Schiller voert het hoogste woord

Michaël Zeeman

En misschien is deze Schiller nog eerder een denker dan een dichter, of ten minste evenzeer een denker als een dichter. Het is Safranski vooral om die denker begonnen: Friedrich Schiller, of de uitvinding van het Duitse idealisme heet zijn boek. Dat al dat denken behoorlijk goed en soms zelfs verrassend toegankelijk onder woorden is gebracht stelt Safranski weliswaar op prijs, maar literatuurkritiek is bij hem ondergeschikt aan ideeëngeschiedenis.

Wat dat aangaat past zijn Schiller-biografie naadloos in wat inmiddels op zijn grandioze project begint te lijken, de Duitse ideeëngeschiedenis van de afgelopen twee eeuwen in hoogtepunten en voorzover ze doorwerkt in het heden aan de hand van personen en gedachtenconstructies herverteld. Eerst was er, twintig jaar terug, zijn biografie van E.T.A. Hoffmann, die de Duitse hoogromantiek probeerde te doorgronden, toen zijn biografie van Schopenhauer, over het Duitse pessimisme, vervolgens die van Heidegger, over Duitse hersenspinsels, en ten slotte die van Nietzsche, over de Duitse verwarring en luciditeit; tussendoor verscheen zijn studie over de filosofieën van het kwaad, wat misschien een Duitse obsessie genoemd moet worden. Het kan haast niet anders of zijn volgende biografie zal over Hegel gaan. Sterkte, lieber Safranski.

In 'Schiller' culmineert het denken over de vrijheid. Hier wordt iemand op het röntgenapparaat van de historicus gelegd, wiens denken geheel en al in het teken staat van de bevrijding. Wie alleen de jaartallen op zich laat inwerken - geboren 1759, gestorven 1805 - begrijpt al terstond waarom, maar begrijpt dat nog hoogst onvoldoende: bijna dertig was hij toen de Franse Revolutie uitbrak, bijna veertig toen Napoleon aan het bewind kwam. In de kwarteeuw van Schillers volwassen leven en onnavolgbare scheppende arbeid, voltrok zich zowel in de Europese politieke geschiedenis als in de Geistesgeschichte een metamorfose. Schiller wordt daar het kristallisatiepunt van.

Daar is veel voor te zeggen, en dat heeft te maken met zijn vorming in het absolutistische Europa van het ancien régime, absolutistisch naar inrichting en denkwijze. We volgen Schiller als jong student op de militaire academie, over wie zijn vader de schouders al ophaalt: die jongen heeft iets in zijn kop waar de vorige generatie niets van begrijpt. Als het aan Safranski ligt is dat bovenal de filosofie; Schiller studeert medicijnen, maar studeert even hard wijsbegeerte. Die twee raakten elkaar in de frivole bespiegelingen die toentertijd in de mode waren - en vanaf zijn doctoraalscriptie begrijpt Schiller dat hij voor de paradoxen en tegenstrijdigheden op het raakvlak van anatomie en analyse een uitweg moet zien te vinden.

De dokters zochten de geest in het ontlede lichaam, maar vonden die niet; de filosofen zochten al even tevergeefs de harde kern in de orde van het denken en de wijze van kennen. Aan de basis daarvan ligt het conflict tussen rationalisme en empirisme zoals dat in de loop van de 17de en 18de eeuw was ontstaan: dicteert de geest de vorm van onze kennis (Descartes), of is er niets in de geest dat niet eerst in de zintuigen was (Locke)? Ten tijde van Schillers leven zal Immanuel Kant daar een intimiderende oplossing voor opperen, maar toen de jonge student met een mesje de etter en pus van de dode organen in de snijzaal stond te krabben, zijn hoofd vol verheven lyriek, was het nog niet zover. Toen het even later wel zover kwam, beviel het Kantiaanse antwoord Schiller niet, omdat hij zijn eigen ontsnappingsroute al had gevonden. Hij had op eigen kracht de scheppende geest al uit de grijpgrage handen van het destijds hippe materialisme gered. Daar wordt zijn schijverschap geboren.

Om hem en zijn obsessies te kunnen begrijpen, moeten we dus eerst de 18de-eeuwse filosofische discussies kennen en snappen. Safranski gaat er eens goed voor zitten en doet ons, als een ouderwets vertellende gymnasiumdocent op vrijdagmiddag tegen de schemering, het hele filosofische erfgoed van die tijd uit de doeken. Sleutelfiguren daarin zijn de denkers van de Schotse Verlichting, Shaftesbury en Ferguson voorop. Schiller had het geluk op de militaire academie net zo'n docent te treffen als zijn huidige biograaf is, en hij moet de filosofische discussies in zich hebben opgezogen. Door daar zo de nadruk op te leggen als Safranski doet, wordt zijn hele latere oeuvre, van de Sturm und Drang-lyriek tot en met het classicistisch geïnspireerde drama, een verwerking daarvan.

Tot aan zijn historische werk toe: zelfs zijn boek over de Nederlandse Opstand, Der Abfall der Niederlande, begonnen om met behulp van de discipline die historisch onderzoek vereist te ontsnappen aan een psychologische crisis, een writer's block, wordt een bespiegeling over het vrijheidsmotief en deszelfs antropologische determinanten. 'Met het voorbeeld van de Inquisitie anticipeert Schiller anderhalve eeuw voor de triomf van het Europese totalitarisme op het wezen van de totale heerschappij', schrijft Safranski. Daar stuit hij weer op het hem vertrouwde thema van het kwaad, want die historische én anachronistische voorbeelden dwingen hem de vraag naar de oorsprong daarvan onder ogen te zien - en Schiller met hem.

Het voorbeeld staat voor vele en illustreert Safranski's werkwijze: hij neemt het denken van zijn onderwerp serieus en is er voortdurend op uit daarvan de huidige relevantie te demonstreren. Schiller krijgt op die manier een plaats in een levende traditie, hij wordt, twee eeuwen na zijn dood, bevrijd uit zijn welverdiende musealiteit. Hij wordt een gespreksgenoot aan wiens idioom we even moeten wennen maar die na een kwartiertje al even onderhoudend blijkt te zijn als zijn biograaf. In zijn werk culmineert het Verlichtingsdenken én barst het uit zijn kluisters, op weg naar de Romantiek. In een kennissenkring die louter uit grote namen bestaat (Goethe, Herder, Wieland, Fichte, Novalis), voert hij het hoogste woord - en krijgt hij het laatste.

Safranski, ondertussen, is onverbeterlijk. Hij opent zijn boek met een beschrijving van de obductie die prompt na diens dood op Schillers stoffelijk overschot is gepleegd. De ravage die de pathologen-anatomen daarin aantroffen grenst aan het onbeschrijfelijke: op een medische encyclopedie van bederf, ziekte en verval blijkt heel Schillers oeuvre te zijn ontstaan. Als dat geen bevrijding, als dat geen concreet idealisme is, dan bestaan die grootheden niet meer. En tegelijkertijd vertaalt Safranski de fysiologie moeiteloos in psychologie: 'men is in akelige toevalligheden verwikkeld, en er zijn goede gronden om het leven te wantrouwen. Zo zou er een giftig ressentiment kunnen ontstaan. Uit liefde voor het scheppende leven vecht Schiller daartegen.'

Zo verlos je iemand van het brons waarin hij gegoten werd en zijn werk van de lederen banden waarin het werd samengebonden. Je ontstijgt er bovendien het gebruikelijke geneuzel van de biografie mee: die wordt zelf weer filosofie.

Rüdiger Safranski: Schiller, oder Die Erfindung des Deutschen Idealismus. Hanser, import Nilsson en Lamm; 560 pagina's; ¿ 34,30. ISBN 3 446 20548 9.

De Nederlandse vertaling verschijnt in april bij Atlas

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden