Schitterende staartstukken

In Het feest van Saturnus beschrijft Piet Gerbrandy de duizendjarige geschiedenis van de Latijnse letteren. Geen saaie historie, maar opwindende lectuur....

Ook in een literatuurgeschiedenis leidt de consequentheid naar de dood of de duivel van de saaiheid. Er zijn veel saaie literatuurgeschiedenissen. Er is op zijn minst een afwisselende stijl nodig, maar nog meer: verschillende vormen van benadering van literaire werken.

De schrijver van een literatuurgeschiedenis moet een virtuoos op meerdere instrumenten zijn, verschillende personen in zich hebben. Enkelvoudigheid verdoemt hem. Piet Gerbrandy is een hoogst originele dichter, hij is poëziecriticus (de twee kunnen niet buiten elkaar, natuurlijk), hij is essayist, classicus van zijn vak, schrijver over die oudere literatuur, vertaler – en dat vooral van De opleiding tot redenaar van Quintilianus, een onuitputtelijk handboek. Misschien moet eraan toegevoegd worden, dat Gerbrandy over werkkracht en uithoudingsvermogen beschikt.

Hij heeft nu een geschiedenis van de literatuur van het heidense Rome gepubliceerd en al zijn genoemde kwalificaties werken hier samen. Het feest van Saturnus, zoals het boek heet, is dan ook een verre van eenzijdig werk, eentonig (en dat letterlijk) is het evenmin, het is zelfs nogal eens opwindend. En, het belangrijkste, de auteur beheerst de grote kunst van het citeren. (Het moet mogelijk zijn van het boek alleen de citaten te lezen; de Latijnse literatuur wordt dan wel rijker dan ze al is.)

De heidense Latijnse literatuur (de oudchristelijke, met grootheden als Tertullianus, Ambrosius en Augustinus, blijft buiten het boek) heeft de leeftijd van duizend jaar gehaald. Er is een duister begin en er is een zich traag voltooiend einde. Misschien is er zelden moeilijker afscheid genomen van een cultuur. Het donkere begin wordt snel verlaten: de Latijnse literatuur kent geen traag groeiproces. De afstand tussen het vroegste werk en het geboortejaar van Cicero (de eerste heel grote) is maar zo’n anderhalve eeuw. De taal heeft er niet lang over gedaan volwaardig literair te worden, in staat ook tot verwoording van de filosofie.

Er is bij mijn weten geen ander voorbeeld van een taal en een literatuur die zo snel klassiek is geworden. We zijn dus snel bij twee hoogtepunten: het werk van Cicero en dat van de dichter Lucretius. En we zijn hen nog maar net voorbij of we zijn in het tijdvak van Augustus, met Livius, Vergilius, Horatius, Ovidius. Hoeveel literaturen krijgen vier zulke grootheden zo dicht bij elkaar?

De perioden van de Romeinse geschiedenis vormen de structuur van het boek. Elk hoofdstuk begint met een historische en literair-historische inleiding, waarna de literaire geschiedenis als een van schrijvers en werken begint. Een andere samenhang dan het raam van de geschiedenis is niet te geven: bijna alle schrijvers zijn individuen, kleine of grote zelfstandigen. En die laten zich vaak ook niet helemaal beschrijven, want de Latijnse literatuur is een soort Forum Romanum: veel stukken en brokken en gaten.

De geschiedenis van schrijvers en werken wordt dus een opeenvolging van karakteristieken. Onvermijdelijk, maar gelukkig, want daarin is Gerbrandy vaak een meester. Ligt voor de lezer bij Vergilius onvermijdelijk het waas van Gerbrandys afkeer van de Aeneis over de tekst, bij Horatius is alles op een schitterende manier helder.

De paragraaf over deze dichter is een van de hoogtepunten: de classicus spreekt, maar ook de grote poëziekenner, de criticus al evenzeer. De paragraaf handelt zowel over Horatius en diens werk als over poëzie in het algemeen (voor het laatste de uitstekende tekst onder het kopje ‘Monolieten en metrisch geouwehoer’).

Naast dit kleine monument van literaire geschiedschrijving valt de paragraaf over Ovidius wat tegen. De eigen kwaliteiten van de poëzie van deze Aafjes (of op hoger plan Auden) van de Latijnse literatuur, onvermoeibare virtuoos als hij is, worden niet scherp zichtbaar.

De kracht van de karakteristieken is dat het wetenschappelijke, het literaire en het persoonlijke vaak samengaan. In een ander hoogtepunt, de paragraaf over de geschiedschrijver Tacitus (die ik mij altijd als een strenge jezuïet heb voorgesteld) krijgen we de ‘neutrale’ informatie, maar er staat ook deze persoonlijke beschrijving in, een van de fijnste stukken uit het boek:

‘Het proza van Tacitus grijpt je bij je strot, dwingt je stelling te nemen in onmogelijke dilemma’s, vervult je met het besef dat niet alleen geen mens deugt, maar dat je zelf ook voortdurend vuile handen maakt. Moralisme is vrijwel geen enkele Romeinse schrijver vreemd, maar alleen Tacitus slaagt erin je zijn obsessies en frustraties zo op te dringen dat je je medeplichtig gaat voelen.’

Het fragment kan al duidelijk maken dat Gerbrandy, als in alles wat hij schrijft, de gewone taal zeggingskracht geeft. Hij is ook vrij onomwonden, kent geen fraaie omwegen en tracht nooit met literatuur op literatuur te reageren.

Als in veel literatuurgeschiedenissen kennen de hoofdstukken een staartstuk. Daar worden al of niet beknopt de kleinere behandeld, een ondankbaar werk dat Gerbrandy evenwel vaak schitterend verricht, mede door de keuze van citaten, die kleinere dichters even groot maken. Vooral in de ‘eindtijd’ zijn heel mooie voorbeelden te vinden. Met vaak scherp en kort commentaar. In het vijfde hoofdstuk verschijnt even de dichter Pentadius. Hij schreef een nogal kunstmatig – maar welke superieure kunstmatigheid – gedicht over Narcissus. Gerbrandy citeert het in het Latijn en in vertaling en verstoort dan meteen het kleine geluk van de wat decadente lezer met de norse opmerking: ‘De woorden zijn even verliefd op elkaar als Narcissus op zichzelf. Dit is inteelt in taal.’ Soms houdt hij meer van boren dan van vijlen.

Na het derde hoofdstuk, over het tijdvak van Augustus, handhaaft zich het vierde, over de vroege keizertijd, helemaal. Er dienen zich ook niet de kleinsten aan en zij krijgen uitstekende karakteristieken. De top is wel het portret dat geschreven wordt van de ijdele Seneca, een theatrale man, een poseur ook. Heel goede paragrafen heeft het hoofdstuk over Petronius, Statius en vooral Lucanus. Twee fragmenten uit de briefwisseling tussen Plinius Major en keizer Trajanus sluiten het hoofdstuk af, althans Gerbrandy kan het niet laten het laatste woord te nemen, dit: ‘Dat de christenen binnen twee eeuwen de tent zouden overnemen, konden Plinius en Trajanus niet vermoeden.’ Een baksteen is geen mededeling.

Van de algemene inleidingen is die bij het vijfde hoofdstuk de beste, de best geschrevene ook. Even wordt iets van een 18de eeuw in de Romeinse jaartelling zichtbaar. Het hoofdstuk begint heel mooi:

‘Toen keizer Hadrianus (die levensgezel van Yourcenar, F.) op sterven lag, velde hij nog snel even een paar doodvonnissen en schreef hij het volgende gedichtje (volgt de Latijnse tekst); dit is de vertaling: ‘Mijn lief, mijn vluchtig zieltje,/ mijn lijfs logee en makkertje,/ naar welke plekjes trek je nu,/ zo star, zo bloot, zo bleekjes/ waar blijven toch je grapjes?’ Er volgt een verhelderend commentaar op dit kunstvogeltje.

Het voorlaatste stuk heeft Boëthius als indrukwekkende hoofdfiguur. Zijn troost had het boek mogen besluiten. Maar na de geestelijke verfijning van de filosoof moeten we nog een stukje lezen: ‘Baarlijke nonsens. De grammatica van Virgilius Maro’. Vooruit maar. Een geschiedenis moet af zijn. En Virgilius levert Gerbrandy een mooie eindtekst. Hij citeert het slot van diens Epitomae:

‘Deze uittreksels uit de boeken van voorvaderlijke wetten heb ik bij jullie, vrienden en leerlingen, geïntroduceerd, tot nut en heil van alle lezers. Moge het volstaan.’

Het volstaat. De saturnalia zijn een literair, wetenschappelijk en historisch feest geworden, een feest ook met zware consequenties: lezen. Er is veel vertaald in het Nederlands. Dat alles staat nu in een context.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden