Achter het boekAnne Tyler

Schrijver Anne Tyler laat zich na veertig jaar weer interviewen: ‘Mensen die heel normaal lijken, díé zijn pas interessant’

Anne Tyler: ‘Als ik mijn boek inlever, heb ik altijd zo te doen met mijn personages: redden ze het wel in hun eentje?’Beeld The New York Times / HH

Hoe schrijft de schrijver? Grand old lady van de Amerikaanse literatuur Anne Tyler bedenkt het liefst wat er door het hoofd gaat van iemand die heel normaal lijkt. 

U toont veel mededogen met de mensensoort ‘man’…

‘O, ik voel sympathie voor beide seksen, maar mannen hebben denk ik een bijzonder zware taak. Er wordt van ze verwacht dat ze gewoon doorgaan met kind blijven enzo, tot ze opeens, op een dag, man moeten zijn en alles onder controle moeten hebben. Ze moeten sterk handelen en niet-emotioneel zijn, alles voor elkaar hebben en weten hoe je de dingen moet doen. Nou, dat is een hoop om van iemand te vragen.’

Lezen we over de conditie van de hedendaagse man in uw nieuwe boek?

‘Wel… ja, ik heb het gevoel dat Micah erg deel is van zijn tijd.’

In Een rooie aan de kant van de weg schrijft Anne Tyler over zomaar een man die Micah Mortimer heet. Hij heeft ‘in steen gebeitelde gewoonten’. De ene dag de vuilnisbak legen, de andere dag de vloer dweilen, de volgende de keukenkastjes schoonmaken. Micah woont in het souterrain van een appartementencomplex waarvan hij ook de klusjesman is. En hij heeft een computerbedrijfje genaamd TECH HERMIT: mensen helpen die er niet uit komen met hun computer (internet werkt niet, printer doet gek, bestand is zoek). Micah doet zijn best. Hij wil de dingen goed doen. Onderweg naar klanten verbeeldt hij zich dat ‘Verkeersgod’ hem complimentjes geeft voor foutloos rijden: geen overtredingen, geen correcties.

Hij is een sneue man.

Genant voelt het! Uw medelijden met mannen.

‘Haha, maar ja: ik voel mededogen voor Micah omdat hij zo’n drang heeft zijn leven op orde te krijgen, alsof alles op het randje van chaos balanceert. De wereld ís ook chaotisch. Micah probeert zo goed mogelijk vast te houden aan een restje controle. Hij is georganiseerd en rigide, met patronen in zijn dag. Dat is een manier om te proberen je leven onder controle te krijgen.’

Vindt u het leuk om vanuit het perspectief van een man te schrijven?

‘Ik vind het niet zo anders. Ik begrijp dat mannen en vrouwen andere gevoeligheden hebben, maar ik ben opgegroeid met drie broers en een extreem goede vader, plus twee grootvaders van wie ik hield. Ik heb het gevoel dat ik wel weet hoe het voelt om man te zijn, en ik voel sympathie voor ze.’

Anne Tyler (1941) aan de telefoon. Ze debuteerde in 1964 en praat zoals ze schrijft: aardig, wellevend en empathisch. Kan dat wel? Moet een schrijver niet schuren, prikkelen en provoceren? De rafelrandjes opzoeken? Tegen heilige huisjes schoppen en schrijven over wat niet uitgesproken wordt? Dat laatste doet ze heus, alleen ligt Tylers belangstelling bij aftasten, verwonderen en invoelen.

Veertig jaar lang heeft ze bijna geen interviews gegeven, het bracht haar de reputatie een tweede J.D. Salinger te zijn. Wie was die wijze vrouw? De spaarzame biografische informatie ging tot de verbeelding spreken: ze groeide op in een quakergemeenschap, haar in 1997 overleden man was een gevluchte Iraanse kinderpsychiater en ook schrijver, twee keer per jaar dineert ze met John Waters, de filmer die bekendstaat als King of Trash én als King of Filth. Maar de laatste jaren is ze iets opener en na herhaalde verzoeken mag de Volkskrant haar thuis opbellen. 

Wat maakte, wat máákt de boeken van deze vriendelijke dame zo aantrekkelijk? Alvorens de bijna 80-jarige vanmiddag gaat demonstreren voor Black Lives Matter legt ze welwillend uit wat ze met haar schrijven beoogt. En er wordt gezongen.

Uw eerste zin luidt: ‘Je vraagt je af wat er in het hoofd omgaat van een man als Micah Mortimer.’ In het slothoofdstuk staat die zin weer. Hij klinkt programmatisch, alsof u zegt: we moeten beter kijken naar gewone mensen.

‘Ah, ja. Ik had geen idee waarover mijn volgende boek zou gaan en opeens hoorde ik die zin in mijn hoofd: je moet je afvragen wat er in het hoofd omgaat van… Ik wist zijn naam toen nog niet. En ik vroeg me af: waarom moet ik me dat afvragen? Eigenlijk heb ik een heel boek geschreven om die vraag te beantwoorden.’

En? Waarom moest u schrijven over een onbeduidende man? Waarom schrijft u altíjd over gewone levens?

‘Het is interessanter om te bedenken wat er door het hoofd gaat van iemand die heel normaal lijkt. Stel je voor dat ik een militaire held met een avontuurlijk leven zou bedenken. Daar zit geen uitdaging in. Natuurlijk is een held interessant. Ik hou, denk ik, van de paradox dat ieder gewoon mens iets buitengewoons in zich heeft. Ach, misschien houd ik mezelf voor de mal.’

U schrijft altijd over Baltimore. Randy Newman zingt over Baltimore: ‘Man…’

Ze zingt mee: ‘It is hard just to live… en dat is het ook. Het leven in Baltimore is voor veel inwoners erg hard. De stad heeft een grimmig karakter dat je niet gemakkelijk in een andere stad vindt. Het is een arbeidersstad, de mensen zijn hard, maar op een opgewekte manier – en ik ben lui: ik hoef nergens anders naartoe voor research, toch?’

Hoe begon het schrijven?

‘Met Eudora Welty. Ik was een jaar of 14 en op school lazen we de klassieken: Julius Caesar, George Eliot, mensen van lang geleden, en toen opeens was daar Eudora Welty uit Mississippi, een verguisd stuk platteland. Ze schreef over mensen die grappig waren en aanraakbaar en plattelands. Ze babbelden wat weg op de manier die ik gewend was. Ik kwam zelf uit de tabaksstreek North Carolina. Welty had het over een meisje, Edna Earle: die kon de hele dag zitten mijmeren over hoe de staart van de C door de L ging in een Coca-Cola-teken. Die zin klikte in mijn hoofd: ik kénde Edna Earle. Daarvoor ging het over Julius Caesar en andere oude schrijvers, maar het Coca-Cola-teken! Dat was het normale leven, gewone mensen, mensen die niet groots waren, het was een openbaring voor me.’

Anne TylerBeeld Redux / HH

Besloot u toen dat u zelf ook ging schrijven?

‘Ik weet niet of ik het tóén besloot. Ik vertelde mezelf altijd al verhalen, dat was mijn grote interesse in het leven. Ik deelde een slaapkamer met een van mijn broers en als ik ’s avonds in bed lag, bedacht ik een verhaaltje om mezelf te vertellen. Dan riep mijn broertje: mama, Anne fluistert weer!’

Wat is ‘de blauwe doos’?

‘Eigenlijk heeft die nu een andere kleur, maar ik noem hem nog steeds zo: jaren geleden had ik een blauwe doos om recepten in te bewaren. Als ik een vreemd zinnetje hoorde of op straat een glimp opving van iets dat ooit een verhaal kon worden, schreef ik het op een indexkaart die ik in dat doosje stopte. Het werden er wel een paar honderd, zodat ik later een lange, zwart-witte archiefdoos moest aanschaffen.’

Hoe gebruikt u de kaartjes?

‘Wanneer ik een nieuw boek probeer te bedenken, neem ik alle kaarten door. Sommige zijn wel van veertig jaar geleden, eerder deden ze me misschien niks, maar deze keer wel. Ik kom tot een stapel van een of twee centimeter dik. Daarmee ga ik zitten plotten: ik maak een overzicht van één pagina. De kaarten gebruik ik om te zeggen: oké, bij hoofdstuk vier hoort deze kaart en bij hoofdstuk zes die. Het is als wanneer je de keuken binnenstapt, zes ingrediënten krijgt en iemand zegt: zie maar of je er een samenhangend gerecht van kunt maken. Hoe krijg je al deze dingen bij elkaar?’

Kruipt zo ook de tijdgeest in uw werk? Op zeker moment neemt u die ene kaart die u twintig jaar hebt laten rusten?

‘Ja, ik weet niet waarom ze in mijn hoofd beginnen te bloeien, maar zo voelt het. Ik zie een kaart die ik al jaren heb, maar nu denk ik ineens: o, dat kan interessant zijn, want dan kan er dit en dat gebeuren, en daarop zouden zus en zo kunnen volgen.’

Hoelang duurt dit proces? De indexkaarten en de opzet?

‘Dat is bijna wiskundig onveranderlijk een maand. Ik ben erg slecht in plots en heb niet veel gebeurtenissen in mijn hoofd. De eerste dag schrijf ik misschien een zin als: ‘Het kan geen boek in de eerste persoon worden, want dat heb ik net gedaan.’ En als ik daar een tijdje naar heb gestaard, denk ik: oké, klaar voor vandaag. En ik verlaat de kamer.

‘De volgende dag zeg ik tegen mezelf: nou, over wie gaat het? Dus schrijf ik: ‘Ik wil deze keer graag een man en ik ben geïnteresseerd in zus en zo. En als ik ophoud, denk ik: o nee, dit zal nooit werken. Maar dan kom ik aan het eind van de maand en heb ik toch een soort verhaal, de omtrek van een plot. Soms weet ik al hoe het eindigt, soms heb ik dat dan ook weer mis.’

En dan?

‘Dan komt het andere deel waaraan ik een hekel heb: beginnen met schrijven. Het is alsof ik die personages rondschuif als een poppenspeler. Ik laat ze iets willekeurigs doen en het is alsof ik mezelf een leugen vertel en mezelf probeer te overtuigen van: hij zou dit kunnen doen, o nee, dat slaat nergens op, dat zou hij echt nóóit doen. Tot het moment komt – dat kan enkele maanden duren, misschien zelfs twee, drie hoofdstukken lang – dat het ineens is alsof de personages uit zichzelf gaan bewegen. Dan…’

Dan?

‘Nou, ik hou bijvoorbeeld zó van het schrijven van dialogen! Ik haat het om dingen te schrijven waarbij je ze van de ene kamer naar de andere moet krijgen. En dan van: niet vergeten dat ze een koffiekopje vasthadden, dus nee, ze kunnen níét beide armen om iemand heen slaan, want ze moeten dat kopje eerst neerzetten! Dat vind ik zó saai.’

Maar dialogen…

‘Als ik bij de dialogen kom, vind ik dat gewoon geweldig, want… ja, ik weet waar het gesprek over zou moeten gaan, ik schrijf de eerste zin, en wanneer iemand moet antwoorden, weet ik wat er moet komen, en daarna, en daarna. Het gebeurt gewoon. En zo komt het dat ik soms helemaal alleen in mijn schrijfkamer zit en hardop moet lachen omdat iemand iets grappigs zegt. Het is niet dat ik dan lach om mijn eigen grappen. Ik weet dat het gek klinkt, maar ik wed dat je andere schrijvers ook wel hebt horen zeggen dat personages tegen ze praten.’

Vindt u het jammer als u aan het eind van het boek komt en uw personages moet verlaten?

‘Ik denk altijd dat het een opluchting zal zijn, maar aan het eind spijt het me toch. Dat gevoel heb ik nooit van me af kunnen schudden. Als ik mijn agent het manuscript stuur, stel ik me mijn personages voor in een trein naar New York. Ik voel dan altijd zo veel medeleven met ze. Ik denk: het zijn niet erg sterke mensen, hoor, gaan ze het wel redden, zo helemaal alleen?’

Komen ze weleens terug? Zoals wanneer iemand net is overleden, dat je die een moment op straat denkt te zien.

‘O ja! Dat gebeurt! Gek, de laatste tijd niet, maar soms: ja!’

En kan dat ook een personage van tientallen jaren geleden zijn?

‘Ze vervagen wel. Soms lijk ik een moederpoes met al mijn kittens: wie was jij ook alweer? Ik heb wel een favoriet, van lang geleden, Ezra uit Dinner at the Homesick Restaurant. Die zit bijvoorbeeld ook in het etablissement waar zich een scène tussen een koppel afspeelt, weet ik dan, maar dat is denk ik te klein voor lezers om op te merken.’

Is het moeilijk om het manuscript uit handen te geven?

‘Ik volg niet wat er over mijn boeken wordt geschreven. De voornaamste reden waarom ik schrijf, is dat ik wil weten hoe het is om je een ander te voelen. Ik leef voor langere tijd het leven van iemand anders en aan het eind  ben ik gelukkig dat ik dat heb kunnen doen, ik was echt even die ander. En ik denk dat het leuk is als andere mensen die ervaring ook hebben. Mag ik u nu wat vragen?’

Er volgt een bombardement aan vragen. Hoe hebben de Nederlanders het tijdens corona? Lijden de mensen onder de maatregelen? Is het niet vreselijk voor jongeren? Ze blijft vragen. Haar belangstelling lijkt wel de reden te zijn geweest om in te gaan op het interviewverzoek. Maar dan moet ze de deur uit. Ze vond het gesprek aangenaam, maar nu gaat ze demonstreren. Voor een betere wereld.

Beeld Prometheus

Wie is Anne Tyler?

Anne Tyler (1941) is een grand old lady van de Amerikaanse literatuur, die sinds haar debuut in 1964 een miljoenenpubliek heeft verworven. Ze schreef meer dan twintig romans, die zich bijna allemaal afspelen in Baltimore. Het zijn geen opzienbarende helden, avonturen of literaire vergezichten die haar belangstelling wekken, maar gewone mensen, alledaagse levens, doorsneegezinnen, die zij uitzonderlijk en exemplarisch weet te maken. Haar ouders waren quakers, ze studeerde Russische letterkunde en interviews gaf ze bijna veertig jaar niet. Haar nieuwe roman Redhead by the Side of the Road is nu in vertaling verschenen.

Anne Tyler: Een rooie aan de kant van de wegUit het Engels vertaald door Peter Abelsen. Prometheus; 216 pagina’s; € 19,99.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden