Interview

'Schrijven heeft me vrij gemaakt'

Toen het laatste deel van Mijn strijd erop zat, besloot Karl Ove Knausgård nooit meer te schrijven. Dat blijkt intussen mee te vallen.

Schrijver Karl Ove Knausgaard. Beeld David Sandison

'Daarna nemen we de trein naar Malmö, stappen in de auto en rijden we naar huis, naar ons huis, en die hele rit zal ik genieten, echt genieten, van het idee dat ik geen schrijver meer ben.' (laatste zin uit Vrouw, deel 6 van Mijn Strijd.)

Lijkt het nu alleen maar zo of is de gekweldheid van Karl Ove Knausgård geïnjecteerd met een scheut opgeruimdheid? Bijna vier jaar geleden voltooide de Noorse schrijver het reusachtige romanproject Min Kamp ofwel Mijn Strijd, zes borende en pulserende folianten waarin hij zich opzettelijk geen gelegenheid gunt voor rust of bezinning. Doorgaan, doorgaan, niet omkijken, het hele leven op papier gooien en erop vertrouwen dat zijn tomeloze energie ook op de lezers overslaat en hen tot verslaafden maakt. Na de twaalfhonderd pagina's van het slotdeel was hij uitgeput.

In zo'n ogenschijnlijk lethargische toestand van naweeën trof ik hem drie jaar geleden, in de binnentuin van museum Konsthall in Malmö, op een uur van zijn woonplaats Glemmingebro: moe, met een diepe denkfrons, in de rats omdat zijn oom met een rechtszaak dreigde. Karl Ove zou zijn familie te schande hebben gemaakt door de manier waarop hij in het eerste deel, Vader, over het alcoholisme, de vernederende aftakeling en de macabere dood van die vader had geschreven.

Maar de 46-jarige man die nu in dezelfde binnentuin van de Konsthall in Malmö arriveert, zet het bijna op een huppelen als hij na de begroeting naar het café wenkt. 'Even koffie halen, voor jou ook?' Nonchalant gedragen kostuum, het markante hoofd 'grijzer maar helder'- om te variëren op een dichtregel van Gerrit Kouwenaar. Moeiteloos zou Knausgård kunnen poseren als stoere Viking in een modespecial.

Zonder op of om te kijken naar het nieuwsgierige museumpubliek zet hij de koffie op tafel, sigaret erbij, en steekt van wal: ja, bevestigt hij meteen, hij is van een hoop spanning verlost. En schrijven doet hij nog steeds.
Maar Vrouw sluit af met de verzuchting dat je geen schrijver meer bent. 'Klopt. Maar je kunt verder schrijven, heb ik gemerkt, ook zonder schrijver te zijn. Dat is wat ik doe. Ik heb geen roman meer geschreven, alleen essays en artikelen. Losse dingen. Er komen nu vier boeken uit binnen een jaar.'

Pardon?

'Klein werk hoor, niet meer dan duizend pagina's. Vier boeken met stukken van elk zo'n tweehonderdvijftig pagina's, die telkens door het seizoen zijn geïnspireerd. Herfst is zojuist verschenen, Winter heb ik ook al af, en je kunt wel raden welke twee delen volgend voorjaar verschijnen. Geen verhalen of fictie, maar teksten en beschouwingen. De cyclus draag ik op aan mijn jongste dochtertje Anna, die nu anderhalf jaar is en nog een flink tijdje zal moeten wachten voordat ze het kan lezen. Ze komt er niet in voor, maar het is voor haar. Mijn andere drie kinderen, Vanja die nu 11 is, Heidi die 8 is en John die 6 is, spelen alle drie al een rol in Mijn Strijd. Anna is na de voltooiing daarvan geboren.'

Ik dacht dat je genoeg had van een cyclus schrijven?

Schouderophalend: 'Het ging een beetje vanzelf. Eigenlijk heb ik na Mijn Strijd geen rust genomen. Ik heb elke dag verder gewerkt. Zo gaat het bij mij.'

Een jaar geleden sprak ik je vrouw Linda, ook hier in Malmö. Ze had uitgekeken naar het moment dat je klaar zou zijn met Mijn Strijd en droomde van het leven daarna. Samen reisjes maken.

'Zoiets zei ze, ja. Door Mijn Strijd ben ik van de schrijfkramp bevrijd die ik daarvoor had: het liep weer, het stroomde. Een geschenk voor een schrijver. Daar moest ik mee doorgaan.'

Je hebt ook nog een gezin met vier kinderen.

'Als zij naar school zijn en naar de crèche, dan ga ik aan het werk. Andere vaders gaan naar een kantoor of fabriek. Ik kan thuis blijven. Mijn werk is schrijven.'

Beeld Felix Odell

In Vrouw, zoals deel 6 van Mijn Strijd in de Nederlandse vertaling heet, schrijft Knausgård hoe het publiciteitscircus meteen begon nadat in 2009 deel 1 in Noorwegen was verschenen. 'Dat was wennen', beaamt hij onderkoeld. 'Een roman is iets van mij persoonlijk. Dat blijft het ook na publicatie, want dan wordt een roman elke keer weer door één enkel mens gelezen. Maar zodra de kranten over mij gingen schrijven, werd het intieme vervangen door het openbare. 'Knausgård heeft geen vrienden', las ik in de krant, 'Knausgård schreeuwt tegen zijn kinderen.' 'Knausgård drinkt soms te veel.'

'Daar was ik niet op voorbereid. Ik zit in het vliegtuig van Oslo naar Kopenhagen, naast een jonge vrouw. Zij slaat een tijdschrift open en gaat lezen. Ik kijk mee en schrik: ik zie mezelf. Een groot portretterend interview, met foto's. Heel geduldig, woord voor woord, gaat ze dat verdomde interview zitten lezen. En ze herkende mij niet. Ik keek de hele reis star uit het vliegtuigraampje. Met nekkramp landde ik op Kopenhagen.
'Dát zijn de beschamende momenten. Als ik schrijf, kan ik alles onderzoeken en omwoelen wat schaamte verwekt - dat is juist een teken dat ik iets op het spoor ben. Maar een krantenkop maakt van het persoonlijke iets objectiefs.

'Die laatste zin uit Mijn Strijd is de bevrijding; niet van het schrijven, maar ik wilde van de schrijver van die cyclus af. Hém wilde ik doden.'
Je voert geen strijd meer?

'Wat ik heb geleerd van Mijn Strijd is mijn ambities en hoop niet tot hindernissen laten uitgroeien. Ik wilde in de jaren ervoor zó graag schrijver zijn en was zo bang dat mijn leven niet boeiend genoeg was, dat ik er niet uit kwam. Die frustratie werd het begin van Mijn Strijd; ik ben dan met een boek bezig over mijn vader, die elf jaar daarvoor is gestorven, en ik kom er niet uit.

'Al schrijvende over mijn blokkade kwam ik los. Alles uit mijn leven kon een onderwerp zijn, was toen de ontdekking. Zoals in deel 6: onze kinderen, toen nog drie in getal, hun spelletjes, de bloedneuzen en het gejengel, de bipolaire stoornis van mijn vrouw Linda en mijn zorgen om haar.
'Maar ook mijn immense obsessie met Hitler die ik in Mein Kampf de realiteit soms zie ontvluchten, zodat hij ruimte kon scheppen voor zijn eigen mythologie. Over hem schrijf ik een essay van een pagina of driehonderd, een boek binnen het grote boek.

'Voor sommige lezers is dat misschien een onderbreking van het verhaal, in mijn ogen is het een belangrijk onderdeel. Ik bedoel dit niet als provocatie, maar zowel Hitler als ik blikt terug op de jeugd om te kijken waaruit je persoonlijkheid is opgebouwd.

'En behalve over Hitler heb ik het over God, identiteit, de extremist Anders Breivik, die na zijn aanslagen van juli 2011 in Oslo en op het eiland Utøya ook een gigantisch en manisch manuscript bleek te hebben vervaardigd.'Ik heb het over moraal, het schrijven zelf, tot en met de publicatie van deel 1 van Mijn Strijd en wat dat allemaal teweegbracht bij de lezers, bij de familie en bij mezelf.'

CV KARL OVE KNAUSGÅRD

6 december 1968 geboren in Oslo.
1988-2002 Studeert kunst en letteren aan de universiteit van Bergen, en is een tijd verzorger van gehandicapten.
1998 Ut av verden (roman, Niet van de wereld), prijs van de Noorse critici.
2004 En tid vor alt (roman, Engelen vallen langzaam, vertaling 2010), Sorlandets literatuurprijs.
2009-2011 Min kamp (zes autobiografische romans, Mijn Strijd), deel 1 won de Noorse Brage prijs.
2011 Vertaling van deel 1: Vader
2012 Vertaling van deel 2: Liefde
2013 Vertaling van deel 3: Zoon en deel 4: Nacht (Boek van de maand in DWDD)
2013 Sjelens Amerika- tekster
1996-2013 (essays).
2014 Vertaling van deel 5: Schrijver.

Nieuwe sigaret. En nog een nieuwe koffie halen. Waarna hij de draad weer oppakt.

'Schrijven heeft me vrij gemaakt. Díé strijd is over. Ik schrijf nu zonder die opgeschroefde ambitie. Of die vier delen rond de seizoenen waar ik nu mee bezig ben goed zullen worden gevonden of niet, maakt me niet meer uit. Misschien zullen lezers teleurgesteld zijn dat ze mijn leven niet meer kunnen volgen.

'Twee delen heb ik af, en ze kostten me geen pijn. Dat zou kunnen betekenen dat ze niet zo geslaagd zijn. Want hoe meer pijn het schrijven kost, des te beter de boeken worden, heb ik altijd gedacht. Ik merk het wel.

Je roem strekt zich wereldwijd uit: Nederland, Duitsland, Italië, Australië, Engeland, Amerika. Deel na deel wordt overal in snel tempo vertaald. Honderdduizenden kijken met je mee.

'Het is de truc daar niet aan te denken. En ik bescherm mezelf door geen interviews met mij te lezen, geen recensies van mijn boeken, geen artikelen over mij. Geen televisie, geen radio. Op mijn iPhone lees ik Noorse kranten, en zodra mijn naam in een stuk opduikt, klik ik het weg. Gaat niet over mij. Als ik al die informatie toelaat, zou ik gek worden.

'Als ik schrijf, begeef ik me naar een gezegende plek waar ik me onbespied waan. Daarom heb ik die plek nodig. Daarom blijf ik er naar teruggaan.'

Je komt je huis niet uit?

'In het plaatsje waar ik woon met driehonderd anderen is niks, dus ik kan mijn huis met een gerust hart uit. Soms ben ik in een stad, voor een festival of literaire avond. Overdag gaat dat wel. Mensen begroeten me vriendelijk. 's Avonds uitgaan is niet zo leuk meer, dan kunnen ze agressief worden of hinderlijk mededeelzaam - ze willen me graag over hún persoonlijke strijd vertellen, en over hun eigen huwelijk en de ervaringen uit hun jeugd. Ja, en dan kan ik niet zeggen dat ik genoeg heb aan mijn strijd en niet in de hunne geïnteresseerd ben. Dus ik luister.' Glimlacht: 'En zwijg vooral.'

Verstrek je nog adviezen?

'O nee. Het is al vreemd genoeg allemaal; van huis uit ben ik verlegen en ik ken die situaties niet waarin mensen je zomaar beginnen te vertellen over hun privéleven. Ik beschouw het maar als een compliment. Kennelijk zijn ze aangesproken door mijn boeken, ze hebben er een persoonlijke verhouding mee. Elke dag krijg ik brieven, die ik lees, maar ik kan er niet aan beginnen ze te beantwoorden.'

Een passage uit Vrouw: 'Als ik op het toneel met het publiek zit te praten, is de afstand groot. Daar kan ik mee omgaan en dan kan ik openhartig en hartelijk zijn. Als ik daarna samen met de organisatoren aan een tafel zit te eten, is de afstand tot hen klein, maar die in mezelf groot. Dan zeg ik niets en maak ik een tamelijk afwijzende en kille indruk, zeker niet hartelijk en openhartig zoals vlak daarvoor op het podium. Het is net alsof het nu ik een naam krijg, mogelijk wordt zo te zijn als ik eigenlijk ben of me voel, maar alleen in geënsceneerde situaties, niet in het normale, sociale verkeer. Daarom voel ik me daarna zo vals, hoewel ik eigenlijk meer mezelf ben geweest.'

'Optreden voor een zaal gaat vaak goed, want het publiek luistert en je hoeft je niet met hen te verstaan. Schrijven en optreden, dat lukt omdat er voor allebei geen interactie nodig is. Maar daarna vind ik het moeilijk, als ik met andere mensen moet praten. Adolf Hitler had volgens mij hetzelfde: die kon een volle zaal toespreken, maar had moeite met een persoonlijk gesprek.'

Zie je mensen vaak denken: die Knausgård schrijft boeken vol over zijn leven en praat een avond op het toneel, maar na afloop aan de bar komt er geen stom woord uit?

'Altijd. En dan denken ze dat ik een arrogante kwast ben of geen belangstelling heb voor anderen. Het is exact het omgekeerde; het kan me veel schelen, ik zie en voel alles, maar het blijft voor mij ingewikkeld om mezelf in een klein gezelschap aan de praat te krijgen.

'Wanneer je schrijft, of de geest krijgt tijdens een optreden, kun je tot in het extreme denken en praten. Maar in een doorsneeconversatie met een willekeurig iemand gaat het er helemaal niet om dat je iets briljants zegt, maar uitsluitend om het samenzijn. De waarheid heeft geen plaats in een sociale setting.

'Acteren, dat is het. Als mensen bij elkaar zijn voor de gezelligheid, acteren ze allemaal, terwijl ze denken volkomen naturel te zijn. Zo hoort het ook, hoor. Stel je voor dat iedereen de hele dag hardop zegt wat hij denkt, dan zou de hel losbarsten. Om een samenleving leefbaar te houden, is acteren noodzaak.

'Maar als ik schrijf, probeer ik juist niet te acteren - van deel 6 heb ik aanvankelijk de eerste tweehonderd pagina's weggegooid toen ik ineens in de gaten kreeg dat ik te zelfbewust bezig was en de effecten van wat ik schreef zat te calculeren. Het was nep. Ik ben helemaal opnieuw begonnen.'

Bij de effecten hoort ook die oom, een broer van je vader, die in de publiciteit kwam omdat hij zei dat je vader helemaal geen alcoholist was, en die jouw boek wilde laten verbieden. Dat zet jou aan het denken of je de rauwe werkelijkheid hebt beschreven of dat het jouw interpretatie was.

'Mijn vader was leraar. Ik heb veel collega's van hem gesproken. Zij gaven een totaal ander beeld van mijn vader. Dat kan betekenen dat hij buitenshuis een ander was dan binnenshuis, en dat zou me niet verbazen. Die informatie heeft mij niet aan het twijfelen gebracht. Mijn Strijd is uiterst subjectief. Het beschrijft het leven, dat wil zeggen hoe ik de dingen bekeek, toen ik 40 jaar was.

'Nu ik 46 ben, merk ik dat ik al anders, milder denk over mijn vader. Ik begrijp hem beter. En ik realiseer me dit: als ik een minder gevoelig kind was geweest, zou de strenge en beangstigende manier waarop mijn vader mij heeft behandeld misschien in orde zijn geweest en had ik er later geen problemen mee gehad.

'Er bestaat geen objectieve, echte jeugd. Het hangt van zo veel factoren af hoe je die tijd beleeft, en hoe je er op terugkijkt, en ook dat kan voortdurend veranderen. Als mijn oudere broer Yngve een boek over mijn vader had geschreven, denk ik overigens dat het er daarin nog veel harder aan toe was gegaan. Terwijl hij met dezelfde feiten te maken had als ik, en hij samen met mij na mijn vaders dood diens volkomen vervuilde huis heeft schoongemaakt.'

Wat is de kern van jouw strijd?

'Ik wil de scheidslijn tussen literatuur en leven opheffen. Ik heb mezelf altijd verscholen in literatuur. Toen ik een kind was, las ik veel, alleen om mijn eigen wereld te hebben. Toen ik begon te schrijven, was dat vanwege hetzelfde doel. Een vlucht voor het leven. Ik had niet het gevoel te leven, zélf te leven, maar vooral te doen wat anderen van mij verwachtten.'In Mijn Strijd wilde ik me van dat gevoel verlossen, en mezelf laten zien. Door te schrijven over álles. Ik wilde de literatuur uit, en het leven in. Dat was de missie. Dat bedoel ik met die laatste zin van deel 6, waar ik in feite de hele cyclus naartoe schrijf; ik verlaat het boek, en rijd nu het leven in.' Ironische blik.

'Zo is het niet precies in zijn werk gegaan. Dat weet je. Maar dat was mijn intentie.'

In het Noors heten de delen gewoon Boek Een tot en met Boek Zes. In Nederland hebben alle delen een ondertitel: Vader, Liefde, Zoon, Nacht, Schrijver.

'Dat heb ik gezien. Uitgeverij De Geus is daar vrij in.'

Deel 6 heet bij ons Vrouw.

'Ach. Dat hoor ik nu voor het eerst.'

Ben je het eens met die overkoepelende titel?

'Daar kan ik me iets bij voorstellen. Toen Linda's vader stierf en ze naar Stockholm moest om de begrafenis en de nalatenschap te regelen, stond ik haar niet bij in haar rouw. Ik zorgde thuis voor de kinderen, maar zat daar in hoofdzaak te schrijven. Namelijk over de dood van mijn eigen vader, elf jaar eerder, waar ik nog steeds vol van was.

'Over de consequenties van het schrijven gaat dit laatste deel ook. De titel Vrouw kan ik begrijpen. Het is ook een onderstreping van de consequenties voor Linda. Ik heb bewondering voor haar, ook voor de geweldige roman die zij over haar vader heeft geschreven, Helioskatastrofen.

Beeld Felix Odell

Jouw Strijd telt 3.828 pagina's, Linda's roman De val van de Helios telt 100 pagina's.

'Naast elkaar gezet in de boekenkast zijn onze oeuvres verschillend. Linda schrijft anders; heel weinig, maar aan wat ze eenmaal heeft genoteerd, hoeft ze nooit meer iets te veranderen. Ik zie haar als een dichter. Waar ik honderd pagina's nodig heb om iets te vertellen, heeft zij aan een paragraaf genoeg.

'Veel van mijn favoriete boeken zijn dun. Maar zelf ben ik een echte romanschrijver. Zelfs mijn korte teksten zijn lang. Compact schrijven lukt me eenvoudig niet.'

Is het voorstelbaar dat je over twintig jaar een nieuwe reeks opzet, waarin je je toekomstige inzichten confronteert met die van deze cyclus?

'Mijn Strijd deel 7 bedoel je, en verder? Hm. Een paar jaar geleden had je me dit niet moeten vragen, maar nu zeg ik: ja, daar kan ik me iets bij voorstellen.' Brede grijns: 'Just for fun.'

Karl Ove Knausgård die op zijn 70ste schrijft over zijn leven. Woon je dan met Linda in Stockholm?

'Dat zou goed kunnen. Ik denk dat Linda uiteindelijk graag naar Stockholm wil. Weg uit Glemmingebro, hoe prettig dat nu ook is voor onze kinderen.'

Eindelijk oud en wijs geworden.

'Dat betwijfel ik nu al.'

En dan kom je, net als August Strindberg in 1912, op een avond je werkkamer uit en het balkon op, om te wuiven naar de duizendkoppige menigte fans.'Gruwelijk vooruitzicht! Nee, dat zal nooit gebeuren. Als ik al op het balkon verschijn, dan zou het zijn om me er van af te gooien. Om me van alles en iedereen te ontdoen.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.