Ruimte voor zachtheid

In allerlei opzichten is Frankrijk een prachtig land, dat is bekend. Maar muziek hoort daar niet bij. Dacht Ariejan Korteweg, toen hij een jaar geleden correspondent in Parijs werd voor deze krant. Hij begon een ontdekkingsreis door Frankrijk: bestaat er zoiets als echt Franse pop?

De Fransen zijn dol op Céline Dion, een sliertige zangeres die je op eigen kracht niet snel met Frankrijk in verband zou brengen. Eenmaal in Frankrijk verandert je perspectief. Dion komt uit Québec, is volgens het grootfranse levensgevoel dus naaste familie en spreekt de taal vloeiend. Dat schept meteen zo’n band dat het Journaal haar een kwartier lang interviewde en de president in eigen persoon haar het Legion d’honneur – een serieuze onderscheiding – opspelde.

Nog veel meer houden de Fransen van Johnny Hallyday. Sinds mensenheugenis is hij een vedette – in het Frankrijk vóór Hallyday waren de huizen niet van stromend water voorzien. Soms zie je in één reclameblok eerst een spot voor zijn laatste cd, en daarna Johnny zelf, die als een overjarige superman brillen aanprijst. (Zijn restaurant Balzac in Parijs is trouwens helemaal niet slecht).

Waarmee de vooroordelen krachtig zijn bevestigd.

AANBEVOLEN
The Dø - A mouthful (Wagram)
Lichtvoetig Frans-Fins popduo dat met z’n debuutalbum een inkijkje geeft in een eigen wereld waar de zwaartekracht geen vat op heeft.

Dominique - A Sur nos forces motrices (Wagram)
Als de Franse chansontraditie één echte vernieuwer heeft, dan is het deze kaalhoofdige troubadour, die op dit live-album vastberaden de grenzen van het pathos opzoekt, maar er nooit helemaal overheen gaat.

Yelle - Pop-Up (EMI)
Tienerster uit Bretagne die onbekommerde bubblegum paart aan teksten die een zekere levenswijsheid verraden.

Cali - L’Espoir (Virgin)
Ik ben lelijk, zingt de rocker uit Perpignan. Daar denkt zijn trouwe aanhang, die hem waardeert om zijn combinatie van mediterrane onbekommerdheid en oprecht engagement, heel anders over.

Cocoon - My friends all died in a plane crash (Sober & Gentle/Discograph)
Duo uit de Auvergne dat met een sober instrumentarium en grote onbevangenheid aan de wieg staat van de Franse folkrevival.

Grand Corps Malade - Enfant de la ville (AZ/Universal)
Poëzie hardop uit de banlieue’s van een blanke rapper met het hart op de juiste plek. Ongetwijfeld het album met het grootste aantal woorden van dit jaar.

Justice - = (Ed Banger records/ Because)
De beste Franse dance-unit mag niet ontbreken op dit lijstje. Al is het alleen maar omdat ze met D.A.N.C.E voor de vrolijkste reclamemuziek van het jaar zorgden.

Camille - Music Hole (Virgin)
Kunstzinnige vocale experimenten van een zangeres die zich laat beïnvloeden door minimal music, de zang van pygmeeën, Benjamin Britten, rap en nog veel meer. Alle geluid is akoestisch, en vaak voortgebracht met het lichaam: mond, handen, dijen.

Syd Matters - Ghost days (Because)
Stijlvaste alt.country van het ongrijpbare soort, met zachte zang op een fluwelen bedje van gitaren. Je zou zweren dat dit Amerikanen zijn die op weg naar Europa het slagwerk kwijtraakten.

Solal presents Moonshine Sessions - idem (Yabasta/ Discograph)
Met zorg, liefde en een charmante Franse slag gemaakte country, balancerend op de grens van twee ogenschijnlijk onverenigbare culturen.

French Cowboy - Baby face Nelson (Yapucca/ Because)
Alsof Lou Reed en Johnny Cash samen dronken werden in een Parijse brasserie en de ober vroegen hun teksten in het Frans te vertalen: vaudeville met een gemeen randje.

Alain Bashung - Bleu Pétrole (Barclay)
Voor de echte francofiel die het geduld heeft deze aartsvader van de Franstalige countryrock minstens vijf draaibeurten te gunnen alvorens een oordeel te vellen.

James Deano - Le Fils du Commissaire (Warner)
Dit is vals spelen want de zoon van de commissaris komt uit Brussel. Omdat hij de vrolijkste en scherpste (les gens sont stressés) Franstalige rapper van het moment is, en geliefd in Frankrijk, mocht hij niet ontbreken.
]]>In allerlei opzichten is Frankrijk een prachtig land, dat was bekend. Maar het muzikale opzicht hoort daar niet bij. Soms – Daft Punk, Air, Nouvelle Vague, Manu Chao, Plastic Bertrand desnoods – is er een toevalstreffer. Voor het overige is het niets dan chansons en eurovisiedeuntjes wat de klok slaat.

Er zijn meer buitenlanders die er zo over denken. Carla Bruni, Italiaanse van geboorte en sowieso al niet de minste, zei het op 22 juni in een interview met dagblad Libération zo: ‘De Fransen zijn een nogal nostalgisch volk, zeer literair en weinig muzikaal.’

En dan te bedenken dat dit volk meer dan één miljoen Bruni-cd’s kocht. Wat zou dat dan te betekenen hebben?

In die geestesgesteldheid begon een jaar geleden een ontdekkingsreis door Frankrijk: bestaat er zoiets als echt Franse pop? Als een slecht voorbereid Marslandertje nam ik de eerste monsters. En om de spanning niet nodeloos op te voeren: in Frankrijk wordt enorm leuke muziek gemaakt! Het is zelfs een regelrechte schande dat de rest van de wereld daar geen weet van heeft.

De Italiaanse schrijver Curzio Malaparte omschreef Frankrijk eens als een eiland dat wordt omringd door land. Alles is er: bergen en vlakten, zee en oceaan, landbouw en industrie, grote steden en lege ruimte, grandes randonnées en TGV’s. Dat geeft de Fransen het gevoel dat ze de rest van de wereld niet nodig hebben. Ze gaan in eigen land op vakantie, ze eten en drinken producten van eigen bodem. Zo is het met muziek ook: de Fransen zijn graag selfsupporting en hoeven niet zo nodig de boer op. Er is een groot binnenlands afzetgebied, daar horen Zwitserland, Wallonië en Canada ook bij; de Verenigde Staten zijn voor Frankrijk nog steeds heel ver weg.

Het culturele weekblad Les Inrockuptibles was de eerste gids op die zoektocht. Het heeft vaak een verzamel-cd als bijlage met nummers van te verschijnen albums. Op Une rentrée 2007 stond het liedje Vultures. Simpel gitaarloopje, tamboerijn erbij en dan komen de stemmen, die zingen over hongerige gieren, over de geest van een oude man en over twee witte geiten die gedood worden. Geen touw aan vast te knopen, maar heel goed gedaan.

Later bleek het hele album My friends all died in a plane crash met dezelfde zorg en liefde gemaakt: muziek voor in de blokhut, met de poes op schoot, een knapperig vuurtje in de haard en een pot warme thee. Nergens zwaarte te bekennen, de melodie wint het altijd van het ritme. En alleen aan de uitspraak van ‘vultures’ is te horen dat dit geen Amerikaans koppel is.

Cocoon bleek namelijk het zacht trippelende paradepaardje van wat op het moment waarschijnlijk de levendigste muziekscene van Frankrijk is: de Auvergne, het vulkanische hart van Frankrijk. In Clermont-Ferrand, de enige stad van enige omvang in de regio, treffen muzikanten elkaar in de Coöperative de Mai. Uit dezelfde stal komen Quidam, Kaolin, The Delano Orchestra en St. Augustine.

Ze zingen er over een hond die doodgaat, over het huis van hun opa of over hoe moeilijk het is gelukkig te zijn als het regent. Alles ongehaast, zonder onnodige elektronica en in de kleren die ze toevallig bij het opstaan naast hun bed vonden. Die Auvergnats zijn een tikje in zichzelf gekeerd – het schijnt de aard van de streek te zijn. Alsof er een muzikale luchtbrug van Clermont-Ferrand naar de Appalachen loopt, schreef een Frans blad al eens, en dat is goed getroffen.

Toch is die Auvergne-variant niet maatgevend voor Franse muziek. Wat the french touch doet, is beter duidelijk te maken aan de hand van The Moonshine Sessions van Philippe Solal, een hippe Parijzenaar. Dit project van de man die met Gotan eerder de tango moderniseerde, behoort tot de beste country-albums die het afgelopen jaar verschenen.

Het is onmiskenbaar country – en bovendien gemaakt met uitstekende muzikanten uit Nashville. En het is even onmiskenbaar Frans. Door de woordkeus, die nogal on-Amerikaans is. Maar ook door de afwezigheid van zwaarte, zelfs in liedjes die gaan over verlies, scheiding of gekte.

Syd Matters, een Parijs bandje dat zijn eigen trage, omfloerste variant van de alt-country ontwikkelde, heeft vergelijkbare kwaliteiten. Ze klinken alsof alles tijdens een diepe sluimer is ontstaan. Het is muziek die zich niet opdringt, die je dwingt voorover te buigen om goed te horen. Drummers hebben een rustig leven in Frankrijk. Cocoon en Moonshine hanteren de lichtste variant, Syd Matters doet het zelfs helemaal zonder.

Hoe mooi ook, dergelijke acts bezorgen Frankrijk geen plaats in de frontlinie. Die verdien je eerder met acts als Sébastien Tellier, de nummer negentien van het laatste Songfestival. En ook met de orkestrale elektronische dansmuziek van Justice, twee aardige jongens uit de hoofdstad die thuis liever naar oude soul luisteren.

Beluister een fragment uit 'D.A.N.C.E' van Justice:
]]>

Al snel werd duidelijk dat alle muziekstijlen die wereldwijd voorkomen, ook in Frankrijk te vinden zijn. Ze klinken er net anders, dat wel. Waar dat ‘net anders’ uit bestaat, dat was de volgende vraag.

Tellier bedient zich, zoals veel Franse artiesten, van het Engels, of desnoods het franglais, een vrije mix van beide talen. Je vraagt je af waarom. De Franse taal is gemaakt om te zingen – al dreigen de coupletten nog wel eens heel lang te worden.

Dat er dan ongekende mogelijkheden zijn blijkt bij Yelle, een springerig meisje uit Bretagne dat een soort elektropop maakt die haar genoeg credibility geeft om ook in de clips van de heavy Franse hiphoppers te mogen meedoen. Yelle is niet voor één gat te vangen. Op Pop-up, haar debuutalbum, bezingt ze in dertien zeepbellerige liedjes net zo gemakkelijk haar liefde voor vrouwen als voor jongens, en als een jongen die ze wel ziet zitten van een Hummer blijkt te dromen heeft ze ook nog een loflied op de soloseks achter de hand.

Beluister een fragment uit 'A cause des garcons' van Yelle:
]]>

De Franse taal is een te machtig wapen om over te laten aan fluistermeisjes als Carla Bruni en Vanessa Paradis.

Als Yelle de Franse Lily Allen is, dan is Alain Bashung een Herman Brood. Zijn imago is dat van een oude rocker, wat in Frankrijk iets anders betekent dan in de Angelsaksische wereld. Zijn laatste album, Bleu Pétrole, is eerder een dramatisch soort countryrock. Zwaarder, logger zelfs dan je van Franse artiesten gewend bent. Maar een nummer als Je t’ai manqué (ik heb je gemist) heeft alle kwaliteiten van een goede popsong. Het bezwerende refrein nestelt zich in je hoofd. In zijn teksten neemt hij met een nonchalance die goed bij een ouwe rocker past de liefde op de korrel.

Dan, op een dag, vind je jezelf terug op de autoroute terwijl je luidkeels mee brult met l’Amour, een loflied op de onvoorwaardelijke liefde dat ze bij het eindexamen Frans verplicht zouden moeten stellen. Dit is Franse muziek met stadionallure, waarbij intimiteit en dynamiek in een wankel evenwicht verkeren. Het is van Dominique A, een troubadour die de best denkbare pleitbezorger is voor het Frans als voertaal in de popmuziek. Dank zij hem wordt het pleit beslecht: popmuziek in het Frans is mogelijk.

In Bourges, een vriendelijk stadje zo’n tweehonderd kilometer onder Parijs, wordt elk voorjaar het festival Printemps gehouden. Het is een vlootschouw van de Franse popmuziek; in een paar dagen trekt op de verschillende podia alle techno, reggae, rai, nouvelle chanson en kunstnijverheid langs die deze zomer de Franse podia en festivals zal beheersen.

De straat die alle locaties verbindt wordt voor de gelegenheid Rue Serge Gainsbourg genoemd, naar de toch al weer zeventien jaar geleden gestorven zanger die in Frankrijk nog steeds wereldberoemd is. Zijn voornaamste bijdrage: een hele reeks op muziek gezette erotische fantasieën, vaak met een dubbelzinnige lading. Waaruit maar weer blijkt dat Frankrijk een eigen muzikale traditie heeft.

Op het grote podium van Le Phénix wordt nog eens bewezen hoe breed het spectrum is. Eerst zingt het huisbakken gezelschap Moriarty over de buffel die vooral moet doen waar ie goed in is, en over de man in z’n Landrover die onder het mom van zakendoen het land leeg plundert. Duizenden Fransen wiegen in trance op een lange solo voor mondharp. De drankverkoop is intussen het vermelden niet waard: twee stands met waterig bier aan weerszijden van de tent. Bijkomend voordeel voor de verslaggever: de gemiddelde Franse concertganger is een kop kleiner dan die in Nederland.

Beluister een fragment uit 'Jimmy' van Moriarty:
]]>

Zo Amerikaans als Moriarty klinkt, zo op en top Frans is Thomas Dutronc. De jonge showman in wit pak heeft een dubbele agenda. Hij speelt semi-akoestische instrumentals die zijn geïnspireerd op de Hot Club de France van Django Reinhardt. Die wisselt hij af met opgewekte rockchansons, waarin ook bankfraudeur Jerôme Kerviel, diepvries frieten en voorgebakken tv-programma’s op de korrel worden genomen. En anders dan Jacques Dutronc, die met Il est cinq heures, Paris s’eveille nog een loflied op de hoofdstad zong, bevalt zoon Thomas Parijs ook maar matig.

Beluister een fragment uit 'J'aime plus Paris' van Thomas Dutronc:
]]>

Na een jaar durf ik wel te zeggen dat er zoiets als een Franse muzieksmaak bestaat. Die is ook af te lezen aan wat hier – naast Céline Dion – zoal aan buitenlandse muziek aanslaat. Mannen met lange manen die op gitaren raggen kunnen hier vooral dienst doen in een parodie, zoals Sébastien Tellier dat probeerde in zijn songfestivalliedje.

Een zekere lichtvoetigheid is een pre. The Nits bijvoorbeeld worden gewaardeerd. De jonge Amerikaanse zangeres Alele Diana, wier Pirate’s Gospel een mooi staaltje huisvlijt is, is in Frankrijk zeer geliefd. Omdat de Fransman verzot is op pathos, zijn PJ Harvey, Patti Smith en Björk, de dramaqueens van de popmuziek, populair.

Verder mag nooit worden vergeten dat Frankrijk de bakermat is van het postmodernisme. In de literatuur wordt de traditie van kopiëren, plakken, uiteenrafelen en monteren levend gehouden; witregels behoren tot de belangrijkste stijlmiddelen. In het verlengde daarvan krijgen muzikale grasduiners als Sufjan Stevens, Andrew Bird en Sparklehorse hier bijval.

Heb je dat alles op een rijtje gezet, dan kom je uit bij The Dø, een duo dat met A mouthful veel van die charmante Franse eigenschappen verenigt. Het is een beetje circus en een beetje vaudeville, de opgewektheid van de new wave en het zeurderige van de protestgeneratie zijn niet onopgemerkt gebleven, de melodische rijkdom is groot. Al die elementen worden op de teenpunten samengebracht. Dat zangeres Olivia B. Merilahti Finse van geboorte is, een kniesoor die er op let.

Beluister een fragment uit 'On my shoulders' van The Dø:
]]>

Het is echt popmuziek, maar met een net wat andere, zeg maar mediterrane, lichtval. Er wordt meer gefluisterd, meer gesuggereerd, waardoor ruimte ontstaat voor zachtheid en een zekere onschuld.

Daar lever je dan graag een stevige beat plus wat gemenigheid en volume voor in.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden