Rik Wouters

Kort, heftig, koortsachtig

In de 33 jaar dat zijn leven duurde, schilderde de Vlaamse meester Rik Wouters alsof de duivel hem op de hielen zat. Een levensverhaal als een roman met iets te veel kunstenaarsromantiek.

Hij had haast, de Belgische schilder en beeldhouwer Rik Wouters. Toen hij begin twintig was zei hij wel eens voor de grap tegen zijn vrouw Nel dat hij tot de mensensoort behoorde die, net als Jezus, op zijn 33ste stierven.

Hij tekende, schilderde en beitelde als een bezetene - en stierf op zijn 33ste, aan kaakbeenkanker. Toen hij in 1914 werd opgeroepen om als soldaat te vechten, had hij net zijn eerste grote eigen tentoonstellingen gehad in België, en was zijn werk te zien geweest in Venetië en Berlijn. Tijdens de oorlog, toen hij in Nederland verbleef met zijn medesoldaten, werd hij ziek - én kreeg hij hier grote, in de pers bejubelde exposities. De naam Rik Wouters was gevestigd, hij barstte van de ideeën en werkdrift - en hij ging dood.

Hij was twintig en student aan de Brusselse Academie toen hij de zestienjarige Nel Duerinckx tegenkwam. Ze trok bij hem in op zijn spreekwoordelijk armoedige zolderkamer en zou hem nooit verlaten. Ze was zijn vrouw, zijn verzorgster, klankbord voor zijn artistieke ideeën, de minnares van wie hij nooit genoeg kreeg en vooral zijn model. Zijn enige. Na Wouters' dood beschreef Nel het levensverhaal van haar man in een biografie en een roman, waarin ze de werkelijkheid gunstig bijkleurde. Tot haar eigen dood in 1971 zou de veuve Rik Wouters als een tijgerin zijn nalatenschap bewaken.

Kunstcriticus Eric Min schreef zijn biografie over Rik Wouters met meer afstand dan Nel, maar ook bij hem overheerst grote bewondering, adoratie bijna, voor de man en het werk. In een bloemrijke, soms wat geëxalteerde stijl vertelt Min het verhaal van dit korte, hevige en koortsachtig productieve leven. Dat dit leven, dat 33 jaar duurde, toch een lijvig boek oplevert, komt doordat Min ruim de tijd neemt om het culturele klimaat in België en de gruwelen van de Eerste Wereldoorlog te beschrijven. Dat doet hij goed, al heeft zijn gewoonte om per pagina soms tien namen te noemen op den duur iets vermoeiends.

Een ander bezwaar zou kunnen zijn dat de biografie erg zwaar leunt op de boeken en brieven van Nel. Maar Nels boeken - én een hagiografisch boek van bewonderaar Ary Delen - zijn nu eenmaal de belangrijkste overgeleverde bronnen. Waar mogelijk corrigeert hij Nels geretoucheerde versie.

Toch is dit boek evenzeer een biografie geworden van de felle, koppige Nel Duerinckx-Wouters als die van haar beroemde eerste man. Geheel onterecht is dat niet, want Nel belichaamde het werk van de schilder, letterlijk. Driekwart van het oeuvre is een ode aan zijn vrouw en muze. Nel die uit het raam staart, Nel die strijkt, Nel met het buurmeisje, Nel in een bootje, Nel die uitzinnig danst, Nel die zich loom bevredigt. Telkens dat ovale gezicht met de iets schuinstaande ogen, dat op de schilderijen iets Japans heeft. Afgebeeld in gips of brons is Nel overdadig vleselijk, mollig en gracieus, zoals in het ongelooflijke beeld 'Het zotte geweld', dat bewijst dat een dansende vrouw, gevangen in brons, eeuwig kan blijven bewegen.

Als Wouters Nel niet schilderde, zocht hij de stof in haar buurt: een vaas bloemen op tafel, een boom in de tuin, een stuk kabeljauw. Alles in helder licht en felle kleuren, alsof de zon vanuit alle hoeken van de kamers schijnt. Snel geschetst en bewust 'onaf' zijn de schilderijen, achteloze vegen voor een arm of mond. Nooit gebruikte hij, zoals de pointillisten, stippeltjes. De gezichten en lichamen zijn opgebouwd uit talloze kleine kleurvlakken. Het merendeel van de schilderijen werd gemaakt in het groene Bosvoorde nabij Brussel, waar het echtpaar tot het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog woonde, maar door de uitbundige kleuren waan je je in Zuid-Frankrijk. Soms lijkt zijn werk op dat van Toulouse-Lautrec, soms op dat van Cézanne, maar een epigoon wa

s hij niet; zijn handschrift is onmiddellijk herkenbaar.

Wouters maakte ook zelfportretten: met een sigaar in de mond, in de spiegel, met de kwast in de hand. Ook hier weer een uitbarsting van leven: een krankzinnig gezonde, mooie, trotse jongen met helblauwe ogen, wiens huid in tientallen kleuren oplicht. Tot hij dat ene donkere zelfportret moest maken, in 1916, toen hij met Nel zijn laatste dagen sleet aan de Derde Kostverlorenkade in Amsterdam: dat van de doodzieke man met een zwarte ooglap voor zijn door kanker weggevreten oog. Zijn gezicht is smal, zijn volle lippen zijn verworden tot een streep. Het resterende oog kijkt ons strak aan. Toch heeft het schilderij nog kleur: een rood gordijn op de achtergrond; het leven trekt zich niets aan van één enkel naderend sterven. Wouters móest alles vastleggen, dus ook dit.

Drie maanden voor zijn dood, als hij een stilleven met een schelvis wil maken op karton, merkt hij dat zijn penseel stuurloos tegen het karton botst: hij kan de afstand niet meer schatten. De schilder slaakt een wanhoopskreet; zojuist stierf hij als kunstenaar - op het toppunt van zijn roem. Was dit levensverhaal een roman geweest, dan zou je zeggen: iets minder drama, kunstenaarsromantiek en tragiek had wel gemogen.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden