Rijmen tegen de stroom in

Absurdistische kindergedichten en bijtende teksten voor volwassenen staan zij aan zij in een nieuwe bundeling van de poëzie van Annie M.G. Schmidt. Haar werk blijkt opvallend actueel.

null Beeld Foto Kippa
Beeld Foto Kippa

Schmidt: Die van die van u

Kent u de man die konijnen ophoest? Hij kan er niets aan doen, schrijft hij in Brief aan een meisje in Parijs, een verhaal van Julio Cortázar. Hij weet dat hij ze - om uitbreiding te voorkomen - zou moeten doodmaken. Maar ze zijn te klein, te zacht en zo volmaakt. En ze zijn, als de woorden van een dichter, van hem.

De konijnen worden steeds groter. Ze vreten aan het tapijt en knauwen aan de meubels van het meisje in Parijs.

Deze wezens zouden niet misstaan in de magisch-realistische gedichten van Annie M.G. Schmidt (1911-1995), met haar vijver vol priklimonade, het Burgervissenhospitaal, Orrekiedorren met groene snorren en vlaggetjes in hun nek.

De wonderen van Schmidt spelen zich af binnen huiselijke, benauwd-tuttige taferelen. Er komen veel dames en heren in voor met wie de dichter venijnig afrekent. Vooral types die zichzelf hoog achten, krijgen ervan langs. Mevrouw Van der Looi houdt zoveel van haar ameublement van blank eiken dat ze iedereen uit het oog verliest. Een dame uit Schiebroek met een antieke worteldoek moet het stellen zonder ziel.

Ook de ijdele schrijver ontkomt niet aan het scherpe oog van Schmidt. In De schrijver in de boekenweek, een gedicht uit de jaren vijftig, vertellen lezers hoe ze hem overal hebben gezien. Op het feest, op het podium, maar, beklagen ze zich: 'We zagen hem droog, wanneer zien we hem nat?' De lezersgroep besluit met: '(...) we hebben de SCHRIJVER gezien op het bal,/ in de zaal, in de winkel en overal.../ Nu hoeven we nooit meer te lezen.'

In deze gedundrukte uitgave van Van Oorschot wordt geen onderscheid gemaakt tussen gedichten voor volwassenen en gedichten voor kinderen. De directe, absurdistische kindergedichten zetten de gedichten voor volwassenen - waar een ingehouden wanhoop de boventoon voert - op scherp. Ze schrijnen vanuit het kinderperspectief nog heviger. En na het lezen van volwassen zieleroerselen vallen in de kindergedichten steeds meer lagen te ontdekken.

Het is een vreemde ervaring om gedichten tegen te komen, waarvan ik niet wist dat ik ze kende. Bij het lezen over een tante en een oom die wonen in een eikenboom, brandt plotseling de vurige hoop in mij dat ik deze mensen ooit zal tegenkomen, met de kinderwagen bungelend aan een tak. Bij een ketel die niet kan ophouden met fluiten, vlamt de pijn van de vergeten ketel op het gasfornuis in mij op. 'En het fluit en het fluit en het fluit.' Ik lees de woorden van Schmidt, maar ik lees vooral mijzelf als kind.

Ook bij de dichter valt het onderscheid tussen kind en volwassene soms weg. Het gedicht Aan een klein meisje (ca 1947) is te lezen als brief aan het kind in Schmidt. Ze waarschuwt haar voor het land waar de grote mensen wonen: 'En alle dingen hebben hier twee kanten/ en alle teddyberen zijn hier dood.'

Het gedicht is kenmerkend voor het verzamelde werk van Schmidt, geruststellend van toon, maar dreigend van inhoud: 'Dit is het land waar grote mensen wonen.../ Wees maar niet bang. Je hoeft er nog niet in.' Eerst word je saai en dan ga je dood.

Veel gedichten zijn een protest tegen volwassenheid en tegen hoe het hoort. De dichter zwemt als een zalm furieus tegen de stroom in, om het heersende te bestrijden. Terwijl ze dicht en rijmt, zweept ze zichzelf op. Ze wordt kwader en sterker - tot ze uitgeput raakt en het verschrikkelijke besef overheerst dat de rivier van normen en waarden altijd sterker zal zijn.

Hoewel Schmidt zich inhoudelijk verzet tegen de norm, ontstijgt haar stijl zelden de conventionele vorm - een discrepantie die de gedichten onder spanning zet. Schmidt verklaart haar poëtica met Een dichter (uit de bundel Huishoudpoëzie, 1957) waarin ze Piet Pluimers introduceert, een dichter die het liefst wou rijmen. 'Maar and're dichters zeiden/ je mag niet rijmen joh, 't is geen gezicht!/ Je moet zorgvuldig alle rijm vermijden,/ want een gedicht dat rijmt is geen gedicht./ En dan dat metrum! Dat is uit de mode.'

Piet laat zich ompraten en schrijft een modern gedicht: 'woezie woezie 17 en/ klaan uit je klukhaar versuikeren. (...) En Paul Rodenko schreef een heel lang stuk/ in Maatstaf om te laten zien hoe prachtig/ het was. Vooral dat 'woezie' en dat 'kluk'.'

Het literaire tijdschrift Maatstaf bestaat niet meer. Paul Rodenko, dichter en criticus, bestaat ook niet meer. Maar de worsteling van de dichter die zich al dan niet aan de mode onderwerpt, is van alle tijden.

Schmidt schreef dit gedicht als reactie op de Vijftigers die neerkeken op anekdotische poëzie. Het gedicht van Piet is te lezen als parodie op het werk van de ontregelaars. Pesterig zet Schmidt ook nog accenttekens om het leesritme volledig dicht te timmeren. Deze dichter weet wat ze doet. Ze rijmt tegen de stroom in.

Wie door het gerijm heen kijkt en de worstelende ziel van Schmidt leert kennen, ziet dat haar werk opvallend actueel is. Ze bedient zich van een heldere taal en vindt haar onderwerpen in de directe omgeving, met bijtende gedichten over psychiaters, foute mannen en vrouwen, tweegesprekken, nieuwsprogramma's en oorlog op afstand.

Een acteur uit een tv-reclame, die vaak na het journaal verschijnt, brengt een vorm van rust: 'Maar vlak na Iran en Irak/ kwam hij met een glas cognac/ zo rustig en op z'n gemak./ Hij zat op een bank,/ hief het glas met de drank/ en we dachten goddank, goddank, goddank,/ het leven gaat door.'

null Beeld Annie M.G.
Beeld Annie M.G.

Biologie

O juffrouw Beekman, was u maar eencellig.
Dan kon de liefde u zoveel niet schelen.
Dan zoudt u zich gewoon in tweeën delen.
Ik geef wel toe: het is niet zo gezellig

maar heel praktisch. Zo'n eencellig wezen
hoeft nooit een ander wezen te aanbidden;
het deelt zich op een dag pardoes doormidden.
U kunt dat immers in de boeken lezen.

Terwijl u, met uw veertien biljoen cellen
zo treurig in de lunchroom zit te wachten.
O, juffrouw Beekman, 't is al over achten.
Hij komt niet meer. Hij had toch kunnen bellen?

Hij komt niet meer. En toch, hij zei zo stellig...
O juffrouw Beekman, was u maar eencellig.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden