Rondsluipen met de camera in aanslag Antropologen presenteren hun films op Festival Beeld voor Beeld

Zonder vergunning komt de filmende antropoloog tegenwoordig niet ver. De inboorling is zich ter dege bewust van zijn positie en is niet altijd gediend van dit soort aandacht....

ARIEJAN KORTEWEG

AAN TE schuiven bij een familie van Jie-herders in Uganda, terwijl de mannen het weer en de toestand in de wereld bespreken, de vrouwen trek krijgen in wat snuff en de kinderen doorgaan met hun spelletje wat heb ik in m'n hand: een doorn, een beetje mierenaarde, een veertje, een vruchtje? Mis, het is een stukje van een plastic zak.

Om een hoekje te kijken bij een vruchtbaarheidsritueel in de binnenlanden van Papoea-Nieuw-Guinea, dat maar eens in de zeven jaar wordt gehouden en waar na dagen van dans, muziek en maskerades het hoogtepunt wordt bereikt als beschilderde mannen hun pijlen afvuren op een onzichtbare vijand.

Door de knieën te zakken bij straatkinderen in Manilla op de Filipijnen, die onder een boom wonen, waar ze elkaar flink op het gezicht timmeren, eerlijk de inhoud van een geroofde portemonnee delen en zich niet door je aanwezigheid laten weerhouden van hun voornaamste bezigheid: het snuiven van lijm, waarvan ze zulke slappe knieën en troebele ogen krijgen.

Stiekem hoop je dat een antropologische film eigenlijk toch een soort natuurfilm is, waarin de wind blijft waaien en de hertjes blijven drinken bij de grote rivier met de krokodillen - of er nu wel of niet een cameraploeg in de buurt is. Je zoekt de illusie dat zo'n film de inboorling in zijn gewone doen heeft weten te betrappen, onaangeraakt door de afspraken en verleidingen van de westerse beschaving. Alsof het beeldscherm het venster van een reusachtig aquarium zou zijn, waarachter het leven ongestoord z'n natuurlijke gang gaat.

Als de films op Beeld voor Beeld, een festival in Amsterdam voor visuele antropologie, iets duidelijk maken, dan is het wel dat dat naturel een illusie is. De inboorling is zich geheel bewust van de aandacht die hij krijgt, en het is de filmende antropoloog of documentairemaker geraden om daar zo duidelijk mogelijk over te zijn.

Het openingsbeeld van Taking pictures (1996) van Les McLaren en Annie Stiven maakt meteen al dat dilemma duidelijk. Een Australische filmer die een bijeenkomst van Papoea's wil vastleggen, wordt vastberaden door hen terechtgewezen. Waar is je vergunning, wil een grote Papoea weten. Zonder vergunning mag je ons niet filmen. Je bent er zeker op uit om de wereld te laten zien wat een domme mensen hier wonen. Verdwijn maar met je camera!

Lang niet altijd wordt de aandacht als negatief ervaren. Dezelfde film bevat het verhaal van een Papoea-jongen die zijn eigen rituele inwijding op film terugzag en besloot zelf te leren met een camera om te gaan, zodat hij de gebruiken van zijn stam zou kunnen vastleggen.

Nog opmerkelijker is de situatie van een Papoea die in een dorp aan de kust woont, dat doelwit is van toeristische excursies. De man staat er met ontbloot bovenlichaam heel authentiek bij, zodat de in cirkels rond zijn tepels aangebrachte littekens goed zichtbaar zijn. Terwijl hij vertelt over het warme onthaal dat de toeristen in zijn dorp krijgen en de welvaart die hun geld binnen bereik brengt, sluipt een blanke dame met de camera in de aanslag om hem heen. Het is duidelijk dat de man zich ongemakkelijk voelt in zijn rol van fotomodel, maar hij pakt haar geld dankbaar aan.

Het aardige van Taking pictures is, dat de filmers in hun documentaire hun eigen handelswijze niet buiten beschouwing laten. Immers, ook de filmer die de Papoea en de toerist vastlegt vormt een inbreuk op het gewone leven. Waarom film je me terwijl ik aan het houtsnijden ben, moppert een Papoea verontwaardigd. De mensen zullen denken dat ik dom ben. En straks mislukt m'n ontwerp nog.

Whose story is it? Dat is de vraag die in het festival centraal staat. Geeft de maker zijn eigen visie of is hij een doorgeefluik voor wat zijn onderwerp wereldkundig wil maken? De vraag is geopperd door de Australische antropoloog David MacDougall, hoofdgast van het festival. Van hem wordt een aantal films vertoond. Zoals To live with herds over het leven van de Jie-herders in Uganda, waarmee hij in 1972 zijn naam vestigde - niet in de laatste plaats omdat dit een van de eerste films was waarin 'inboorlingen' ondertiteld werden.

In Takeover (1980) laat ook MacDougall zien dat de 'studie-objecten' hun onbevangenheid met de media al lang hebben afgelegd. De Aurukun-Aboriginals protesteren omdat ze bang zijn hun land te verliezen. Aanvankelijk staan ze alle cameraploegen te woord die de moeite nemen met kleine vliegtuigjes naar hun afgelegen gemeenschap te komen. Maar op zeker moment is het vertrouwen weg en nemen ze het heft in handen: geen media meer, tenzij die tevoren toestemming hebben gevraagd. Het zijn mensen, net als jij en ik, benadrukt een Aboriginal-vrouw in de film.

Ook de Aboriginals in Aeroplane Dance (1994), gemaakt door de Australiër Trevor Graham, zijn zich bewust van de aanwezigheid van een cameraploeg. Laat niemand dronken worden bij deze belangrijke uitvoering, waarschuwt een ouder echtpaar. En zeker niet nu de dans wordt gefilmd. De film kan ons heel wat geld opleveren.

In Aeroplane Dance wordt het fictie-element sterk benadrukt. Tijdens de Tweede Wereldoorlog stort een Amerikaans vliegtuig neer in het noordoosten van Australië. Aboriginals van het Yanyuwa-volk zoeken naar de vijf inzittenden, die aan het zwerven zijn geslagen. Weken later weet oom Strike-a-light de enige vliegenier te vinden die nog in leven is.

Die belevenis is door de Yanyuwa's in een prachtig vliegtuig-totaaltheater vervat, waarbij mannen en vrouwen in een dans met wijdgespreide armen het luchtruim doorkruisen, terwijl anderen de ballade van de zoekactie zingen. Tenslotte wordt een takkenberg in de vorm van een vliegtuig in brand gestoken.

De film vervlecht een verslag van de voorbereidingen op die dans met gedramatiseerde zwartwit-beelden van de vliegeniers die door de Australische bush sjokken. De Aboriginals geven intusen survival-tips en leggen uit dat de Amerikanen weinig kans hadden om te overleven, omdat ze het landschap 'niet konden lezen'.

Zo geven de antropologische filmers je zelden de kans te vergeten dat het hier wel degelijk om film gaat. Wie dat wel doet is de Nederlander Louk Vreeswijk, wiens Eigen terrein (1996) al eens door het Humanistisch Verbond op televisie is vertoond. Vreeswijk vraagt niet, interpreteert niet, legt niet uit. Hij laat zien, hoe kinderen die nog niet eens puber zijn overleven in de straten van Manilla. Dankzij elkaar, dankzij de boom die voor wat beschutting zorgt, en vooral dankzij de lijm die hen laat dromen.

Festival Beeld voor Beeld, 8ste editie. Van 5 tot en met 8 juni in Soeterijn, Amsterdam.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden