Schepper van pis, snot en Kniertje

HERMAN HEIJERMANS Geboren: 3 december 1864 in Rotterdam. Nalatenschap: bijna vijftig toneelstukken, meer dan achthonderd Falklandjes, vijftien romans en novellen, en een schuld van 45 duizend gulden....

BAS VAN KLEEF

OP 24 december 1900, kerstavond dus, liep de zwaar getroffen vissersweduwe Kniertje op klompen en met haar pannetje koude koteletten (geen soep!) voor het eerst diep bedroefd de schouwburgplanken af. De zee had haar opnieuw twee zoons afgenomen, wat inderdaad een hoge prijs is voor vis, maar Kniertje kloste wel rechtstreeks de toneelgeschiedenis tegemoet. Dat was in de Hollandse Schouwburg aan de Plantage Middenlaan in Amsterdam, en het publiek was ontroerd. Het zou dat nog jaren steeds opnieuw zijn. Wat heet: generaties lang, want het stuk, Op hoop van zegen, wordt tot op de dag van vandaag gespeeld.

De Hoop, zoals het in de wandeling ging heten, is waarschijnlijk het bekendste Nederlandse toneelstuk, in elk geval het bekendste van Herman Heijermans. Zoals de naam van de hoofdrolspeelster Esther de Boer-Van Rijk in één adem met die van Kniertje wordt genoemd (ze schatte in 1934 dat ze de rol twaalfhonderd keer had gespeeld en enkele honderden keren had gerepeteerd, wat 'op den duur niet meer te harden was'), zo is Heijermans synoniem met Op hoop van zegen. Hij werd er in één klap beroemd door, tot ver over de grenzen.

Het is een sociaal drama, een aanklacht tegen misstanden in de visserij, onderbetaling en slecht eten, stormgevaar en wrakke schepen, pompen of verzuipen, hardvochtige reders die slechts door winstbejag worden gedreven en die handenwrijvend de assurantiepenningen opstrijken als er weer een wrakke schuit is vergaan. Het is, kortom, Heijermans: de gedrevene, de emotionele en warmvoelende, die meende dat hij, door de misstanden en de uitwassen van het kapitalisme rond de eeuwwisseling zo aangrijpend mogelijk te beschrijven, het socialisme dichterbij zou brengen.

Voor zijn eigen geluk was hij bepaald niet geboren, zijn leven stond in het teken van het nastreven van het geluk voor anderen. Dat wil zeggen: niet voor de verachtelijke bourgeoisie, maar voor de verworpenen der aarde. Zijn eigen leven is eigenlijk één groot gevecht geweest: tegen schulden en faillissementen, tegen valse profeten in de prille sociaal-democratie, tegen onbarmhartige recensenten, tegen theaterdirecteuren, tegen deadlines; tegen zichzelf eigenlijk misschien wel in de eerste plaats, want hij was een onmogelijk mens, met een onovertroffen talent om zichzelf in de nesten te werken.

Het begon al vroeg. Heijermans' vader (Herman sr.) was journalist bij de Nieuwe Rotterdamsche Courant in Rotterdam. Hij ging weliswaar door het leven als de 'prins der journalisten', maar voelde zich ondergewaardeerd en onderbetaald, en buitengesloten door de 'Heeren' die de Rotterdamse elite vormden. Voor geen goud wilde hij dus dat zijn oudste zoon, geboren op 3 december 1864 (drie zusters boven hem, later nog zes jongens en meisjes onder hem), in zijn weinig indruk makende voetsporen zou treden.

Herman ging naar de hbs en kwam daarna terecht bij de Wissel- en Effectenbank. Een loopbaan in zaken trok hem meer dan een bestaan als klerk, en daarom begon hij voor zichzelf, als handelaar in lompen en oude metalen, wat tevens het voordeel opleverde van een verloving met de dochter van een rijke branchegenoot, evenals hij van joodse afkomst.

Alles liep direct mis: Heijermans pakte de handel verkeerd aan, raakte diep in de schulden, die slechts door uiterste inspanning van zijn familie niet tot de eeuwige schande van een faillissement leidden, en de verloving werd verbroken. Berooid vertrok de mislukte zakenman, met 62 cent op zak, uit het burgerlijke Rotterdamse zakenmilieu naar het bruisende Amsterdam, waar goden als Willem Kloos, Hein Boeken en Willem Witsen in het café konden worden aangetroffen.

Schrijver noemde de toen 27-jarige Heijermans zich van meet af aan - het bloed kroop toch waar het niet gaan kon - en de ideale omstandigheden voor succes - armoede, zolderkamertje op Singel 471 - leken aanwezig. Maar zijn dwarsheid en eigenzinnigheid maakten eveneens van meet af aan dat hij een buitenbeentje bleef.

Een novelle, gepubliceerd in De Gids, betekende het opstapje naar de betrekking van toneelrecensent bij De Telegraaf. Slechte recensies, de meeste dus, ondertekende hij met het pseudoniem 'Gerrit', en deze stukjes bouwde hij uit tot een column, die hij later ondertekende met 'Samuel Falkland jr', dit ter onderscheiding van zijn vaders pseudoniem.

In arme Amsterdamse buurten als De Pijp en de jodenbuurt rond het Waterlooplein moet Heijermans het thema van zijn leven hebben gevonden: de ellende van de gewone man, de miserabele omstandigheden waaronder de arbeiders moesten leven, uitgebuit door het grootkapitaal. Het werd tevens het uitgangspunt van veel van zijn werk. Hij nam ontslag bij De Telegraaf als 'toneelrecensent, in dienst der zich vermakende bourgeoisie' en werd lid van de Sociaal Democratische Arbeiders Partij.

Een onafzienbare literaire productie kwam op gang, 2500 pagina's bijeen, die pas begrepen kan worden door het besef dat Heijermans niet slechts werd gedreven door een diep gevoelde sociale bewogenheid, maar ook door de bittere noodzaak van brood op de plank en het op afstand houden van schuldeisers.

De eerstgenoemde drijfveer maakte dat hij voor de gevestigde sociaal-democraten altijd een vreemde eend in de bijt zou blijven. Herman Gorter en Henriëtte Roland Holst schreven in De Nieuwe Tijd op romantisch-revolutionaire en vooral cerebrale wijze over 'de schone, klare dag die komen zou', en waren blij dat ze na enig geruzie van hem af konden komen, van dat 'indringerig Joodje', zoals hij in literaire kringen werd betiteld.

De opstandige Heijermans ging de burgerlijke maatschappij met haar fatsoensnormen te lijf in zijn eigen De Jonge Gids, die hij aanvankelijk eigenhandig volschreef onder een groot aantal pseudoniemen. Heijermans biograaf Goedkoop merkt daarover op: 'Nog nooit ging in een Hollands tijdschrift zoveel pus, pis, snot, slijm, sperma, zweet en bloed over de pagina's. De heersende klasse wordt beschreven als seniel, ziek, stervend of al dood, een lijk in ontbinding, een kreng met kanker en harde sjanker en de sief.'

Een geestige man was hij, sardonisch, een treiteraar, een pestkop, een dwarsligger uit roeping, vervuld van de overtuiging dat de samenleving slechts kon worden gered door het kapitalistische en burgerlijke kankergezwel van hypocrisie rigoureus weg te snijden. Dat gaat inderdaad gepaard met bloed en pus en niet met literair-romantische woorden uit de studeerkamer.

Een onzekere man was hij ook, die uit angst voor een slechte ontvangst niet aanwezig durfde zijn bij premières van zijn stukken, die hij bovendien jaren achtereen op kerstavond in première liet gaan, zodat de krantenrecensenten niet al meteen de volgende dag hun oordeel konden vellen. Een man die zichzelf vaak overschreeuwde en een nadien zelden meer vertoonde bekwaamheid in mooi schelden ontwikkelde: '(...) gij die konkelt en teemt, ploertig verwaand zijt, leeft in likkende klieken en uw beetje armoedig, vergoord, verzwijnd eigen-ik zorgvuldig bemest met frases en leugens (...)'

Grof, hartstochtelijk, kil en warm tegelijk, onschuldig en sentimenteel, zoekend en vluchtend ging hij door het leven. Hij stierf in 1924 aan kanker in zijn kaak, bijna zestig jaar oud. Door velen miskend, maar door het volk kennelijk begrepen, want tienduizenden stonden in Amsterdam langs de route naar de begraafplaats. De vlag van de SDAP lag op zijn kist. Nu kon de partij haar voordeel wel met hem doen.

Bas van Kleef

Dit is de dertiende aflevering van een serie over honderd belangrijke Nederlanders van deze eeuw. De volgorde is chronologisch (op basis van geboortedatum).

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden