Schep zout in de limonade

Een van de aardigste bijdragen aan het W.F. Hermans-nummer dat De Gids samenstelde ter gelegenheid van de tiende sterfdag van de schrijver, is die van Bruno Post....

Om te weten wat zijn kinderen meemaakten, herlas de vader De donkerekamer. Het viel hem niet mee. Hij vond dat de schrijver 'kinderachtige'spelletjes met zijn lezer speelt, dat hij 'steeds maar weer nieuwe redherrings op het spoor van de lezer legde'. De visie op het'fragmentarische' bestaan die Hermans ontvouwde bleek inmiddels gemeengoed.Conclusie: 'Hermans' wereldbeeld is dat van een puber.'

Daar is veel voor te zeggen. Natuurlijk kun je het werk om precies diereden prachtig blijven vinden; 'puber' wordt dan zijn geuzennaam. Maar hetvalt niet te ontkennen: Hermans' altijd kloppende, 'mythische' wereld isdie van pubers van alle tijden. Die ontdekken dat iedere inspanning, elkideaal 'zinloos' is. Dat niemand vermoedt wat er omgaat in het hoofd vaneen ander, speciaal dat van de onbegrepen, onbeminde puistenkop zelf; dewereld is een onberekenbare chaos. Bij Hermans stoten argelozen hun hoofdtegen een muur van domheid en onkunde.

Steevast staan er volwassenen klaar om een briljant experiment, eenmooie dag of een grote triomf te verpesten, om 'een schep zout in een glaslimonade' te doen. Daarom was literatuur voor Hermans 'troost'. Alleen inzijn boeken was hij de baas, daar waren zuur toeval en treiterige inmenginguitgesloten; daar marcheerde, roteerde en scharnierde de boel als in eenperfecte machine.

En in zijn polemieken kon hij lucht geven aan een enorme woede jegensde wereld, vooral het lachwekkende filiaal Nederland-kabouterland, metzijn kleingeestige literatuur en opgeblazen wetenschappelijk ontalent. Maarhij schreef vooral tegen díe domoren, die hem, W.F.H., iets haddenaangedaan. Die zijn boeken niet lovend hadden besproken, die zijn ambitieshadden gedwarsboomd of ontrouw waren in hun bewondering. Hij speelde volbravoure niet de bal maar op de man. Op alle 'mandarijnen' die hij tot moesplet in zijn beroemdste polemische boek, Mandarijnen op zwavelzuur, moesthij wraak nemen.

Het is goed dat veel van deze stukken weer te lezen zijn in Niet uitkwaadaardigheid, een bundel met Hermans' 'scherpste polemieken',samengesteld door bewonderaar Max Pam, maker van de onlangs uitgezondentv-documentaire over de schrijver. Pams vader bestelde de bundel bijHermans zelf, want de auteur bleek 'een eigen boekwinkeltje' te drijven.Geen uitgever durfde zijn vinger te branden aan deze giftige stukken, dushad Hermans ze in 1963 maar in eigen beheer uitgegeven. Pam haalde meermoois onder het stof vandaan: een geweldig stuk over Lodewijk van Deyssel,voor de schoolkrant geschreven door de 18-jarige Wim, en recensies uit eindjaren veertig, over Du Perron en Vestdijk.

Maar in de Mandarijnen staan zijn meest wraakzuchtige typeringen. Overhet oeuvre van ex-vriend Adriaan Morriën schreef hij: 'Over ditheupwiegende gekir schijnt voortdurend een langdradig lentezonnetje'. Overde criticus H.A.Gomperts: 'Met het kunstgebit van Du Perron beet Gompertszo nu en dan om zich heen.' Bij het Oorlogsdagboek van Bert Voeten verzuchthij: 'Had hij maar kiekjes gemaakt en zijn kleurpotloodjes thuisgelaten!'Durf daarna nog maar eens iets te schrijven.

In het beste stuk in het Hermans-nummer van De Gids, dat van Hermans'biograaf Willem Otterspeer, wordt het deksel van de kist met geheimeHermans-documenten even opgelicht. Uit aantekeningen van Hermans blijktdat hij aan het eind van zijn leven systematisch de 'fiasco's' in zijnleven wilde beschrijven. Een daarvan is het goed bewaarde geheim dat hijop school eigenlijk niet zo goed was in de exacte vakken. 'Drieënzeventigjaar oud, ben ik nog altijd beschaamd dat ik niet knapper in de wiskundeben geweest dan ik was', schrijft hij bedroefd. Otterspeer gelooft niet zoerg in die schaamte. Hij heeft gevoel dat zij een 'voorwendsel' is, eentruc om zich warm te schrijven.

Dat is een mooie observatie. Sof, teleurstelling en woede daarover warenvoorwaarden voor Hermans' schrijverschap, zij vormden zijn brandstof. Datverklaart ook waarom Hermans, terugkijkend, tegenwerking en miskenningaltijd groter maakte dan zij waren. In Iedereen zei, dat is pornografie -de titel is een uitspraak van Hermans over de ontvangst van zijn roman Detranen der acacia's - constateert Elly Kamp, samenstelster van Hermans'bibliografie, dat het in 1949 wel meeviel met die geborneerde reacties opdat boek. Natuurlijk, het katholieke censuurbureau Idil 'verbood' de romanen in de christelijke pers vond men Hermans een viezerik. Maar als je zietwie wèl zijn grote talent erkenden - Vestdijk, Van het Reve, Van Oorschoten, jawel, Morriën en Gomperts - kun je moeilijk volhouden dat het boekwerd miskend.

Ver weg van het gehate vaderland miste Hermans zijn brandstof. Na opsmadelijke wijze door de Groningse universiteit te zijn verjaagd, vestigthij zich in 1973 in Parijs. In de goed geschreven reportages die Ad Fransenmaakte voor HP/De Tijd, nu gebundeld in W.F. Hermans - Een Hollander inParijs, is één passage zeer ontroerend. Na 18 jaar gewoond te hebben inde mondaine stad, als een echte kosmopoliet, wil Hermans er weg. De redenwas niet alleen dat hij er was overvallen door een gek - alsof die eenHermans-theorie uitbeeldde - maar dat hij zich eenzaam voelde. 'Hij leefdeer in een verstikkend isolement', schrijft Fransen. Niemand bewonderde hem,en wat erger was: niemand haatte hem. En dan valt zelfs de grootste puberstil.

Aleid Truijens

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden