School van Barbizon bestaat alleen voor toeristen

Al eeuwenlang zoeken kunstenaars elkaars gezelschap. Ze zonderen zich en groupe af om gestalte te geven aan een alternatief voor de burgermaatschappij....

Zoals de reputatie van de Beaujolais nouveau op niets anders berust dan op een betrekkelijk ordinaire marketingstrategie, zo is ook de faam van de Ecole de Barbizon het product van stemmingmakerij - van positionering, zoals dat genoemd wordt. Je neemt de markt, en je hakt er een gat in.

Hoe zorg je ervoor dat ondrinkbare wijn, die men vroeger gewoon in de sloot liet lopen, verandert in een respectabel artikel? Door er een soort jaarlijks festival van te maken, met vlaggetjes en andere onzin, en het publiek (vooral het Nederlandse) wijs te maken dat het hier een superieure delicatesse betreft die in grote hoeveelheden naar binnen moet worden gewerkt.

Hoe zorg je ervoor dat je met een nogal gevarieerde en rommelige club landschapsschilders beter aan de weg kunt timmeren? Door dat gezelschap te promoveren tot een school, door te suggereren dat die school volkomen uniek was, en door een boek te schrijven onder de titel The Barbizon School of Painters.

Dat laatste deed de Londense kunsthandelaar David Croal Thomson, in 1890. Naar verluidt was zijn boek zo'n succes, dat hij van de royalties een landhuis heeft gekocht. En, zoals later zou blijken in de officiële kunstgeschiedenis: de term raakte dusdanig ingeburgerd, dat hij niet meer is weg te krijgen - ondanks het feit dat er nooit zoiets als een School van Barbizon heeft bestaan.

Het is allemaal vooral te danken aan de cholerabacil. Als in de zomer van 1849 in Parijs een cholera-epidemie uitbreekt, besluiten twee kunstenaars, Jean-François Millet en Charles Jacque, de stad te ontvluchten. Ze komen terecht in het gehucht Barbizon, aan de rand van het woud van Fontainebleau, zo'n zestig kilometer van de hoofdstad. Een collega, Théodore Rousseau, verblijft op dat moment al twee jaar in het dorp. Later zullen ook Charles-François Daubigny en Camille Corot, die tot dan toe vooral het landschap van de Morvan en van Bretagne hebben vastgelegd, en nog een paar anderen voor kortere of langere tijd in Barbizon neerstrijken.

Anders dan zoals het vaak wordt voorgesteld, ontketent hun aanwezigheid in Barbizon geen artistieke revolutie. Er worden geen schilderijen gemaakt die niet ook elders gemaakt zouden kunnen zijn, en de suggestie dat het Franse landschap voor het eerst in de bossen en akkers rondom Barbizon zou zijn ontdekt ('de geboorte van het realisme'), is onhoudbaar. De werkelijke revolutie begint veel vroeger, al in de jaren twintig van de negentiende eeuw, en gaat in de eerste plaats terug op het werk van John Constable, de Engelsman die al in 1826 op de Parijse Salon wordt geïntroduceerd.

Maar met vier makelaars in onroerende goederen, honderdtwintig hotelkamers, achttien restaurants, een garagist die het merk Porsche vertegenwoordigt, en een Musée Municipal de l'école de Barbizon is het dorp er alles aan gelegen om de illusies in stand te houden. Het Mekka van de schilderkunst, zoals de gebroeders Goncourt het wat ironisch hebben genoemd, laat niet na de bezoeker ervan te doordringen dat het de wereld definitief van gedaante en kleur heeft veranderd. Het is de veelheid, die het schriele van de boodschap moet maskeren.

Het museum is gevestigd in de voormalige Auberge Ganne, genoemd naar het echtpaar dat halverwege de vorige eeuw diverse kunstenaars, merendeels arme sloebers, onderdak heeft gegeven. Te zeggen dat je er in vijf minuten doorheen loopt, is misschien oneerbiedig, maar zes minuten is overdreven. De collectie is van tweede of derde garnituur, de sfeer is die van een Twentse oudheidkamer waar dorsvlegels en vlashamers worden bewaard. Het museum moet het hebben van zijn documenten, de boekhouding van de herberg - alleen daar is nog terug te lezen wie er hebben gelogeerd: traditionele, academische kunstenaars als Thomas Couture en Jean-Léon Gérome, de karikaturist Honoré Daumier, de Engelse impressionist Alfred Sisley, de componist Camille Saint-Saëns, de schrijver en bohémien Jean-Marie Villiers de l'Isle-Adam.

Een gemengd gezelschap, met andere woorden. De vraag in hoeverre men zich met elkaar verbonden heeft gevoeld, en of er sprake is geweest van een kolonie van geestverwanten die welbewust het Parijse, grootstedelijke kunstleven de rug hadden toegekeerd, is moeilijk op een ondubbelzinnige manier te bevestigen. Barbizon is niet een kolonie zoals het latere Worpswede in Duitsland, het Gooise Laren of het Amerikaanse Concord. Het is meer als het Engelse St. Ives: een dorp dat door zijn aantrekkelijke geografische ligging een aantal generaties lang uiteenlopende figuren het kalme isolement heeft verschaft om ongestoord te kunnen werken.

De charme van Barbizon, schreven de gebroeders Goncourt in hun dagboek, 'c'est l'impossibilité de dépenser son temps et son argent' - het was er niet mogelijk tijd en geld te verknoeien.

Die situatie is ruim een eeuw later drastisch veranderd. Barbizon is een synoniem geworden voor dure restaurants die aan de buitenkant de schijn proberen op te houden, maar die al met hun wijnkaart door de mand vallen. Voor galeries en kunsthandels waar landschapjes, zonsondergangen en in brons gegoten narigheid wordt verkocht. Voor gelooide types die met hun haar in een elastiekje op luide toon in het café zitten te discussiëren over niks.

Er zit op zijn minst een proefschrift in. Een proefschrift over Frankrijk: over hoe een hameau bij toeval door een aantal in hun tijd miskende kunstenaars werd ontdekt, over de manier waarop het dorp langzamerhand veranderde van een symbool in een mythe, en over de vorm waarin die mythe wordt bewaard nadat zij het object is geworden van die massale vorm van verveling die toerisme heet.

Want als bedevaartsoord is het door de tijd achterhaald: niets is er nog te zien. Al in 1878 noemde de Schotse schrijver Robert Louis Stevenson het dorp 'the most unfashionable spot in Europe', en sedertdien zijn er geen redenen geweest om dat oordeel te herzien.

Voor de vertegenwoordigers van de Barbizonse schilderkunst moet men naar het Louvre, naar het Musée d'Orsay, naar Londen, naar Washington, naar Chicago. In Barbizon zelf is onder meer een permanente expositie te zien van een zich François Féderlé noemende artiest, die in olie op doek binnenplaatsjes vereeuwigt met begonia's, nostalgische straatgezichten met een incorrect weergegeven Citroën traction avant, of een terras - opnieuw met begonia's - met plastic tuinstoelen. Dat laatste mag een onbedoelde artistieke vernieuwing worden genoemd.

In het bos, in het woud van Fontainebleau, niet ver van de Chemin des vaches, bevindt zich een rotsblok waarop in een bronzen medaillon de koppen van Théodore Rousseau en Jean-François Millet zijn aangebracht - de Marx en Engels van de School van Barbizon.

Maar je had even goed een ander woud en een ander stuk rots kunnen kiezen.

Melchior de Wolff

Dit is de derde aflevering in een serie die deze zomer op dinsdagen en zaterdagen wordt gepubliceerd. Eerdere afleveringen verschenen vanaf 11 juli.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden