Schaduw over alles wat was

De Fransman Eugène Atget vereeuwigde het Parijs van voor de Eerste Wereldoorlog: foto's die gonzen van het leven, al is er nauwelijks een mens op te zien....

HET gebeurt niet zo vaak dat de stad waar een expositie wordt gehouden waarde toevoegt aan het getoonde werk. Het museum doet er toe, de liefde waarmee en de context waarin kunstwerken worden gepresenteerd, en de moeite die de samenstellers zich hebben getroost wetenswaardigheden over de exposanten met de bezoekers te delen. Maar een mooie tentoonstelling kan in de regel net zo goed in Londen als in Amsterdam staan.

De dubbelexpositie van de Franse fotograaf Eugène Atget en de Amerikaanse Berenice Abbott vormt een uitzondering op de regel. Want dat hun foto's worden vertoond in het Musée Carnavalet in Parijs, verleent het werk wel degelijk extra glans. Atget's foto's hóren in Parijs - steek je hoofd uit het raam van het museum in de Marais, en je de nauwe straatjes die hij een kleine eeuw geleden fotografeerde. Abbotts foto's van New York in de jaren dertig zijn niet los te zien van Atget. In Parijs leerde ze zijn werk kennen; hij werd haar inspirerend voorbeeld.

Abbott en Atget deelden het inzicht dat door ingrijpende stadsvernieuwing de geschiedenis wordt weggevaagd. Ze zagen het als hun taak de herinnering aan dat verleden levend te houden. Ze deden dat niet uit nostalgie - het verleden romantiseerden ze geenszins - maar als een fotografische getuigenis.

Museum Carnavalet heeft met deze tentoonstelling de meester en zijn navolgster samengebracht. Het is een liefdevolle ode aan het tweetal dat de grote veranderingen van deze eeuw in het aangezicht van Parijs en New York heeft gedocumenteerd.

Atget is beroemd geworden - zij het pas lang na zijn dood - door de enorme hoeveelheid foto's die hij heeft gemaakt van Parijse wijken, vlak voordat die werden gesloopt. Maar zijn foto's zijn veel meer dan een inventarisatie van oude gebouwen en krotten. Hoewel mensen spaarzaam in zijn straatbeelden figureren, gonzen zijn beelden van het leven, van een stadscultuur die verloren is gegaan. Het is een cultuur die zich manifesteert in kleine werkplaatsen met handkarren voor de deur, in de armoede van duistere stegen, met afgebladderde gevels en onbeduidende winkeltjes, die door de Parijse stadsvernieuwers aan het begin van deze eeuw met grote maaibewegingen van de kaart werden geveegd.

Atget, in 1856 in Bordeaux geboren, begon zijn carrière als fotograaf zonder veel artistieke aspiraties. Hij fotografeerde de pittoreske plekken in Parijs en omgeving met het oogmerk zijn werk te verkopen aan kunstenaars, die zijn beelden als uitgangspunt zouden gebruiken voor hun schilderijen.

Hij streefde volledigheid na: met zijn zware camera zeulde hij dagelijks door de stad om haar trapportalen, binnenplaatsen, bruggen, monumenten en armzalige stegen te fotograferen. Meestal maakte hij de opnamen 's ochtends vroeg, als de straten nog leeg waren - zijn ouderwetse camera met glasnegatieven en een lange sluitertijd was nog niet in staat om bewegelijke onderwerpen als mensen scherp te registreren.

Zijn gloriejaren, als die al zo mogen worden betiteld, beleefde Atget voor de Eerste Wereldoorlog. Hij verkocht goed, en kreeg financiële steun om nieuwe fotoprojecten te beginnen. Maar de oorlog fnuikte zijn carrière. Niemand zat nog te wachten op de verstilde, nostalgische plaatjes van Parijs.

Na de oorlog verkocht Atget sporadisch nog wat werk, waaronder enkele albums voor een lage prijs aan het Palais Royal. In 1927 stierf hij, roemloos.

Berenice Abbott (Ohio, 1898) had Atget vlak voor zijn dood één keer ontmoet. De jonge Amerikaanse was in 1921 in het kielzog van talrijke avant-gardisten naar het naoorlogse, mondaine Parijs getrokken. In New York was een poging actrice te worden op niets uitgelopen, en ook een carrière als beeldhouwster bleek niet voor haar weggelegd.

Maar in Parijs verging het haar voorspoedig. Ze raakte bevriend met de dadaïsten Marcel Duchamp en Man Ray. De laatste bood Abbott in 1923 een baan aan als assistente in zijn portretstudio. De onconventionele Man Ray beschouwde haar volslagen gebrek aan ervaring met de fotografie niet als een belemmering, maar juist als een pre.

Abbott raakte in de ban van de fotografie. Bij Man Ray maakte ze haar eerste portretten, die brede waardering kregen. In 1926 nam ze ontslag en opende ze haar eigen studio in Saint Germain des Prés, waar alle beroemdheden van die dagen zich lieten fotograferen. Ook Atget, wiens werk Abbott bij Man Ray onder ogen had gekregen, werd er geportretteerd. Toen zij Atget de resultaten wilde laten zien, kreeg ze te horen dat hij was overleden.

Abbott was gegrepen door Atget's foto's: uit zijn nalatenschap kocht ze een deel van zijn negatieven en een groot aantal afdrukken. Ze ontpopte zich als een hartstochtelijk pleitbezorger van Atget's werk. Al in 1930, een jaar nadat ze was teruggekeerd in New York, bracht ze een eerste boek uit met foto's van Atget, en zeven jaar later prijkten zijn afdrukken aan de muren van het Museum of Modern Art. Haar leven lang, tot aan haar dood in 1991, zou Abbott blijven vechten voor de erkenning die Atget verdiende.

Hoe de Franse fotograaf het hart van de Amerikaanse heeft geraakt, blijkt nog meer uit Abbotts grote project Changing New York. Toen ze in 1929 terugkeerde in Amerika, aanschouwde ze met eigen ogen hoe de Roaring Twenties, de economische bloeiperiode, hun sporen hadden nagelaten in New York. Oude pakhuizen hadden plaatsgemaakt voor grote, moderne complexen, woonblokken waren weggevaagd ten behoeve van wolkenkrabbers, nieuwe lijnen van de 'El', de bovengrondse metro naar de voorsteden, slingerden zich over hun ijzeren bruggen door de avenues.

In navolging van haar grote voorbeeld begon Abbott háár stad te portretteren - tot 1934 op eigen kosten, van 1935 tot 1939 financieel gesteund door het Federal Art Project. Ze trok van Brooklyn naar de Bronx, van Queens en Manhattan naar Staten Island om de krakende pakhuizen en woonkazernes uit de negentiende eeuw te fotograferen tegen de achtergrond van de oprukkende wolkenkrabbers en kantoren.

Zoals Atget het Parijs van voor de Eerste Wereldoorlog onsterfelijk maakte, zo vereeuwigde Abbott de neerslag van de dolgedraaide Amerikaanse economie na die oorlog. Atget was de sloopbal meestal voor, waardoor vooral het verleden in zijn werk wordt geconserveerd. Op Abbotts foto's dringt de moderne tijd zich al veel nadrukkelijker op, in de vorm van hooghartige nieuwbouw die is neergepoot naast de afgeleefde, fragiele bouwsels uit vroeger tijden.

Net als Atget schiep Abbott er genoegen in het leven van de stad zichtbaar te maken met van zichzelf levenloze dingen. Etalages van wapenwinkels, van Italiaanse snuifverkopers en kaaswinkels, en joodse kippenwinkels. Een steeg met klinkers en een afgedankte zinken emmer, een verwaarloosd woonblok met wasgoed aan de lijn, als bewijs dat in die armoede nog steeds mensen woonden.

Geregeld bediende Abbott zich van de stijlmiddelen van haar voorbeeld. Ze fotografeerde Flatiron Building, de beroemde ranke toren, alsof het de boeg van een oceaanstomer is, die recht op de camera komt aanzetten. Atget paste diezelfde imponerende truc toe met woonkazernes, door de camera niet frontaal tegenover de gevels te plaatsen maar bijna in hun verlengde.

De tijd dat de straten bij het ochtendgloren nog leeg waren, was allang vervlogen toen Abbott Changing New York maakte. Op Abbotts foto's zien we dus wel mensen, rijdende auto's en, ergens bij Wall Street, vermoedelijk de allerlaatste door een paard voortgetrokken kar met houten wielen van New York.

Voor haar verhaal heeft Abbott de levende wezens net als Atget niet nodig. Het licht dat door de bruggen van de 'El' op straat valt, of door de brandtrappen tegen de gevels, de elegante kromming van een Greyhound-station, de schaduwen van de wolkenkrabbers en hun perspectief met verdwijnpunt in de hemel - dát is het verhaal van Berenice Abbott.

In museum Carnavalet worden Abbotts foto's gepresenteerd tegen een wand van golvend aluminium, waardoor de bezoeker het gevoel krijgt zich in de New Yorkse metro te bevinden. Het verlangen naar die stad wordt onvermijdelijk aangewakkerd. Atget's werk hangt tegen roodbruin gesausde muren, een verwijzing naar de salons uit het begin van de eeuw.

Het verlangen naar die tijd laat zich gemakkelijker onderdrukken, al was het maar omdat niet álles van toen verloren is gegaan. Integendeel, stap vanuit het Museum Carnavalet de natte straten van de Marais in, en het is herfst 1999 en herfst 1909 tegelijk.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden