NieuwsBeeldende Kunst

Rijksmuseum verwerft 17de-eeuwse gouden bokaal van Paulus van Vianen

De gouden beker met een voorstelling van de jachtgodin Diana is een van de weinige resterende werken van de hand van de geniale goudsmid Paulus van Vianen. Het is zo’n kunstobject waarvan het museum maar een in de honderd jaar kan toevoegen.  

Er staat een nieuw object in de eregalerij van het Rijksmuseum. Het is hoog als een wijnglas en blinkt als een sieraad; op de zijkant treft men bomen en honden en naakte vrouwen – over welk gezelschap we hier zien (geen nudisten) zometeen meer. Het betreft een gouden beker die in 1610 werd gemaakt door de Utrechtse edelsmid Paulus van Vianen; het kunstwerk, dat al sinds de late 19de eeuw op de verlanglijst van het museum staat, werd in langdurige bruikleen gegeven door de familie Wessels (van het investeringsfonds), die het dit voorjaar verwierf. Het is een aanwinst die zijn weerga niet kent, vertelt Dirk Jan Biemond, conservator edele metalen: ‘Bijna iedere Rijksmuseumdirecteur koopt een Rembrandt. Maar een kunstobject van Paulus van Vianen toevoegen aan je collectie, dat gebeurt hooguit eens in de honderd jaar.’

Paulus van Vianen (1570-1614) werd in zijn tijd al beschouwd als ’s lands geniale edelsmid, al kwam zijn broertje, Adam (van de beroemde kwabkan), dicht in de buurt. Opgegroeid in Utrecht trok Van Vianen vanaf zijn 16de langs de Europese hoven en kunstcentra: Parijs, München, Salzburg, Praag.

In die laatste stad diende hij als Kammer Goldschmied voor Keizer Rudolph II, eigenaar van Europa’s grootste Kunstkammer. Net als nu was Paulus’ werk toen zeer kostbaar. Een kan met schaal had bijvoorbeeld zeven keer de waarde van De Nachtwacht. Zulke prijzen werden slechts ten dele bepaald door de gebruikte materialen, weet Biemond: het was met name Paulus’ grote verbeeldingskracht en artistieke vindingrijkheid die ze opstuwden tot astronomische hoogten.  Zijn kunstwerken zijn tegenwoordig zeldzaam. We kennen slechts vier sierobjecten van zijn hand, de zilveren plaquettes en tekeningen niet meegerekend.

Een daarvan, het montuur van een chalcedoon kan door de Italiaanse steensnijder Ottavio Miseroni treft men in het Kunsthistorisches Museum in Wenen. De andere drie zijn in het bezit van het Rijksmuseum. Hiertoe behoren de zilveren schaal met schenkkan en nu dus ook de befaamde gouden beker.

Het object, dat evenveel weegt als een pak melk, en werd gemaakt in opdracht van Heinrich Julius, vorst van Braunschweig-Lüneburg, bevat een geleerd allegorisch programma. Op de deksel treft men drie goden, Venus, Ceres en Bacchus, die een motto uit Publius Terentius’ De Eunuch illustreren: liefde heeft eten en drinken nodig om te kunnen bloeien.

Op de flank ziet men het verhaal van Diana en Actaeon uit Ovidius’ Metamorfosen. Ter opfrissing: de jager Actaeon raakt verdwaald in het bos, en belandt in een grot waar Diana en haar nimfen net liggen te badderen. Actaeon staart naar Diana (ongeveer zoals Pluto staart naar een bot, stel ik me voor), Diana bemerkt Actaeon. ‘Actaeon, kerel, spring erin, het water is lekker’, had de jachtgodin daarop kunnen roepen, maar nee: in een aanval van beschaamde woede verandert ze Actaeon in een hert, dat even later door de jachthonden van de jager wordt verscheurd, heel sneu. De voorstelling, stelt Biemond, gaat over kuisheid: de man die zijn ogen niet afwendt, wordt direct gestraft. Je kunt evengoed betogen dat de voorstelling gaat over zelfbeheersing, en dat Diana daar te weinig van had. Ik bedoel: die Actaeon kwam zich van geen kwaad bewust die grot binnengewandeld. 

Hoe dan ook, het verhaal was populair onder 16de-eeuwse schilders, onder wie Titiaan. Van Vianen had een voordeel op deze kunstenaars: door het langwerpige formaat van de flank van de beker kon hij het hele verhaal laten zien, als op een banderol. Daarbij permitteerde hij zich dichterlijke vrijheden. Zo situeert hij de episode niet in een grot, maar in het bos, zoals vaker gebeurde, en wordt Actaeon niet verscheurd door zijn honden, maar door een groep jagers. De uitvoering is ongeëvenaard.  Het ontwerp, met al die complexe, overlappende figuren,  en het drijfwerk, in al zijn nuances en schakeringen: ze zijn een klasse apart.

Als gezegd werd de beker gemaakt voor Heinrich Julius, vorst van Wolfenbüttel, militair, toneelschrijver en geestdriftig uitvaardiger van wetten tegen hoererij (vandaar het kuisheidsthema), via wiens dochter Sophia en schoonzoon Ernst Casimir van Nassau-Dietz, stadhouder van Friesland, het ding belandde in de stadhouderlijke schatkamer in Leeuwarden. Later kwam hij in het bezit van de Duitse familie Von Wied, die hem recentelijk aanbood aan het Rijksmuseum. Volgend jaar voegt het de beker bij de andere Van Vianen-kunstwerken in zaal 2.3, linksaf bij De Nachtwacht, en dan rechtdoor. De beker krijgt er een eigen vrijstaande vitrine, vertelt de conservator Dirk Jan Biemond. Immers: ‘Je moet er omheen kunnen lopen.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden