Scheermessen in je bovenlip

Spelen terwijl het bloed uit je mondstuk sijpelt - trompettisten hebben een naam voor dat schrikbeeld: 'Satchmo's syndrome'. Louis Armstrong speelde zijn leven lang met een geruïneerde bovenlip, maar ook Nederlandse muzikanten weten hoe kostbaar 'embouchure' is....

Voor een pianist hoeft een maandje vakantie geen aanslag te betekenen op de vingervlugheid. Saxofonisten moeten even wennen aan het rietje. Slagwerkers zitten snel weer in hun ritme. Maar koperblazers die hun instrument langer dan 24 uur in de koffer laten, wacht ellende.

Dizzy Gillespie zei ooit: 'Als ik één dag niet speel, dan merk ik dat. Als ik twee dagen niet blaas, hoort mijn band het en als ik een week geen trompet aanraak heeft het publiek het in de gaten.'

Het magische woord is embouchure. Dat komt van het Franse emboucher en betekent letterlijk: aan de mond zetten. Maar voor blazers is het veel meer en voor koperblazers soms een nachtmerrie. Toen de saxofonist Stan Getz heel lang in het ziekenhuis had gelegen, was hij opvallend snel terug. Zijn commentaar: 'Mijn vingers zijn nog even snel als vroeger.' Over zijn mond geen woord. Het was niet interessant.

Voor koperblazers, die in een rond, koperen kelkje blazen (het mondstuk), gaat het om de exacte coördinatie van lippen, lucht en tong. Schort het daaraan, dan heb je een 'slechte' of 'geen' embouchure. Een vieze, voze of vette toon is het gevolg, ook als je die niet wilt. Vet wordt voos, en vice versa. De controle is zoek. Wie zijn oor te luisteren legt op repetitieavonden van de fanfare in cafézaaltjes op het platteland, hoort minstens drie koperblazers zeggen dat ze geen 'emmesjuur' (of zelfs 'ambrozuur') hebben. Zo'n boer toetert graag, maar van oefenen komt zelden iets.

Ook beroepsmuzikanten kennen het spook van de embouchure. Louis Armstrong, nooit serieus les genoten, had al voor zijn dertigste een totaal misvormde bovenlip en bleef, tot het spelen hem helemaal onmogelijk werd, altijd in de weer met zalfjes, stiftjes en potjes. Ventieltrombonist Marshall Brown noteerde met afgrijzen hoe Armstrong met een pennenmesje laagjes eelt uit zijn bovenlip placht te snijden. Satchmo's syndrome is intussen een bekende trompettistenkwaal: een gescheurde (boven)lipspier.

Oorzaken van buitenaf zijn er ook. Toen Jimmy Knepper, trombonist bij Charles Mingus, ruzie kreeg met zijn kortaangebonden baas, kreeg hij een mep op zijn lip. Het kostte Knepper een heel octaaf in hoogte en hij deed Mingus een proces aan. Een beetje koperblazer gaat relletjes met genoegen uit de weg.

Veel oefenen en veel spelen helpt wel, maar vormt nog lang geen garantie voor een goede embouchure. Je hebt mensen die het automatisch correct doen, maar voor de minder bedeelden vereist koperblazen veel nadenken, experimenteren en eindeloos uitproberen van mondstukken die soms fracties van millimeters van elkaar verschillen (maar voor je gevoel kan dat eindeloos zijn).

Bart van Lier (solo-trombonist van het Metropole Orkest, jarenlang bij Peter Herbolzheimer en gewaardeerd sessiemuzikant) heeft het allemaal gedaan, voordat hij tot de wereldtop doorbrak. 'Ik ben absoluut geen natuurtalent', zegt hij. 'Ik heb heel veel embouchureproblemen gehad. Het achtervolgt je altijd. Daar moet je je onderbewuste op trainen. Het is een combinatie van analytisch oefenen en discipline. Op het moment dat je blaast, kun je niet nadenken. Mondstukken? Ik heb er wel vijftig, denk ik.'

Tegenwoordig speelt hij op een Vincent Bach 7C-mondstuk. 'Vroeger vond ik dat te groot.' Die 7C is hem qua toon nu zelfs zo aan het hart gebakken dat hij er door de Duitse fabriek Kühnl & Hoyer een hele trombone omheen heeft laten bouwen naar zijn specificaties. Met behoorlijk commercieel succes. Er zijn in vrij korte tijd zo'n zeventig van het model Bart van Lier verkocht. Uiterlijk is de meest opvallende bijzonderheid dat de beker verwisselbaar is voor een groter model met een bredere toon.

Van Liers embouchureperikelen leidden in 1994 tot een door hem samengesteld boek met coördinatie-oefeningen voor trombonisten. In het boek wordt opvallend weinig geblazen. Er zijn veel ademhalingsexercities, het gaat om lip buzzing en gymnastiek. Van Lier heeft zijn ervaring geput uit yoga, zenboeddhisme en haptonomie en daarvan verwerkt wat hem voor zijn trombonespel van pas kwam. 'Want het zit 'm niet in die paar vierkante centimeter rond je mond', weet van Lier. 'Het gaat over je hele lijf, of je lekker in je vel zit.'

Trompettiste Saskia Laroo (ze speelt zaterdag met haar band op het North Sea Jazz Festival, onlangs verscheen haar cd Bodymusic) koestert het geluk van een natuurlijke embouchure en ze heeft nog een bijkomend voordeel: 'Ik hoef niks. Ik kan improviseren in mijn stijl van muziekmaken, rustig, laag beginnen en hoog spelen wanneer ik daar zin in heb. Dat ligt natuurlijk heel anders voor orkestmusici, die moeten meteen spelen wat er (op papier) staat.'

Op de vraag naar haar mondstuk kijkt ze oprecht verbaasd: 'Het is een Marcinkiewicz. Maar het nummer? Ik heb het vijf jaar geleden gekregen en ik ben er sindsdien op blijven spelen.' Het blijkt een 3, een tamelijk klein model. Daarvoor speelde ze een veel grotere Schilke 15B, met een dikke rand, die ze als reserve bewaart voor het geval dat. Maar dat geeft toch een heel ander geluid? 'Tja', zegt ze bedachtzaam, 'ik moet er eigenlijk nog zo'n 3 bijkopen, maar het is er nooit van gekomen.' Nooit geëxperimenteerd, eigenlijk haar hele beroepsleven op die twee mondstukken geblazen.

Opwarmen doet ze op de bühne zelf. Ze is voortdurend bezig met rek- en strekoefeningen, ook tijdens een optreden. Ze staat meestal heel ontspannen te blazen. Zelfs op heel oude foto's in de fanfare van het Noordhollandse dorp Den Ilp is die losse pose al te zien. Maar dan duikelt er ineens een foto van een kromme en naar beneden blazende dame uit de verzameling. 'Daar mocht ik op de trompet van Roy Hargrove spelen, ook op zijn mondstuk. Wil je op mijn trompet blazen, had hij gevraagd. Ik was nerveus, denk ik. Maar ik weet nog wel dat het ding heel zwaar blies.'

Die overstap naar zo'n heel ander mondstuk? 'De Marcinkiewicz maakt de toon scherper. Lekker beuken' Als het gesprek op Armstrong komt en, nog veel recenter, op de malheur van Freddie Hubbard, zegt ze: 'Ik heb nooit ongelukken gehad, want ik heb me nooit geforceerd.'

Eric Boeren (kornet), net terug in Koog aan de Zaan na een veertiendaagse tournee door Canada, zegt vroeger nooit serieus over embouchure te hebben nagedacht. In zijn aanpak lijkt hij zo ongeveer de tegenpool van Saskia Laroo: 'Ik heb moeite met doseren. Ik heb er een hekel aan om me te sparen. Het gaat over nu, niet over straks. Spelen met een plunger bijvoorbeeld, dat vreet embouchure. Als zo'n stuk aan het begin van de avond zit, betaal je de tol later op de avond. Maar moet je dan, zoals Wynton Marsalis laatst deed, met zo'n bowler hat voor je beker gaan wapperen?

'Ik krijg vaak commentaar dat ik zuiniger moet doen. Dat is míjn worsteling. Maar ja, soms heb ik na een hele avond spelen het gevoel dat ik niets heb gedaan. Dat ligt dan aan de stukken.'

Ook hij is overgestapt op een kleiner mondstuk, nog maar kortgeleden, in januari. Waar hij vroeger een Giardinelli 3M tegen de lippen hield, is het nu een 7M van deze bekendste Amerikaanse grossier in blaasinstrumenten. 'Ik denk dat ik te lang op een 3M heb gespeeld. Dat vreet energie.' Om te laten zien hoe gering de verschillen zijn, volgen hier de specificaties zoals de fabrikant ze opgeeft: 3M - 17,0 millimeter, 7M - 16,5 millimeter doorsnede van de cup. En dan zegt Giardinelli er nog eerlijk bij: het zijn maten 'bij benadering'. De M staat voor medium en dat slaat op de diepte van de cup. Een halve millimeter verschil en dat nog bij benadering. Maar aan de andere kant: ook geen lip, geen gebit is gelijk.

'Het zit voor een groot deel tussen de oren', meent Herman Bekkers, onlangs met de VUT gegaan bij het Radio Philharmonisch Orkest. Wie bij hem tromboneles kwam nemen, kreeg onveranderlijk te horen dat een Bach 11 mondstuk het beste was. Ook zijn toenmalige leerling Bart van Lier.

Elke dag een uur opwarmen, zoals Van Lier nu propageert, vindt Bekkers tamelijk overtrokken: 'Leerlingen komen om trombone te spelen, niet om warm-up oefeningen te doen. Zo'n uur opwarmen gaat van de zuivere speeltijd af. Je moet gewoon conditie hebben, veel spelen en dan is er geen probleem. Alles is natuurlijk relatief, maar ik heb het over de vakman die regelmatig speelt. Trouwens, mensen die vijf tot zes uur per dag spelen, die hoor je niet'.

Bekkers heeft makkelijk praten, geeft hij zelf toe. Hij heeft altijd een makkelijke embouchure gehad die hem vrij moeiteloos liet switchen van tenortrombone, via bastrombone naar de ultralage sousafoon met de bijbehorende grotere mondstukken. En vroeger, in zijn schnabbeltijd, ging hij ook een trompetsolo niet uit de weg, als het moest.

Kornettist Eric Boeren is zo iemand die vijf tot zes uur per dag studeert. Hij zweert bij de lesmethode en etudes van Arban, fameus Frans virtuoos en leraar uit het midden van de vorige eeuw. 'Het is jammer dat ik iets teveel self made man ben. Ik ben nooit opgeleid in het gebruik van mijn tong en nu kom ik bij Arban tegen dat je de tong van je tanden moet halen en de lucht het werk moet laten doen. Nu snap ik eigenlijk de manier van blazen van Clifford Brown pas. . . Die deed dat ook.'

Boeren is één keer geconfronteerd met de grote angst van de koperblazer. Bij het voetballen kreeg hij een knie tegen zijn bovenlip. De boventanden sneden er in, maar in het ziekenhuis vonden ze het - 'ach meneer, dat geneest zo snel' - eigenlijk niet nodig om de wond te hechten. Boeren zei: 'Hoho, wacht even, ik moet er m'n geld mee verdienen'. Het duurde twee weken, toen kon hij weer voorzichtig blazen.

Ook de Amsterdamse trompettist Angelo Verploegen (vanavond met zijn groep Toïs op North Sea) heeft geen natuurlijke embouchure. 'Ik moet een half uur tot drie kwartier inspelen. Als opwarmoefeningen doe ik lip buzzen, ik blaas lange pedaaltonen, bindingen, staccato. In die oefeningen zitten vijf verschillende methoden verwerkt. Ach, het is allemaal zo persoonlijk: wat voor jou het best werkt, daar kom je in de loop van de jaren achter.

'Ik heb wel wat met mondstukken geëxperimenteerd, vroeger, maar dat mag nauwelijks naam hebben.' Verploegen speelt op een 'groot' Bach 11/2 C mondstuk 'maar daarvoor heb ik heel lang op een kleinere 3C gespeeld. Dat had vooral te maken met mijn werk, toen in big bands, zoals bij Frank Grasso. Ik heb nu wat hoogte moeten inleveren. Die 3C gebruik ik alleen nog twee keer per jaar als ik met Pasen en Kerst in de Dominicuskerk in Amsterdam piccolotrompet speel. Van zo'n piccolo krijg je trouwens een sterke bek, want je moet beheerst hoog blazen. Eigenlijk zou je voor je embouchure een half uur per dag op zo'n piccolo moeten oefenen, maar dat komt er nooit van.'

Echte problemen, behalve een gigantische blaar tijdens al te langdurige sessies met carnaval in Brabant, kan Verploegen zich niet herinneren. En die keer dat de tandarts zijn snijtanden onder handen had genomen en door de nieuwe vullingen een ander gevoel ontstond. 'De druk wordt anders. Je probeert een positie te houden die er misschien niet meer is.' Maar echt vervelend was dat niet.

De naam is hierboven al gevallen. Freddie Hubbard (nu 61) is het beroemdste slachtoffer uit de tegenwoordige tijd van Satchmo's Syndrome. In het Amerikaanse tijdschrift Down Beat deed Hubbard het drama zelf uit de doeken. Hij denkt dat het probleem ontstaan is tijdens een Europese tournee met de band van Slide Hampton in 1992. 'Ik begon hoge noten te blazen met Jon Faddis, een notoire hemelbestormer. And I got carried away. Hoge noten, daar ben ik niet zo sterk in. Ik kwam terug in Amerika en speelde op een jamsession zonder op te warmen. That's when my top lip popped. Daarna ging ik naar New York en speelde een week in de Blue Note. Toen had ik resoluut moeten stoppen.'

Maar dat deed Hubbard niet. Hij ging weer naar Europa voor een serie concerten en merkte snel daarna dat hij een infectie had. Hubbard heeft zijn stijl door die klap noodgedwongen moeten veranderen. 'Ik heb altijd gespeeld met heel veel energie - misschien wel te veel. Dus moest ik terug naar de basis, mijn embouchure veranderen en leren me op te warmen en zacht te blazen. Ik was altijd gewend om de trompet te pakken en dan hard te blazen. Ik moest helemaal terug naar af, in de boeken duiken en raad vragen aan klassieke leraren.

'Ik kon een hele tijd geen noot spelen omdat het allemaal zo teer en zacht was. It's so frustrating not being able to blow the way I blew.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden