Roekeloze snotneuzen

Meer dan dertig jaar geleden dwongen twee journalisten van de Washington Post president Nixon tot aftreden. Intuïtie en de overtuiging de waarheid op het spoor te zijn, blijken achteraf even belangrijk als harde bewijzen....

Hele generaties journalisten zijn opgegroeid met Carl Bernstein en BobWoodward als rolmodel na hun boek All the President's Men (1974) enmisschien nog wel meer nadat de verfilming door Alan J. Pakula ons leerdedat journalisten eruitzagen als Robert Redford en Dustin Hoffman en gedurigtegen elkaar stonden te schreeuwen bij een koffieautomaat op de redactie.Hogere journalistiek, dat was de niet-deugende autoriteiten hinderlijkvolgen, de verborgen agenda van de machthebbers blootleggen. Op mijnuitgave zit een sticker waarop '30ste-verjaardags-editie' staat (2004) enachterop bij de aanbevelingen begrijp je de populariteit van dit boek onderde beoefenaren van Het Vak. 'Een gemakkelijk geschreven whodunnit', vondThe New York Times; 'Een van de beste detectiveverhalen ooit geschreven',oordeelde The Denver Post. De journalist - langharig, open boordje,brutaal - beleefde spannende avonturen als lichter van de tegels van depowers that be, ook als hijzelf - en dat werd vaker het geval naarmate demacht van de media groeide - feitelijk meer invloed en inkomen had dan dete bestrijden over ons gestelden.

Woodward en Bernstein onthulden in 1972 in een reeks artikelen in dekrant The Washington Post dat een inbraak in het hoofdkwartier van deDemocratische Partij in het Watergate-flatgebouw in Washington deeluitmaakte van een serie illegale acties tegen veronderstelde vijanden vande toenmalige Republikeinse president Richard Nixon, Democraten,journalisten of tegenstanders van de oorlog in Vietnam . De illegale actieswerden tot in het bureau van de president zelf georkestreerd, bleek uit desmoking gun- bandopnamen die Nixon kennelijk had gemaakt van allegesprekken die hij in zijn Oval Office voerde. In 1974 trad Nixon af, nadater een zogenoemde impeachment-procedure was gestart. Nooit had dejournalistiek een krachtiger dreun uitgedeeld.

Het alfa en omega van dit type onthullingsjournalistiek is access, zoalsBob Woodward het verschillende keren zelf uitdrukte. Toegang is macht. Zijnbelangrijkste bron was een anonieme hoge ambtenaar die hijzelf eens 'myfriend' (M.F.) noemde en die ter redactie al vlot de bijnaam Deep Throatkreeg, naar een op dat moment populaire pornofilm. Dertig jaar werd erovergespeculeerd wie Deep Throat geweest kon zijn, en niet alleen die bijnaammaar ook de hele gang van zaken rondom deze topgeheime zegsman droegbelangrijk bij aan de romantische roep van de journalistiek. Woodwardschoof een bloempot met een rood vlaggetje erin op zijn balkon heen en weerten teken dat hij zijn man in een tochtige parkeergarage wilde spreken.Deep Throat was een merkwaardige informant, gaf vaak geen directeaanwijzingen, maar fungeerde meer als een soort orakel van Delphi. 'Teslap', zei hij bijvoorbeeld als Woodward hem een concreet artikelvoorlegde, 'het kan veel harder.'

Al die tijd sinds 1972 bleef zijn identiteit geheim, tot in mei van ditjaar, toen het blad Vanity Fair een artikel van de advocaat van Deep Throatpubliceerde, waaruit bleek dat 'M.F.' Mark Felt betekende, begin jarenzeventig de tweede man van de federale recherche FBI met inderdaad eenformidabele access tot de geheimste bureauladen van president Nixon. BobWoodward had inmiddels zijn boek over The Secret Man al min if meerklaarliggen (de nu verschenen Nederlandse vertaling heet Het verhaal vanDeep Throat). Door de publicatie is inmiddels de discussie over de voorsen tegens van anonieme bronnen met nieuwe energie hervat, temeer nu er inAmerika al twee maanden een journaliste wordt vastgehouden omdat zeweigert haar bron bekend te maken die een en ander had verteld over degratuite bewering van president Bush dat Saddam Hussein uranium zou hebbengekocht in Afrika.

Ik las Het verhaal van Deep Throat en nog een keer All the President'sMen. Met de wijsheid van drie decennia later verbaasde ik me over hetogenschijnlijke gemak waarmee Woodward en Bernstein hun kompas lietenrichten door iemand die weliswaar meer wist dan misschien wel wie dan ook,maar die toch ook bepaald z'n eigen agenda, preciezer gezegd: rancune,woede en weerzin koesterde tegen de president en zijn handlangers diepublieke instellingen (inclusief de FBI) ondergeschikt maakten aan hunparticuliere politieke belang. Naar de huidige journalistieke praktijkgemeten publiceerden Woodward en Bernstein hun grootste primeurs sowiesomet een opvallend gemak, om niet te spreken van roekeloosheid. In een nootin All the President's Men verbaasde een collega bij The Washington Postzich al omdat er niet of nauwelijks juridische rugdekking aan te pas wasgekomen. 'We hebben nooit advocaten gebeld en gezegd: zitten we goed, watis de juridische kant hiervan? Ik denk dat we er zomaar in rolden.'

Op het eerste gezicht ben je geneigd te denken dat ze het invergelijking met de onderzoekscollega's van nu inderdaad aanzienlijkgemakkelijker hadden. Nixon en zijn half-criminele omgeving deinsdenweliswaar voor weinig terug, maar tegelijk was de wereld inclusief Amerikain 1972 aanmerkelijk onschuldiger dan nu. Het woord spindoctoring was nogin geen velden of wegen te bekennen, en Bernstein moest zich latenuitleggen wat money laundering was.

Woodward ontmoette Deep Throat in 1969, toen hijzelf bepaald geenlangharige tegenstrever van de machthebbers was. Toentertijd noemde hijzich Republikein, en dat is hij altijd gebleven - zijn laatste boeken overde aanloop van de oorlogen in Afghanistan en Irak zijn met een bewonderendeondertoon voor de aanpakkerige Bush-stijl geschreven. Hij was een 26-jarigemarineluitenant in uniform, met opgeschoren achterhoofd, die weleens eenpakje van het ministerie van Defensie naar het Witte Huis mocht brengen.

Daar zat in een antichambre een zwijgzaam, maar niet onwelwillend heer.'Ik vroeg om Felts telefoonnummer en hij gaf me de directe lijn naar zijnkantoor.' Zo werd het contact gelegd dat minder dan drie jaar later deondergang van een president zou inluiden. Woodward was nog niet eensjournalist en werd pas in de herfst van 1971 aangenomen bij The WashingtonPost, nog geen negen maanden voor de onthullingen over Watergate begonnen.Dat is misschien het meest verbazende aan die hele geschiedenis. Tweeknullen, de stage van de school voor de journalistiek nauwelijks ontgroeid,Woodward 29, Bernstein een jaar jonger - maar, aardig voor de tijdgeestveelzeggend detail, allebei wel al een echtscheiding achter de knopen -graven het graf voor de machtigste man op aarde.

Het kernbegrip is inderdaad toegang tot de hoogste regionen. Devriendschap tussen het luitenantje en de tweede man van de FBI wijst al ophet voor ons ongekende Amerikaanse egalitarisme; vervolgens bellen desnotneuzen ex-minister van Justitie John Mitchell, dan voorzitter van hetherverkiezingscomité voor Nixon, zijn bed uit om commentaar op hun nieuwsdat hijzelf betrokken was bij illegale activiteiten. Dat levert historischezinsnedes op. Mitchell: 'Ga je al die onzin in de krant zetten? Als datgepubliceerd wordt komt Katie Graham (eigenaresse van The Washington Post,red.) met haar tieten in een grote mangel.' Vervolgens belt Bernstein zijnhoofdredacteur, Ben Bradlee. Wat te doen met de uitspraken van Mitchell?'Laat alles staan, behalve die tieten', zegt Bradlee. Moedig? Zeer. Entegelijk lees je, ook tussen de regels van het gescheld en getier vanMitchell, iets van het Amerikaanse ontzag voor de rol van de vrije pers.Heel anders dan de Nederlandse traditie, waarin de journalist zoals bekendnauwelijks een halve eeuw geleden qua standing ergens tussen de kapper ende tweedehandsautoverkoper bivakkeerde.

Natuurlijk koersten Woodward & Bernstein niet uitsluitend op DeepThroat. Carl Bernstein schrijft aan het eind van Het verhaal van DeepThroat zijn 'Commentaar van een verslaggever', misschien toch een tikjejaloers omdat Deep Throat niet zíjn zegsman was geweest: 'Er waren veelmeer zegslieden, secretaresses, de campagne-penningmeester, de boekhouder,advocaten, voormalige naaste medewerkers van Nixon en vrienden.' Maar inlaatste instantie kwam het toch domweg neer op de overtuiging de waarheidop het spoor te zijn. Opvallend vaak publiceerden Woodward & Bernsteinhun bevindingen juist zónder keiharde bronnen, op grond van een suggestie,een hoofdknik, het ontbreken van een duidelijke ontkenning of intuïtie.

Zo kon Deep Throat zijn nachtelijke parkeergaragebeschuldigingen in dekrant teruglezen als 'FBI-agenten hebben vastgesteld' en schreven detwee verslaggevers zonder veel blikken of blozen over geheime stukken dieze zelf nooit hadden ingezien. Geen wonder dat het één keerverschrikkelijk mis ging toen het tweetal dacht te concluderen dat een bronachter gesloten deuren een bezwarend getuigenis had afgelegd tegen eentopadviseur van Nixon. Ze hadden hem verkeerd begrepen, en op een haar naeindigden ze op de vuilnisbelt van de journalistieke geschiedenis, inplaats van op de Olympus van de Pulitzer Prize.

Woodward werpt in zijn boek nog eens een wezensvraag van hetjournalistenvak op, die buitenstaanders nogal eens over het hoofd zien,namelijk hoe weinig journalisten eigenlijk weten. En toch moet er iets oppapier komen. 'Hoe diep kan een verslaggever doordringen tot een bepaaldekwestie? Deep Throat was degene met kennis - de ingewijde informant -,maar ook degene die de beperkingen van de journalistiek aan het lichtbrengt. Er is niet zoiets als een waarheidsserum.'

De onschatbare waarde van Deep Throat was, misschien nog wel meer dan als directe bron, dat hij richting, gewicht en gezag gaf aan wat soms nietmeer waren dan veronderstellingen en vage aanwijzingen. Journalistiek is,in laatste instantie, geen kwestie van snoeihard juridisch bewijs, maardoor bronnen geschraagd - graag wel - vertrouwen, de overtuiging ietsvan de waarheid beet te hebben. En vervolgens, met het zweet in de handen,het lef en de vasthoudendheid om te publiceren. Zo zorgeloos en onbekommerdals wel leek, was het in werkelijkheid beslist niet. Leonard Downie, deopvolger-hoofdredacteur van Ben Bradlee, zegt het in Het verhaal van DeepThroat zo: 'We voelden ons klein. Het was zwaar. Van enige glamour wasgeen sprake. Die glamour ontstond door de films en de premières, maardestijds was het smerig. Er werd niet geslapen, er werd niet gedoucht. Hetbureau van Bernstein was een zootje, Woodward en hij hadden constantruzie We stonden allemaal onder grote druk, het was moeilijk om uit tevinden wat er aan de hand was omdat iedereen tegen ons was, omdat mensenKatherine Graham toefluisterden dat ze haar krant te gronde zoudenrichten.'

Maar ze publiceerden toch, ook dankzij de overtuiging, de harde kop ende eigenwijsheid van hoofdredacteur Ben Bradlee, alweer een legendarischkarakter, met zijn ongedurigheid, zijn benen op tafel en de eeuwigebasketbal die hij tijdens vergaderingen door een ring probeerde te gooien.En de taaiheid van eigenaresse Katherine Graham niet te vergeten, die palachter haar jonge verslaggevers bleef staan en niet eens wilde weten wiehun bron eigenlijk was.

Dat is, dertig jaar na dato in een notendop de les van Woodward:journalistiek blijft tobben, hannesen, mikken met een onscherp wapen op eendoel dat zich in het koffiedik bevindt. Geknutsel en gehannes, zeker, maarwel gehannes dat in het geval van Watergate leidde tot enorme onthullingenover het hof van Nixon. In een tijd dat er in Nederland onverhuldepogingen worden gedaan om het vak aan banden te leggen, kan het geen kwaaddaar nog eens aan te herinneren.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden