gevouwen papieren vogel in het rivierdal.’

En titels?

‘Heel belangrijk. Heb je een titel, dan heb je de insteek van het boek. Je hebt het grote geraamte neergezet. Dan weet je: ik ga dit allemaal vertellen vanuit dat perspectief. Een titel is ook goed vanaf het begin, of niet. Een titel is niet iets waaraan je kunt frutselen, van: ik ga er een woordje aan toevoegen.’

Wat is belangrijker: de eerste of de laatste zin?

‘De laatste scène van een verhaal moet je in je hoofd hebben, want daar moet je naartoe werken. En de laatste zin moet je vrij nauwkeurig weten. Er zijn tegenstemmen. Hemingway zei: als ik het eind van mijn boek weet, dan heb ik geen zin meer om het te schrijven. Dat klinkt avontuurlijk, maar het gevaar is dat je alle kanten opgaat. Een boek is als een reis: je weet de bestemming, je neemt het vliegtuig of de trein, maar onderweg kunnen er verrassingen ontstaan.’

Beeld Els Zweerink

Wanneer beslist u: dit is een boek?

‘Dat is intuïtie. Dat valt niet te beredeneren.’

Zegt die intuïtie wanneer iets verkoopbaar is?

‘Nee. Met verkoop moet je nooit bezig zijn. Die is niet te voorspellen. Ik herinner me nog dat bij Baltische zielen mijn vaste redacteur Emile Brugman me opbelde en zei: indrukwekkend, maar we gaan er niet meer dan 1.500 van verkopen. We zijn nu toe aan de 25ste druk en er zijn meer dan 100 duizend exemplaren verkocht. Brugman is een van de meest ervaren uitgevers van Nederland en tóch… En toch.’

Op de vraag hoe hij werkt, antwoordt Brokken dat hij het liefst cahiers volschrijft. Hij staat op en haalt schriften met harde kaften uit zijn bureau.

‘90 procent van wat ik hierin opschrijf, gebruik ik niet.’ Al bladerend haalt hij zijn schouders op. ‘Maar ik moet het wel een keer geschreven hebben.’

Droge berusting in zijn stem. Er is sierlijk in de schriften geschreven, met mooie krullen in zwarte inkt.

U schrijft alleen op de rechterpagina’s.

‘Dan kan ik er later links nog bij schrijven. Kijk, hier is een stuk bij gekomen. Hier ook.’

Er is bijna niets doorgestreept.

‘Het zijn ook geen zinnen, het zijn alleen maar… Hier…’

Gebiologeerd begint de oude schrijver notities voor te lezen.

‘Dit is mijn allereerste. Dat is Indonesië. Dit is nog keurig, echt een dagboek. Dit: het cahier uit Venetië waarover ik in Stedevaart schrijf: gekocht bij Paolo Olbi. Hé, een gedicht:

Ware de wind de wind
ik zou schrijven over storm
maar de wind is het leven
een eeuwigdurend refrein.

‘Nâh…’

En dan op de computer?

‘Ja. Elke morgen om elf uur begin ik weer op pagina 1. Ik lees, verander en wanneer ik aankom bij waar ik de vorige dag ben gestopt, ga ik weer door. Zo zit ik goed in de sfeer en houd ik dezelfde toon. Het gevaarlijkste van schrijven is dat je je toon verliest.’

Hoeveel schrijft u op een dag?

‘Dat kan een alinea zijn, het kunnen drie pagina’s zijn.’

En u schrijft van elf tot…?

‘Tegen enen eet ik iets lichts en ik merk toch altijd dat mijn vruchtbaarste uren zijn vanaf half zes, half zeven. Rond half acht kom ik naar beneden – we eten laat in het zuiden van Frankrijk – en als er dan mensen bij ons komen eten, zeggen ze wel: Jan est encore dans son livre.’

Het huis ligt aan zee?

‘Huis-jé. Op een duin in een gebied met hoge dennenbomen. Ik zit met het raam open en hoor de branding. Als ik er goed in zit, zet ik mijn koptelefoon af en schrijf ik met alleen het geluid van de branding.’

Zit u al die tijd?

‘Achter me staat een piano. Als het niet gaat, draai ik me om en speel ik piano.’

Kunt u het hele verhaal steeds in uw hoofd houden?

‘Je houdt zoveel poppetjes aan touwtjes vast, daar word je wel gek van. Ik ben in de laatste fase van een verhaal of boek erg moe en gespannen. Dan slaap ik slecht en probeer ik steeds maar al die poppetjes vast te houden. Het vasthouden van de spanning die de lezer een ‘nu wil ik het weten, verdomme’-gevoel geeft, is iets waarvan je zelf zeer gespannen wordt.’

Moet u niet meer bewegen?

‘In Frankrijk loop ik langs de oceaan, wat ik de beste voorbereiding vind. Dan schrijf ik eigenlijk het meest. Die weidsheid. De scènes wellen op. Ik vertel dan het verhaal aan mezelf. Goethe moest lopen voor hij ging schrijven. Hij zei: het bloed moet naar je hersenen toe. In Amsterdam loop ik een stuk over de gracht, doe ik een boodschapje.’

En een schema?

‘Het is vreemd, maar zo werk ik niet.’

Hij vertelt over Hella Haasse, die haar documentatie in twee plastic tassen bewaarde en zei: ik onthoud alleen wat ik kan gebruiken. Haar complexe historische romans ontstonden uit chaos. Jan Cremer daarentegen, van wie je zou verwachten dat hij de woorden er in een woeste bui in één keer uit ramt, maakt complexe schema’s vol kleurtjes en lijntjes. Maar voor Brokken geen schema. Hij schrijft zoals hij reist: zoekend.

Heeft u een goede manier gevonden gevonden om met kritiek om te gaan?

‘Wanneer Emile Brugman belt met de eerste kritiek, dan wens ik hem dood. Dan denk ik: hij is een lul die het niet begrijpt. Waarschijnlijk reageer ik zo fel omdat hij wel zegt waar het misloopt, maar ík het moet oplossen! Het is een soort paniek. Na drie dagen denk ik: misschien heeft hij wel gelijk.’

En recensies? Vroeger waren die belangrijk.

‘Wanneer een criticus niet overtuigd is, ben je erg van slag. Wie het tegendeel beweert, liegt. Ik heb geen kinderen en stel me voor dat het is alsof je trots met je baby’tje loopt en iemand zegt: wat ziet dat kind er vreselijk uit.’

Beeld Els Zweerink

Hoe was het om eerst zelf schrijvers te interviewen?

‘Hoe groter en beroemder schrijvers waren, hoe eenvoudiger ze bleken. Harry Mulisch was bijvoorbeeld een buitengewoon prettige man. Hij ging geen vraag uit de weg en deed absoluut niet arrogant. Hij ondernam een keiharde aanval op Gerard Reve en een keiharde aanval op W.F. Hermans. Kwam ik bij hem om de tekst door te nemen, dan zei hij: ‘Is dit duidelijk genoeg of moeten we het nog wat scherper formuleren?’ Nooit was hij bang.’

En W.F. Hermans?

‘Hermans was een nare man. Hij had ruzie gekregen met zijn vriend Boebie Brugsma, die hoofdredacteur bij de Haagste Post was geweest. Toen Hermans de Prijs der Nederlandse Letteren kreeg, wilde ik hem interviewen. Hij zei: ‘Goed, blijft u na de uitreiking in Brussel logeren en dan zullen we dat interview doen.’ Ik heb me toen drie à vier weken gek gelezen. Ik kom bij de uitreiking en vraag wanneer we afspreken. Hij zegt: ‘O, er is geen sprake van een interview, ha! Nee, het was een grapje dat ik u hiernaartoe haalde. In dat krantje van Boebie Brugsma ga ik niet staan.’ Maar Boebie Brugsma was al tien jaar weg bij HP! Dat was Hermans ten voeten uit. Als er iemand rancuneus was, dan was het Hermans.’

Van de kunstenaars en musici uit Stedevaart stak u meer op. Welke lessen leerden zij u?

‘Blijf jezelf. Blijf jezelf trouw. Blijf geloven in wat je doet. Dat klinkt eenvoudiger dan het is. Je kunt in een wereld vol met massacommunicatie jezelf helemaal kwijtraken door te zoeken naar aandacht, succes. De kunstenaars uit dit boek leerden me dat ze zo groot werden doordat ze zichzelf zijn gebleven. Blijf je eigen stijl trouw!’

Nog één?

‘Je vraagt je van heel grote schrijvers en componisten soms af waarom ze zijn ingezakt. Dat gebeurt wanneer ze hun nieuwsgierigheid verliezen. Nieuwsgierigheid kun je niet leren. Op de dag dat ik mijn nieuwsgierigheid verlies, ben ik weg.’

Jan Brokken

Jan Brokken (70) schrijft reisverhalen, literaire non-fictie en romans. Zijn oeuvre telt 32 boeken. Hij won diverse prijzen en zijn boeken verschijnen in 16 talen. Met name sinds de in 2002 uitgekomen autobiografische roman Mijn kleine waanzin verkoopt zijn werk als een tierelier. Bestsellers waren bijvoorbeeld Baltische zielen, De vergelding, De Kozakkentuin, In het huis van de dichter en De rechtvaardigen.

Brokkens nieuwste, Stedevaart, bestaat uit 22 reisverhalen naar de steden die belangrijk waren voor markante kunstenaars en denkers als Erik Satie, Gustav Mahler, Günter Grass, Joseph Beuys, Frank Gehry, Meindert Hobbema, Dmitri Sjostakovitsj, Gaetano Donizetti en Giorgio Morandi.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden