Schitterend en ongelooflijk

De elites wrongen zich in de Oudheid in bochten om glazen voorwerpen te bemachtigen. Terecht, zo toont een expositie sinds deze week in Leiden.Door Eric Hendriks..

Je zou zweren dat het diepblauwe flesje uit het oude Egypte aardewerk is, maar het is van glas. Om het te maken moest je eerst het blauwe glas laten uitharden, waarna je daaroverheen witte, gele en lichtblauwe glasdraden kon trekken – ter versiering. En niks glasblazen, dat was er in die tijd nog lang niet bij.

‘Je staat wel verbijsterd te kijken als je dit ziet’, zegt Ruurd Halbertsma, conservator van het Rijksmuseum van Oudheden in Leiden. ‘Dit is een ontzettend moeilijke techniek. Met uiterst fijne kammetjes moest je die draden trekken. In de moderne tijd hebben ze geprobeerd zoiets na te maken. Is niet gelukt.’

Halbertsma is samensteller van de expositie Schitterend glas, waar het blauwe flesje – drieënhalf duizend jaar oud – te zien is. Samen met nog 450 andere glazen voorwerpen, die een beeld geven van glasproductie en -gebruik in het oude Egypte, Griekenland en het Romeinse Rijk, inclusief Heerlen.

In die stad werden in 1920 tussen Romeinse grafgiften uit de 2de eeuw na Christus twee glazen flesjes gevonden in de vorm van blauwgroen glanzende druiventrossen, bedekt met noppen die sprekend op druiven lijken.

Zand, soda en kalk

Het blauwe flesje en de druiventrossen markeren begin en eind van de antieke glasbewerking. Het voorspel daarvan duurde millennia en was weinig spectaculair. Van zand, soda en kalk kun je glas maken en met diverse metalen kun je dit kleuren, wisten ze al in 5000 voor Christus, maar veel meer dan wat kralen bakten ze er niet van.

Totdat rond 1500 voor Christus in Mesopotamië de eerste gesloten vormen opdoken, flesjes dus, bijvoorbeeld om welriekende oliën in te bewaren. In 1458 rukte farao Toetmoses III op naar het Tweestromenland en nam van daaruit deze glasbewerkingstechniek mee naar huis, waar die in de eeuwen erna zeer werd verfijnd.

Maar hoe kreeg je zulke mooie, holle vormen zonder te blazen?

De werkwijze hiervoor heet kerntechniek. Van klei, stro en wat mest werd – om een metalen staaf heen – de vorm gekneed die het holle voorwerp moest aannemen. Daaroverheen werd gesmolten glas gewikkeld. (Of de kern werd in vloeibaar glas ondergedompeld, daarover zijn de geleerden het niet zo eens).

Steeds weer werd het glas verhit en uitgerold totdat het gladde oppervlak van het flesje ontstond. Wanneer dit definitief was uitgehard, werden met pincetjes of kammetjes de versieringen van glasdraden getrokken. Voetjes en oortjes werden apart aangezet. Als het voorwerp klaar was, werd de staaf eruit getrokken en de kern van klei eruit geschraapt.

‘Je was zeker een dag bezig voor één zo’n klein flesje’, zegt Halbertsma. ‘Die voorwerpen waren dus erg kostbaar en daardoor alleen voor de elite. Ze werden ook wel als geschenken gebruikt in het diplomatieke verkeer.

‘Maar met de kerntechniek kun je alleen maar kleine flesjes maken. Er ontstond behoefte aan grotere voorwerpen. De methode daarvoor kwam vanaf 300 voor Christus in gebruik.’

Al eerder was geëxperimenteerd met het gieten van glas in mallen. Maar gesmolten glas is nogal taai en laat zich – anders dan vloeibaar metaal – niet makkelijk in alle hoekjes en spleetjes van een mal dwingen. Dat lukte wél toen een contramal werd gebruikt, waarmee het taaie glas met geweld overal de mal in kon worden gedrukt. Zo ontstond – in Alexandrië het eerst – vormgeperst glas, vooral geschikt voor schalen.

Halbertsma: ‘Ook dat persen was een ingewikkelde techniek. Het zorgvuldig verhitten kon wel een paar dagen duren. En dan moest je het glas nog polijsten en versieren. Bovendien leverde deze techniek nogal zware, dikwandige voorwerpen op.’ Toch konden deze objecten op een wat grotere schaal geproduceerd worden, waardoor ze minder kostbaar waren dan hun voorgangers.

Foenicië

Wilde je echter fijnere, gesloten en toch grote objecten maken, dan was een revolutionaire verandering nodig. ‘Waarschijnlijk is het glasblazen in Foenicië ontdekt, in de 1ste eeuw voor Christus’, aldus Halbertsma. ‘Maar de Romeinen zijn ermee aan de haal gegaan. Met deze techniek kon je in tien à vijftien minuten een eindproduct maken. Dat maakte glazen objecten veel goedkoper.’

Maar niet vierkant. Om bijvoorbeeld een vierkante fles te maken kon je wel een blaaspijp gebruiken, maar alleen om daarmee het gesmolten glas krachtig in een mal te blazen. Een combinatie van twee glasbewerkingstechnieken dus, die zo werd verfijnd dat de productie van objecten als de druiventrosflesjes mogelijk werd.

Of van de beroemde parfumflesjes met meerdere kamers, zoals het exemplaar met vier compartimenten dat op de expositie is te zien. De barokke lussen die eraan werden gezet, hebben vermoedelijk verhinderd dat de bezitter vloeistof uit afzonderlijke compartimenten kon schenken. Een fles slechts voor de sier, dus.

Naarmate de tijd verstreek ontstonden naast de basale productiemethoden steeds meer manieren om het glas te versieren. In het tijdperk van het vormpersen bijvoorbeeld, maakten glasmeesters prachtige mozaïeken in drinkschalen door schijfjes gekleurd glas in de mal te plaatsen en te laten smelten. Zeldzaam en dus kostbaar was de camee: wit glas op blauw glas versmolten, waarna delen van het gestolde wit laag voor laag werden weggevijld zodat figuurtjes ontstonden. Witte figuurtjes op doorschijnend blauw.

Vrouwenhoofdjes

Op de expositie staat een geblazen kelk uit de Romeinse tijd. Hiervoor rolde de blazer zijn hete glasmassa door verschillend gekleurde glaskorreltjes, zodat veelkleurige mozaïekbekers ontstonden waar rijke Romeinen graag mee pronkten. Op een ander mooi stuk, in 1914 gevonden in Cuijk, zijn op een witte vaas glazen bobbels aangebracht die werden bestempeld met vrouwenhoofdjes.

Niet dat glas alleen voor vaatwerk werd gebruikt. Het Leidse museum bezit bijvoorbeeld een Egyptische glazen oorbel uit de 14de eeuw voor Christus. Bontgekleurde kralen werden veel geproduceerd. En in de twee eeuwen rond het jaar 0 wisten ze met speciale krimptechnieken schrikwekkende vrouwenhoofdjes aan te brengen op minieme kraaltjes.

‘Glas vonden ze in de Oudheid mooi, omdat het leek op edelsteen of aardewerk’, zegt conservator Halbertsma, om uit te leggen waarom elites zich destijds in zoveel bochten wrongen om die glazen voorwerpen te bemachtigen. Aan de expositie te zien heeft die begeerde schittering ruimschoots de eeuwen getrotseerd.

Rijksmuseum van Oudheden, Leiden:Schitterend glas.Di. t/m vr. 10.00-17.00,za. en zo. 12.00-17.00 uurTot en met 4 maart 2007Toegang tot museum: euro 7,50, toeslag voor de tentoonstelling euro 2,-

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden