Schijten op adrianus schoonevorm

Die laatste term komt de Hollander bekend voor. In datzelfde jaar debuteerde Gerard Kornelis (toen Simon) van het Reve alhier met De Avonden, óók een verwerking van de zojuist afgelopen oorlog, maar dan via de implosie. Waar Boon niet anders kon dan kort, vlug en heftig exploderen – het ‘boem rekketektek’ van de Eerste Wereldoorlog zat hem nog in de oren, het expressionistische experiment van Van Ostaijens Bezette stad (1921) had hem niet zonder gevolgen geïmponeerd, en de atoombom deed hem vrezen voor het einde van álles –, daar voerde Reve de tergende stilte uit het naoorlogse Nederland op tot het wurgende slotakkoord. Een begaafd schrijver, oordeelde de kritiek, alleen is het ontbreken van uitzicht nogal zorgwekkend.

De negentig pagina’s Boon kregen hier pas een groot onthaal vanaf de tweede druk uit 1960, toen Querido Mijn kleine oorlog in de Salamander-reeks uitbracht. Voor die editie besloot Boon zijn boekje te kuisen, wellicht uit vrees voor een nieuwe aframmeling. Het slot met de vermaarde kreet die de lezer met goudeerlijke pathetiek aanvliegt (‘Schop de menschen/ TOT ZIJ/ EEN/ GEWETEN/ KRIJGEN’), werd vervangen door een laatste woord van de oude Ondine Bosmans, de antiheldin uit Boons boeken over de Kapellekensbaan die in de tussentijd waren verschenen.

Vlak voor zij stierf, zei Ondine, met brekende ogen: ‘WAT HEEFT HET ALLES VOOR ZIN?’ Dat is een afzwakking. De redactie van Boons Verzameld werk, die nu is toegekomen aan de definitieve editie van Mijn kleine oorlog, prefereert strijdlustig ‘de ruwheid en het volstrekte onfatsoen’ van de oorspronkelijke versie, dus Ondine mag deze uitgave afsluiten – maar dan wel weggestopt in een bijlage achterin.

Ook werden alle godverdommes gerehabiliteerd, en komt onder de krant de gazet tevoorschijn, een koffertje heet nu weer valieske, en de benzinetank krijgt de authentieke benaming naphtebak terug. Dat is rechtvaardigheid. Zó had Boon het in 1947 gewild. De grootste winst is de terugplaatsing van dat woord ‘geweten’, dat ook letterlijk een kardinale rol speelt door dit boekje heen. In het stukje ‘Opkuischeling’ vertelt de schrijver Louis dat hij eigenlijk had moeten vertellen over de jodenkinderen die werden opgepikt en in een camion geduwd en in de trein gezet: ‘En van iemand die vertelt dat zoo een trein gegast wordt maar ik het durf het niet te gelooven misschien om mijn geweten in slaap te houden, maar moest er een boek geschreven worden over den oorlog wie zou de beschrijving van zoo een trein durven geven, ik niet. Of stel u voor in een film, en den trein die ge ziet wegrijden maar langsheen de spoorbaan tusschen de sintels en de gele ginst ligt een schoolkabasje open met een pennestok en een gom uitgevallen.’

Dat kabasje was in 1960 een tas geworden. Nu zien we het als kabasje terug – en vooral kijken we mee met de schrijver die iets niet durft te vertellen en het intussen toch doet, die er een gevoelige film van maakt om de ongehoorde realiteit aan te kunnen. Als strooibiljetten werpt Boon zijn ultrakorte hoofdstukjes uit, gauw nu het nog kan. We moeten het hem maar vergeven dat hij geen klassieke schrijver is die een ‘Oorlogsbijbel’ bijeenpent, hij kan het niet – al weet hij heel goed dat hij zoiets niet eens zou willen: ‘en ik schijt op adrianus schoonevorm, pseudoniem van andré gatlikker, die een intellektueel is en verzen schrijft, peins eens – en er over piekert of SCHRIJVEN wel het juiste woord is, zou het niet BAREN moeten zijn? En bijzichtig is en altijd maar verzen baart en literatuur zwelgt en kakt en pist – en al ontploft de wereld verder zal gaan met gedichten te schrijven over de maan en over zijn eenzaamheid en over onslievevrouwken – en ondertusschen een lijst opmaakt van de joodsche en communistische schrijvers die zouden omvergeschoten moeten worden’. Zónder punt, want daar staat je verstand (en ook je pennetje) acuut bij stil.

Boon verhaalt vanuit de puinhopen over collaborateurs, flaminganten in bordelen, meneer ‘van den borre’ die ‘vóór den oorlog de vooruit van de socialisten nam en binst den oorlog de vooruit! van de duitschers en hij heeft nooit geweten dat daar een verschil in was’ (alweer dat geweten), van stadgenoten met een bolhoed op hun ezelskop, het arme meisje ‘lea lübka’ die na het kamp Mauthausen in Zweden zou sterven, en de gedeserteerde Duitser die ze halfdood in het graan vonden, ‘men gaf hem melk en wittebrood goddomme en al de kinderen uit de blokken die in lange geen wittebrood meer hadden gezien stonden er op te geelogen’.

En dan zou hij daarover een letterkundig verantwoord boek schrijven? Zijn gat.

Juist daarom is Mijn kleine oorlog, tot in elk detail – bijna swingend geschreven, geslepen-naïef – al bijna zestig jaar een groot boek gebleven.

Louis Paul Boon: De atoombom en het mannetje met den bolhoed/Mijn kleine oorlog – Verzameld werk, deel 4. Bezorgd door Kris Humbeeck e.a. De Arbeiderspers; 172 pagina’s; € 12,50. ISBN 90 295 6389 3.

31 hoofdstukjes als even zovele stroomstoten, ooit verwerpelijk onklassiek, thans schokkend modern-klassiek. Voor iedereen die er nog niet van wist.

Louis Paul Boon: De atoombom en het mannetje met den bolhoed/ Mijn kleine oorlog – Verzameld werk deel 4Bezorgd door Kris Humbeeck e.a.De Arbeiderspers172 pagina’seuro 12,50ISBN 90 295 6389 3Bezorgd door Kris Humbeeck e.a.De Arbeiderspers172 pagina’seuro 12,50ISBN 90 295 6389 3

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden