Roodkapje als zinnebeeld

ONDER NEDERLANDSE historici is mentaliteitsgeschiedenis nooit erg in trek geweest. Toch heeft deze Franse mode, enthousiast overgenomen door de rest van de westerse wereld, wel degelijk een ruim publiek gevonden in de Lage Landen....

Bovenal wekt de vaderlandse geschiedschrijving de indruk deze speurtochten naar het diepste van de menselijke belevingswereld veel te speculatief te vinden.

Nederlandse historici brengen liever in kaart. Ze tonen grote terughoudendheid bij het aanwijzen van grotere verbanden of het overbruggen van de gapingen tussen de bewaarde bronnen. Elke uitspraak over het verleden beweegt zich op een glijdende schaal van mogelijk tot aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid.

Hier zoekt men het vooral in de hoek van de zekerheden. Dat levert beperkingen op in de keuze van het onderwerp en de verslaglegging, waardoor hoe dan ook een meer persoonlijk contact met het verleden wordt bemoeilijkt. Maar misschien behoort dat toch de ultieme taak van de historicus te zijn. Elke generatie wenst een eigen verstandhouding op te bouwen met de beweegredenen van de voorouders, want met het heden verandert het verleden mee. En de historicus bemiddelt.

De Amsterdamse mediëvist Rudi Künzel betoont zich in dit opzicht een ideale roerganger. In zijn proefschrift, Beelden en zelfbeelden van middeleeuwse mensen, gebouwd rond een aantal eerdere publicaties aangevuld met veel nieuws, combineert hij de deugden van de buitenlandse mentaliteitshistorici met de wat-koop-je-ervoor-houding die eerder het klimaat in Nederland bepaalt.

Künzel wil zeer zeker weten wat onze middeleeuwse erflaters bezielde. Maar hij wijkt geen duimbreed af van wat de schaarse bronnen daarover lijken los te laten. Daarom beperkt hij zijn onderzoek zeer beslist tot de casuïstiek waartoe zijn bronnen hem zijns inziens veroordelen. Nergens generaliseert hij, terwijl verbindingen met vergelijkbare noties in andere bronnen en door anderen geopperde cultuurhistorische tradities tot het uiterste beperkt blijven.

Maar bovenal laat hij het handwerk van de mentaliteitshistoricus zien, of liever: van de historisch-antropoloog, zoals hij zelf zegt vanwege de vaagheid van het begrip 'mentaliteit'. Dat zorgvuldige geknutsel benoemt hij soms zo nadrukkelijk dat het boek telkens dreigt te veranderen in een documentaire over het naspeuren van collectieve en individuele mentaliteiten in het verleden. Zelfs de montage markeert hij nog eens extra door de rijgdraden opzichtig te tonen in het uitvoerig aankondigen van wat komen gaat of wat nu afgesloten wordt.

Door deze werkwijze worden eventuele verrassingen bij het lezen allerminst bevorderd. En ook de casuïstiek is niet altijd even opwindend, zeker wanneer de auteur zo halsstarrig weigert verder te springen dan zijn polsstok lang is, terwijl er toch zoveel ander afzetmateriaal gereedligt. Maar de voordelen zijn evident. Zelden heeft iemand nauwgezetter reeds lang en breed bekende bronnen uitgeperst op hun mentaliteitsgoed en de betrouwbaarheid daarvan.

Voor de periode van de vroege en hoge Middeleeuwen (zevende tot dertiende eeuw) gaat Künzel uit van een viertal groepsculturen: adel, geestelijken, boeren en - met enige aarzeling - ook burgers. Die aarzeling komt niet alleen voort uit de onwilligheid van kerkelijke zijde - uit die hoek komen alle bewaarde bronnen - om zo'n vierde stand te onderscheiden, maar ook uit de problemen om in deze periode stedelingen en een bijbehorende groepsmentaliteit te herkennen.

In Trier openbaart zich een zeker lokaal zelfbewustzijn vanaf de elfde eeuw door het accentueren van een lange stedelijke traditie, die al ver voor het christendom een aanvang genomen zou hebben. Andere aanwijzingen kunnen worden geput uit de gebruikte terminologie van de geestelijke schrijvers met betrekking tot de sociale stratificatie.

Daarbij valt op dat het optreden van leken kan worden gekarakteriseerd door te vermelden dat het gepaard ging met luid geschreeuw en tumult. Zo doen geestelijken niet, want hun manier van samenleven kenmerkt zich door stilte en ingetogenheid. Hoe negatief een dergelijke auteur ook tegenover zulk stadsrumoer staat, hij onthult hiermee toch andere samenlevingsvormen te herkennen dan de door hem geapprecieerde.

Terecht maakt Künzel veel werk van de mogelijkheden om in zijn eenzijdige bronnen wereldse vertelstof te herkennen die een geestelijk auteur alleen maar van horen zeggen kan hebben. Prachtig is het voorbeeld van de verwerking van het sprookje over Roodkapje in een Latijns leerboek voor de Luikse domschool.

Bij de verschriftelijking van zulke overlevingsverhalen uit een ongeletterde massacultuur treden aanpassingen op die de tekst geschikt moeten maken als illustratie van waarden in de elitecultuur. Na haar doop krijgt een meisje een roodwollen manteltje van haar peetvader. Ze waagt zich alleen in het bos, waar ze gevangen wordt door een wolf als voedsel voor zijn welpen. Maar die aaien haar over haar hoofd in plaats van haar te verslinden.

Uit latere optekeningen van dit sprookje weten wij dat het meisje met huid en haar werd opgegeten, omdat het verhaal moest functioneren als waarschuwing om niet zomaar het bos in te gaan. Dat vonden de gebroeders Grimm weer al te cru, waarop zij Roodkapje en haar grootmoeder weer uit de buik van de wolf lieten bevrijden. De Luikse schoolmeester voegde het doopverhaal toe. Daardoor laten de welpen haar met rust. De les voor de geestelijke knaapjes-in-opleiding is dat de doop (veraanschouwelijkt in het rode manteltje) tegen alle kwaad beschermt.

Van belang zijn ook de correcties die Kunzel aanbrengt op het nogal gretige gebruik onder mediëvisten van het schuld-schaamte-model uit de culturele antropologie. Een schaamtecultuur drijft op sancties van buitenaf, terwijl een schuldcultuur zich eerder laat leiden door een verinnerlijkt zondebesef. Wereldlijke aristocratieën zouden nu voornamelijk worden geregeerd door sleutelbegrippen als eer en schande.

Künzel laat zien dat al in de elfde eeuw schaamte ook wordt beschouwd als motor voor persoonlijk schuldgevoel, met hetzelfde effect als andere vormen van boetedoening. Schaamte en schuld blijken met elkaar verbonden te worden, zodat er in deze tijd eerder sprake is van een gemengde schuld- en schaamtecultuur.

Zo draait het hele boek om het creatief benutten van de bronnen. Künzel toont daarbij veel begrip voor de verwoestende effecten van literaire tradities in de vormgeving van teksten. Daardoor kunnen bedrieglijke afstanden tot de werkelijkheid ontstaan. Ook tijdgebonden stijltrucs op beperktere schaal kunnen in het heden tot misverstanden leiden.

Van het wegen en proeven van het schaarse en eenzijdige bronnenmateriaal uit het holst van de Middeleeuwen op hun antropologische materiaal geeft Künzel voortreffelijke demonstraties. Zijn wat opdringerige schoolmeesterisme nemen we daarbij op de koop toe. Heimelijk mag men hopen dat hij ook eens een poging durft te wagen wat grotere grepen voor te stellen op basis van dat zo duchtig voorbewerkte materiaal.

Herman Pleij

Rudi Künzel: Beelden en zelfbeelden van middeleeuwse mensen - Historisch-antropologische studies over qroeps- culturen in de Nederlanden, 7de-13de eeuw.

SUN; 318 pagina's; ¿ 49,50.

ISBN 90 6168 491 9.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden