Schrijnende verlichting L.H. Wieners zelfkastijding lijkt af te nemen

Liet men in voorgaande jaren in enig gezelschap de naam Wiener vallen, dan bleef het doorgaans pijnlijk stil, daar zijn verhalen (kralen, parels soms, aan een ketting van levensberichten, door hem zelf als 'fictionele autobiografie' aangemerkt) altijd een schrikbarend klein publiek hebben bereikt, een onverdiende straf die de schuwe schrijver...

En bij het overlezen van de briefwisseling met G.A. van Oorschot noemt hij die tweede uitgever dierbaar, wat hij pas kan zeggen nu hij zelf is veranderd: 'Op mijn éénentwintigste, toen ons contact een aanvang nam, was ik beleefd, verlegen en weifelmoedig, maar tegelijkertijd was ik arrogant, zelfverzekerd en vol van geldingsdrang; een gespletenheid die nog decennialang zou aanhouden en mij in mijzelf gevangen houden zou: geen gedachte zonder bijgedachte, geen glimlach zonder wantrouwen, geen handdruk zonder vuist in de andere en zo gedegen ingedekt tegen arglist en verraad, dat iedere toenaderingspoging in de kiem werd gesmoord.'

Van Oorschot zette Wieners eerste verhaal in het tijdschrift Tirade, vroeg de jonge auteur herhaaldelijk eens langs te komen, probeerde hem te stimuleren en gaf een paar boeken van hem uit. Al was hij niet de meest tactvolle persoonlijkheid, hém viel niet eens veel te verwijten; het is, zo kort na de publicatie van de brieven die Van Oorschot aan W.F. Hermans schreef, een opvallend gelijkluidende vaststelling. Mocht Geert de makkelijkste niet zijn, met die schrijvers van hem had hij ook heel wat te stellen. Wiener durft hem jarenlang niet te tutoyeren, is overrompeld als de uitgever plompverloren op een zondagmiddag in 1971 zijn vesting binnenstormt, en als de schrijver een jaar later boven een brief in een jolige bui 'Beste Oom Bert' pent, schaamt hij zich dood als de uitgever terugschrijft: 'P.S. Ik begrijp de humor niet van de aanhef van je brief ''Beste Oom Bert''. Het is hoogstwaarschijnlijk erg stom, dat ik het niet begreep, maar ik zou hierover wel graag enige opheldering hebben.' Op een zeker moment ruimt Van Oorschot een oude Wiener-titel op, en reageert niet op diens aanbod een nieuwe uit te brengen.

Het brievenboekje is een voetnoot die mooi aansluit bij De verhalen, waarvan vele immers oorspronkelijk door Van Oorschot zijn gepubliceerd.

Alle thema's en motieven die Wieners werk doortrekken, kwamen samen in Nestor. Voor menigeen zal het een ontdekking zijn vast te stellen met welk een stalen discipline de schrijver deze triomf in de voorliggende jaren heeft 'voorbereid'. Bovendien kan iedereen hierdoor kennis nemen van de debuutbundel Seizoenarbeid (1967) die, lang voordat de schrijver twijfels kreeg over deze 'vingeroefeningen', uit de handel was genomen ten gevolge van een onverkwikkelijke rechtszaak.

Welkome herkansing! In het gewraakte verhaal 'Jansen', over de 19-jarige 'Henri' die in de zomer als liftbediende werkt in een Zandvoortse uitzichttoren met lunchroom bovenin, moet de overspelige en crypto-antisemitische directeur Jansen het ontgelden, maar de suspense van dit verhaal omvat ook de onberekenbare verteller. Juist doordat we de latere Wiener kennen, krijgen we oog voor de jongen, die het oorlogstrauma van zijn ouders op de tere schouders torst, en die in de minste achterbaksheid van types uit zijn omgeving een reden ziet het contact met geweld om zeep te helpen. In het titelverhaal uit Duivels jagen (1968) valt de 'ik', als jong maatje zonder maatjes werkzaam bij de Hoogovens, een nietsvermoedende Duitse kapitein op een ertstanker aan.

Wiener heeft gelijk: deze vroege verhalen horen erbij. De latere, over zijn jeugd ('Paranoia judaica'), de schuchtere toenadering tot de Zandvoortse klasgenote Patricia , de memorabele ontmoeting tussen de prille auteur en zijn onbenaderbare idool F. Bordewijk, de buitengewoon lelijke vrouw die uitgerekend hém in 1975 in de Universiteitsbibliotheek van Amsterdam dreigend begint toe te spreken , de mooie Antilliaanse scholiere Regina, die jaren later met hem naar huis wil, alwaar hij erachter komt dat ze syfilis heeft - ál die verhalen zijn de bouwstenen van een hecht oeuvre.

Hééft Lodewijk eindelijk een speelkameraad, smijt die onbetrouwbare Gerhard uit drieste speelsheid zomaar een aantal eieren uit een valkennest kapot. Als je van huis uit al geen aanleg hebt voor misantropie, dan word die je in de leerschool des levens wel vakbekwaam bijgebracht.

De schrijver maakt er wat van, zonder sentimentaliteit, meedogenloos ook voor zichzelf, en gewapend door ironie die voor een speciaal soort schrijnende verlichting zorgt. Schooljongen Lodewijk zit met zijn hand klem tussen de deur. Juf Bolman ziet dat niet, en trekt de deur een paar keer hard dicht: 'Ik was niet boos op haar; ze kon er niets aan doen. Toch werd ze kort na het incident ziek.'

'In het voorjaar van 1957 - ik was toen twaalf - bezat ik kennelijk nog de wijsheid van een Simon Carmiggelt, want ik was er in die tijd van overtuigd dat de mensen best aardig waren.'

Ondanks alles heeft een aantal aardige mensen L.H. Wiener de Bordewijkprijs toegekend. Zal hij op 12 december in Den Haag werkelijk een dánkwoord uitspreken? Dan is er zoveel in zijn wereldbeeld verschoven dat we ons oprecht zorgen dienen te maken. Hij blijft toch hopelijk wel als vanouds doorschrijven? Denkt erom, straks in de hofstad: tijdens de feestelijkheden zal toch íemand wel een foute opmerking aan zijn adres maken? Wiener en zijn lezers rekenen er vast op.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden