SATAN

Ooit, in de tijden van de Inquisitie, werden ongelovigen aan het spit geroosterd nadat hen eerst de tong was uitgerukt....

DE BIJBEL introduceert hem in 1 Kronieken 21, 1: 'Satan keerde zich tegen Israël en zette David aan, Israël te tellen.'

Wie is die Satan, die daar zo uit de lucht komt vallen? Het antwoord geeft 2 Samuël 24, 1, dat over dezelfde gebeurtenis gaat: 'De toorn des Heren ontbrandde weer tegen Israël; Hij zette David tegen hen op en zeide: Ga, tel Israël en Juda.' Satan is dus een ander woord voor God die uit zijn humeur is. Hij is, als we hem opnieuw tegenkomen, veranderd van een eigenschap van God in een van diens zonen (Job 1, 6) en wordt vervolgens bevorderd tot een soort openbare aanklager aan Gods hof (Zacharia 3, 1). Dat is alles wat er in het Oude Testament over hem te vinden is.

In het Nieuwe Testament is hij na Jezus het belangrijkste personage. De humeurige God uit het Oude Testament is dan gesplitst in een goede Jezus en een boosaardige Satan, die elkaar bestrijden. Jezus begint zijn loopbaan als religieuze rebel met veertig dagen vasten in een woestijn, waar hij de duivel weerstaat met een: 'Ga, weg Satan' (Mattheüs 3, 9).

In de drie jaar van zijn openbare optreden maakt Jezus naam als duiveluitdrijver. Befaamd is de episode waarin Hij een varkenshouder dupeert door de genezing van een bezetene, aan wie Hij vraagt: 'Wat is uw naam? Hij (de bezetene) zei: Legioen; want vele geesten waren in hem gevaren. En zij smeekten hem dat hij hun niet gelastten zou in de afgrond te varen. Nu werd op de berg een talrijke kudde zwijnen gehoed; en zij smeekten Hem, dat Hij hun zou toestaan daarin te varen. En Hij stond het hun toe. En die geesten voeren uit die mens en in de zwijnen en de kudde stormde langs de helling het meer in en verdronk.' (Lucas 8, 30-33). Als Jezus zijn einde ziet naderen zegt zijn discipel Petrus: 'Dat verhoede God, Here, dat zal U geenszins overkomen! Doch hij keerde Zich om en zeide tot Petrus: Ga weg, achter Mij, satan...' (Mattheüs 16, 22-23).

Hij krijgt in het Nieuwe Testament oudere geboortepapieren dan hem, gezien het Oude Testament, eigenlijk toekomen. In het laatste Bijbelboek komt Satan langs in vol ornaat: 'En de grote draak werd op de aarde geworpen, de oude slang, die genaamd wordt duivel en de satan, die de hele wereld verleidt...' (Openbaringen 12, 9).

Die oude slang is de slang uit het paradijsverhaal en zo was er met terugwerkende kracht nog wel wat over de duivel te vinden. Jesaja had het over de ochtendster Venus: 'Hoe zijt gij uit de hemel gevallen, gij morgenster, zoon des dageraads; hoe zijt gij ter aarde gevallen, overweldiger der volken! En gij overlegdet nog wel: Ik zal ten hemel opstijgen, boven de sterren Gods mijn troon oprichten en zetelen op de berg der samenkomst...' (Jesaja 14, 12). De Vulgaatvertaling van de katholieke kerk veranderde Venus in Lucifer en daar ging de verbeelding al aan de haal met Lucifer, aanvoerder van de aartsengelen die in opstand kwamen tegen God en in de buitenste duisternis werden geworpen.

Vondel heeft er een treurspel aan gewijd. Compagnie De Koe speelt, in samenwerking met het Zuidelijk Toneel, binnenkort Vondels Lucifer. Regisseur Peter van den Eede: 'Met het scheppen van de mens, zijn evenbeeld, ging God volgens de engelen te ver. De vanzelfsprekendheid van de mens om de schoonheid door middel van macht, wijsheid en liefde te beleven is de engelen een doorn in het oog. Voor hen zijn die krachten slechts afzonderlijk te beleven.

Gabriël staat voor wijsheid, maar zonder liefde of macht. Michaël staat voor macht, maar kan zijn macht niet aan liefde verbinden. Rafaël staat voor liefde en wijsheid, maar ontbeert alle macht. Lucifer, als drager van het licht, staat voor intelligentie, maar ontbeert zowel wijsheid, liefde, als macht. Dat maakt van Lucifer, die als eerste door God werd geschapen ('Er zij licht') en die dus het meest gekrenkt is, een gedroomd slachtoffer van Gods avontuur. Met het scheppen van zijn evenbeeld vervalt God in hubris en dat kan niet zonder pijn, zelfs niet voor God. Zo ontstaat de polarisatie tussen hemel en hel, het referentiekader voor het menselijk denken. Lucifer is een mythologische verbeelding van het volwassen worden van elk mens en het ontstaan van het moreel besef.'

Vondel leefde overigens nog net in een tijd dat de duivel niet als een louter mythologische figuur werd gezien. Van de kathedralen stroomde de regen door Satans gedrochtelijke bek naar beneden. Vanaf de eerste kruistocht werden joden en islamieten gedemoniseerd om ze zonder gewetenswroeging af te kunnen slachten. De Inquisitie ging op duiveljacht tegen andersdenkenden en op heksenjacht tegen vrouwen. Maarten Luther, een van die andersdenkenden, worstelde nog in de zestiende eeuw zo met de duivel dat op de muur van zijn werkkamer nog altijd de vlek te zien is van de inktpot die hij gooide naar satan, toen die hem hinderde.

Luther had last van constipatie en hij dacht dat de duivel in zijn ingewanden woonde. Zijn moeizame stoelgang beschouwde hij als een manier om de duivel uit te drijven: 'Maar als dat niet genoeg voor je is, jij duivel, ik heb ook gescheten en gepist. Veeg je mond daarmee af en neem een lekker hapje.' Dit soort details zijn verzameld door Peter Stanford in een smakelijk boek: The Devil, a biography.

De joden hebben nooit veel op gehad met Satan, die door de christenen te pas en te onpas werd opgevoerd. De apostel Paulus begon daar al mee: 'Ik, Paulus, heb namelijk een en andermaal tot u willen komen, doch de satan heeft het ons belet.' (1 Thessalonicenzen 2, 18). Joden gaan er van uit dat wij zelf verantwoordelijkheid dragen voor ons doen en laten en in plaats van op Satan houden ze het liever op yetser hara, de boosaardige neiging in ons allen. De islam, ook schatplichtig aan de Bijbel, kent wel een duivel, maar dan als kleine ondergeschikte van Allah. Alleen de christenen hebben de duivel opgeblazen tot een grote macht.

'De duivel,' zegt godsdienstfilosoof Leszek Kolakowski, 'is, zolang de christelijke beschaving bestaat, een leidend beginsel geweest in de wereldpolitiek. De duivel dient om vast te stellen wat niet goed is en werd iets dat verantwoordelijk was voor het kwaad en dat God en ons vrijuit liet gaan.'

Paulus schreef over ongelovigen 'die ik aan de satan heb overgegeven, opdat hun het lasteren wordt afgeleerd.' (1 Timotheüs 1, 20). Als dat niet hielp werden ze later aan het spit geroosterd nadat ze de tong uit de mond was gerukt. Dat was lange tijd het krachtigste argument van de christelijke theologen en sinds het ze is ontvallen zijn hun zaken hard achteruit gegaan. Vanaf de achttiende eeuw is de duivel dan ook geleidelijk in diskrediet geraakt bij de grote christelijke kerken.

Zo verkeerde de Engelse romancier Evelyn Waugh, een katholieke bekeerling, in 1954 in de mening dat hij door de duivel was bezeten. Tijdens een lange, eenzame zeereis naar Ceylon werd hij geplaagd door stemmen en achtervolgingswaan. Na aankomst vloog hij meteen terug naar Londen, waar hij een bevriende Jezuiet verzocht bij hem de duivel uit te drijven. De Jezuiet wilde hem dat genoegen doen op voorwaarde dat de schrijver eerst een dokter raadpleegde. Die stelde vast dat het probleem werd veroorzaakt door Waughs slaapdrank, een cocktail van alcohol en barbituraten. Toen dat veranderde verdween de duivel vanzelf uit Waughs hoofd. Zo vergaat het de Prins der Duisternis tegenwoordig.

Stanford: 'Praten over de duivel is bepaald uit de mode geraakt in de grote christelijke kerken van de twintigste eeuw. Soms wordt hij even genoemd, terloops, maar de figuur die ooit God naar de kroon stak, als een naam die op de lippen lag van elke geestelijke is nu verdwenen in een vreemd soort vergetelheid.' Zou het? Karl Rahner, de invloedrijkste katholieke theoloog van de twintigste eeuw, schreef nog in 1975: 'De duivel dient niet te worden beschouwd als een louter mythologische personificatie van het kwaad in de wereld; het bestaan van de duivel kan niet worden ontkend.'

Maar alleen in de meer fundamentalistische uithoeken van het volksgeloof jaagt hij de gelovigen nog schrik aan. En anders doet hun God dat wel, een God die zijn kinderen dreigt met hel en verdoemenis, ze klein en bang maakt, ze vele genoegens van het leven ontzegt en opzadelt met een zo verpletterend zondebesef dat het soms tot zelfmoord leidt. Voor een buitenstaander is er weinig verschil tussen die God en de duivel, maar de gelovigen zelf zien dat natuurlijk anders.

In die kringen wordt de duivel dan ook nog uitgedreven, zoals me dezer dagen verzekerd werd door een bevriende dame van die strekking: 'Ik was nog maar pas Christin toen ik een vrouw ontmoette die de Heer wel wilde loven en prijzen, maar het niet kon. De duivel belette haar dat. Toen zei ik: dan wil ik met je bidden. En ze probeerde de Heer te loven, maar haar keel werd dik, alsof er een prop in zat. Ik bad door en opeens ging die prop weg en ze viel onmachtig ter aarde en toen ze daarna weer opstond kon ze de Heer loven.' Zo'n dikke keel was te zien in The Excorcist (1973), een film die deel uitmaakte van een hausse in duivelfilms. Rosemary's baby (1967) was de eerste en ik geloof dat het weer afgelopen was met The Omen (1976). In die films nam de duivel de gedaante aan van een kind, misschien wel als bewijs van de infantilisering van het wereldbeeld waarin God de new age in zweefde. Nee, de duivel is bepaald niet meer de kerel die hij was toen Robert Johnson in 1937 over hem zong in Me and the devil blues:

Me and the devil was walkin' side by side

Me and the devil, ooh, was walkin' side by side

And I'm goin' to beat my woman until I get satisfied.

Peter Stanford: The Devil, a biography. (Heinemann, Londen, ¿ 29,35).

Joost van den Vondel: Lucifer. Door Compagnie De Koe i.s.m. het Zuidelijk Toneel. Première in De Toneelschuur, Haarlem, op 28 maart.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden