Ook interessant, en wel hierom Korte boekrecensies

Schrijven over je kat is een knieval maken voor de trivialiteit? Onzin

Een selectie van boeken die deze week zijn verschenen. Met onder meer Maartje Wortel, een spetterende nieuwe vertaling van een fantasyklassieker en een dagboek die de verschrikkingen van de Goelag invoelbaar maakt.

Maartje Wortel wisselt kalme superioriteit af met prietpraat

Schrijf nooit over je kat. Maartje Wortel (1982) zal niet de enige schrijver zijn die dit advies kreeg. Schrijven over je kat is een knieval maken voor de trivialiteit. Onzin natuurlijk, je kunt over alles schrijven, als je het maar goed doet. In Dennie is een star doet Wortel dat, deels. Haar filosofische verkenning van de bindingsangst en ontheemding van haar hoofdpersonage is interessant. Ted voelt zich nergens thuis en stort zich daarom op meisje na meisje. Het aanbidden van kat Dennie moet daar verandering in brengen.

Op elegante wijze toont Wortel hoe religie – ook als je die zelf verzonnen hebt – geborgenheid kan bieden. Maar Wortel laat haar bespiegeling net zo makkelijk ontsporen in iets wat het midden houdt tussen flauwe prietpraat (‘Een rij perfecte tanden maakt me zenuwachtig’) en gekoketteer met eigenaardigheden (angst voor vanille-ijs, een voorliefde voor plakkerige vrouwen – gut wat mal). Toch gaat van het geheel iets soevereins uit. Kalm en superieur de wereld bezien, dat wil Ted van kat Dennie leren. Maartje Wortel doet dat al. 

 Bo van Houwelingen

Inzichten van Rebekka de Wit: niet verrassend, wel dringend

Waardeer je afhankelijkheid. Juist dankzij je verbondenheid met ­anderen kun je misschien je eigen weg vinden – net zoals de Aboriginals, die dankzij de liederen van hun voorouders in de woestijn weten te overleven. Dat is de boodschap die ik oppik uit Afhankelijkheids­verklaring, een dunne, frisse bundel impressies en essays van schrijver en theatermaker Rebekka de Wit. Gelukkig ziet De Wit ook dat sommige liedjes je juist op je plek houden. ­Tegenstrijdigheden mogen er in haar universum zijn.

De inzichten van De Wit zijn dringend, maar niet bijzonder verrassend. Haar originaliteit zit eerder in de manier waarop ze taal aanwendt. Zo portretteert ze een buurman, die ‘met een glimlach waarin het gelijk lag te zonnebaden’ vertelt hoe je de verzekering ­oplicht – zonder ook maar een moment te bedenken dat hij daarmee in feite andere polisbetalers berooft. Buurman is zo iemand die het ‘naïef’ vindt om iets te hopen van je medemens. De Wit wil juist nadrukkelijk haar onbevangenheid behouden. Want: ‘Misschien is cynisme eigenlijk gewoon een beschimmelde vorm van naïviteit.’ 

 Marjan Slob

Enerverende roman van Britse meesterverteller

In Nog zoveel om voor te leven, het tweede deel van een trilogie-in-wording, vervolgt Louis de Bernières het verhaal van Daniel en Rosie. Daniel – zo weten we uit Het stof dat van dromen valt – was tijdens WOI sterpiloot. Rosie trouwde hem nadat haar ware liefde in de loopgraven was gesneuveld. Na de oorlog begint het paar een nieuw bestaan in Ceylon. De weinig innemende Rosie, gedesillusioneerd in een ‘tweede-kans-huwelijk’ gestapt, ontpopt zich tot een steeds killer wezen, vooral nadat een van haar zwangerschappen is geëindigd met een doodgeboren kind. Het stel verhuist op haar initiatief terug naar Engeland. Als daar de onvermijdelijke scheiding volgt, ontzegt Rosie Daniel de toegang tot de kinderen.

De Bernières verweeft de dikwijls uitgesproken enerverende plotverwikkelingen met historische gebeurtenissen. Van tijd tot tijd lopen de personages historische figuren tegen het lijf. In een opmaat naar het slotdeel van de trilogie dient zich anno 1941 voor ­Daniel een missie in bezet Europa aan. Wij zien gretig uit naar wat meesterverteller De Bernières voor hem en ons in petto heeft.

Hans Bouman

Sober getekend en met zelfspot verteld verhaal over de oorlog 

In de Franse stripklassieker Loopgravenoorlog 1914-1918 van Jacques Tardi keken we door de ogen van soldaat Binet naar de slachtpartijen van La Grande Guerre. Nu is het de beurt aan de Tweede Wereldoorlog en volgen we soldaat Videgrain die zijn regiment kwijt is, getekend door Pascal Rabaté. Hij neemt ons mee naar juni 1940, toen Frankrijk onder de voet werd gelopen door het Duitse ­leger. De toepasselijke titel van zijn tweedelige werk is De nederlaag, dat het militaire onvermogen van de Fransen en hun gebrek aan moraal in beeld brengt. Met veel zelfspot laat hij de gecapituleerde Galliërs aan het woord. Als de voortsjokkende soldaten stuiten op vluchtende burgers die hun huisraad op karren hebben geladen, merkt Videgrain op: ‘Frankrijk, land van rijdende matrassen.’

Rabaté brak in 2001 door met Ibicus, de virtuoze bewerking van een roman van Tolstoj. Vergeleken daarmee is De nederlaag heel sober, maar effectief getekend. Rabaté: ‘Ik heb geen stijl, ik zorg gewoon dat de vorm overeenkomt met de inhoud.’ 

 Joost Pollmann

Spetterende nieuwe vertaling van fantasyklassieker Arthur

Het huis van de hedendaagse fantasy is gebouwd op drie fundamenten: de werken van Tolkien, uiteraard, de epische serie Conan de Barbaar van Robert E. Howard én The Once and Future King van T.H. White.

Dat laatste meesterwerk, over ­Koning Arthur, waarvan het eerste deel verscheen in 1938, dreigt soms een beetje weg te zakken in het fantasygeheugen. Daarom is het goed dat Jolande van der Klis, die we vooral kennen als musicoloog, er een spetterende nieuwe vertaling uit heeft getoverd.

De laatste vertaling dateert uit de jaren zestig en kwam van de bekende Nederlandse fantasyvertaler Max Schuchart. Jazeker: White kon een opfrisbeurt gebruiken.

De nieuwe ­Arthur, de koning van eens en ooit leest als een vlot young-adult-avontuur, in bijna huppelende taal. Vooral de dialogen zijn grappig en eren het gevoel voor humor van White. ‘Gaat me niet zozeer om de afstand’, zei Sir Ector, ‘maar om die reus-hoe-heet-ie. Je moet door zijn gebied heen, snap je?’ Ja, zo wil je die ruim achthonderd pagina’s wel herlezen.

Robert van Gijssel  

Mooi geïllustreerde biografie van tragische kunstenaar Wichman

Het leven van beeldend kunstenaar Erich Wichman (1890-1929) was zo raar, tragisch en meeslepend, dat je hem als biograaf zou willen verzinnen. Hij was getalenteerd, mislukt én succesvol. En nog jonggestorven ook. Op zijn 38ste bezweek hij, zoals het een bohemien betaamt, aan een verwaarloosde longontsteking. Hij bewonderde en haatte zijn geleerde vader en liet zich verstikken door zijn moeder, die hem onderhield. Intussen verwekte hij vier kinderen bij twee vrouwen. Hij was lichtgeraakt, altijd dronken, schopte ruzie en ging op de vuist. Hij had eeuwig geldgebrek en dichtte: ‘Tot tranen toe ben ik bekommerd/ Nu kan ik nooit meer naar de lommerd/ Omdat mijn hele inventaris/ Al daar is.’ Hij schreef een pamflet tegen het drinken van melk. Hij bewonderde het Italiaanse modernisme en noemde zich met trots ‘fascist’. Je zou bijna vergeten dat hij goede kunst maakte: landschappen in onwerkelijke kleuren, spookachtige schrikgezichten en kleine, in brons gegoten hoofdjes. Wichman-kenner Frans van Burkom bracht de hele Wichman samen in een mooi geïllustreerd boek. 

 Aleid Truijens

Definitieve, aangrijpende geschiedenis van Joy Division

Het verhaal over de nog altijd zeer invloedrijke post-punkband uit Manchester Joy Division is al vaak verteld. Centraal in stond altijd de tragische zelfmoord van zanger/tekstchrijver Ian Curtis, 18 mei 1980, op een moment dat de band alle beloftes leek in te lossen. Vaak is die dood als onvermijdelijk gezien. De laatste uitweg van een getroebleerde jongeman van 23. De Britse Jon Savage was als popjournalist getuige van de opkomst van Joy Division. Voor de documentaire Joy Division (2007) interviewde hij tientallen betrokkenen. Hun bijdragen heeft hij nu aangevuld en verwerkt tot een oral history die kan worden gekwalificeerd als de definitieve geschiedenis van de band.

Na lezing van dit aangrijpende boek krijg je toch een wat ander beeld van Curtis. Een geestige, bevlogen artiest die ondanks zijn zwaarmoedige teksten en muziek geen tekenen van depressies vertoonde. Verbijsterend is het dat een eerdere zelfmoord­poging, enkele weken voor zijn dood, door niemand als alarmerend werd gezien. Het idee dat Ian Curtis te redden was geweest, doet 38 jaar ­later net zoveel pijn als dat zijn muziek ontroert.

Gijsbert Kamer

Hoe de 14-jarige Dalia de Siberische goelag overleefde

Waarom ze is verbannen, meldt ze niet. In de poolwinter op Trofimovsk, een eiland in de monding van de Lena, lijkt het een onbeduidend detail. De Litouwse Dalia Grinkeviciute begint gewoon te vertellen, vanaf de dag dat haar jeugd ineens voorbij is. Eerst de afgrijselijke treinreis, dan de aankomst op de kale Siberische toendra, waar de bannelingen een onderkomen moeten zien te bouwen, voordat het tien maanden winter wordt. Het is 1941, Dalia is 14 jaar. Nuchter beschrijft ze de honger, de slavenarbeid, de ziekten, de luizen, het verlangen naar vroeger, naar thuis. En overal de bevroren lijken, opgetast als stapels hout.

Dalia overleefde, als door een wonder. Na terugkomst noteerde ze haar herinneringen op losse velletjes, die ze in een weckpot stopte en begroef in de tuin van haar ouderlijk huis in Kaunas. Pas in 1991 kwamen ze bij toeval onder een rozenperk vandaan. Inmiddels is Dalia’s werk verplichte lectuur op Litouwse scholen. Nu is Schaduwen over de toendra voor het eerst – via de Duitse vertaling – in het Nederlands te lezen. Dat werd tijd: zelden werden de verschrikkingen van de goelag zo tastbaar.

Emilia Menkveld

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden