Schaduwen over de gladiolen

ALS PASCAL Kolkhuis Tanke aan kennissen vertelde dat hij een boek over wielrennen aan het schrijven was, vroegen ze hem: o, een soort De Renner?...

Die opvatting is van een weldadige blasfemie. De Renner verscheen in 1978 en werd al meteen heilig verklaard als hét boek over wielrennen. Als je het dan toch beter wilt doen, dan kun je maar beter het beste overtreffen. En er zit nog wat in ook.

Kolkhuis Tanke is 34 jaar en heeft van 1978 tot en met 1985 intensief tussen de wielen geleefd. In het laatste jaar werd hij daarvoor betaald door de bescheiden profformatie Skala. Van 1990 tot en met 1995 is hij chef d'equipe van de Nederlandse profwielrenners geweest bij het wereldkampioenschap. Al die ervaringen heeft hij geromantiseerd in De gladiolen en de dood.

Het gebeurt niet vaak dat (oud-)renners uit het gesloten wielermilieu klappen. Maarten Ducrot heeft ooit een dagboek bijgehouden tijdens een van zijn Tours de France, maar dat bleef in alle opzichten aan de oppervlakte hangen. Kolkhuis Tanke gaat verder, kan ook verder gaan omdat hij zich kan verschuilen achter de romanfiguur Aart Haring. Maar zelfs een betrekkelijke ingewijde kan eenvoudig verbanden leggen.

De gladiolen en de dood is een verbastering van de wieleruitdrukking 'De dood of de gladiolen': een coureur gokt op alles en neemt het risico dat het niets wordt. Kolkhuis Tanke heeft die wijsheid letterlijk genomen en draagt zijn boek dan ook op aan Geert De Vlaeminck en Fabio Casartelli, twee jonge renners die dit decennium het leven lieten op de fiets.

Aan de jonge Italiaan, die bij een afdaling in de Tour '95 verongelukte, is het slechts een eerbetoon. Maar de verwijzing naar de Belgische veldrijder die overhoop lag met bondscoach/oud-renner/vader Eric De Vlaeminck, is duidelijk, zoals uit het begin van het boek blijkt.

De gladiolen en de dood gaat voor het overgrote deel over een WK wielrennen in Valkenburg. Hoofdpersoon Aart Haring is een behoorlijke coureur, die vindt dat zijn bescheiden talenten niet op hun juiste waarde worden geschat. Toch weet hij de bondscoach ervan te overtuigen dat hij een vrije rol in de ploegtactiek verdient.

De gladiolen en de dood leest als een vaas die in stukken is gevallen. Afwisselend behandelt Kolkhuis Tanke het wel (het wielrennen met de gladiolen als inzet) en het wee (het wielrennen met de dood als uiterste consequentie) van de sport. Uiteindelijk vloeien beide samen.

Kolkhuis Tanke speelt een spelletje met die begrippen, want de meeste van de 113 bladzijden gebruikt hij voor de hoofdstukken 'De dood of de gladiolen'. Ze gaan over de onderhandelingen in de Nederlandse WK-ploeg, over Harings angsten en dromen, over zijn pogingen de angsten te bezweren en de dromen te verwezenlijken.

Ze zijn de interessantste en de best geschreven bladzijden. Er zijn niet zoveel wielerboeken waarin een insider de merkwaardige zeden en gewoonten van het cyclisme zo openhartig bloot legt. Kolkhuis Tanke neemt geen blad voor de mond, behalve als het over doping gaat. Hij schrijft erover zonder concreet te zijn. Haring heeft ervaren dat goed eten, goed trainen en goed rusten niet genoeg zijn om het een seizoen lang uit te houden. 'Vanavond en morgenavond maar even naar Meuleman. Als ik hem zeg dat ik zondag echt goed wil zijn, dan weet hij voldoende.'

Meuleman wel, wij niet. Wij lezen slechts over pilletjes die op korte termijn helpen en op de lange termijn geen kwaad kunnen. Ook als de dood aan het slot zijn schaduw werpt over de gladiolen, laat Kolkhuis Tanke ons in het ongewisse. Het nest is kennelijk nog zo eigen dat het niet bevuild mag worden.

Pascal Kolkhuis Tanke maakt met De gladiolen en de dood zijn literair debuut. Hij is dus nog niet geoefend in het vormgeven met taal. In de wedstrijdfragmenten gebruikt hij een staccato-stijl die spanning en ontlading moet suggereren, maar het taalgebruik is te weinig inventief om als zodanig te werken.

Hij schrijft bijvoorbeeld: 'Wereldkampioen, de allerbeste. Allemaal naar huis gereden. Niemand ooit nog afnemen. Jezus, mooier kan niet. Niemand gelukkiger dan ik. Voel zelfs geen pijn.' Dat is geen euforie, dat zijn woorden die tekortschieten.

Nergens een passage als: 'Volgens mij is het zo dat je stuur naar voren gaat, en dat jij maar moet zien dat je het vasthoudt. Daar moet je sterke armen voor hebben. Ik bezichtig mijn polsen die rechtuit voor me liggen als latten naar het stuur. Ze zijn zo bruin geworden, in de plooien bijna zwart. De haartjes liggen in natte banen naast elkaar in de rijrichting. Ik vind mijn polsen ontzettend mooi.'

Die zinnen schreef Tim Krabbé achttien jaar geleden in De Renner.

Bart Jungmann

Pascal Kolkhuis Tanke: De gladiolen en de dood.

De Arbeiderspers; 113 pagina's; ¿ 25,-.

ISBN 90 295 2660 2.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden