Requiem voor een ongeborene

Al konden niet alle liefhebbers van zijn cyclus De Tandeloze Tijd (1983-1996) de schrijver A.F.Th. van der Heijden nog volgen toen hij het volgende reuzenproject aanvatte, Homo Duplex, dat vooralsnog resulteerde in het nuldeel De Movo Tapes (2003) en de sleutelnovelle Drijfzand koloniseren (2006), niemand kon hem zijn olympische ambitie...

Dat moet anders kunnen. En als het niet kan, dan loont het op zijn minst de moeite dat te proberen. Nadat hij zijn eigen afkomst en generatie had geportretteerd en ‘de tandeloze tijd’ van de jaren zeventig en tachtig een mythische allure had geschonken, zocht Van der Heijden het hogerop.

In De Movo Tapes daalde de god Apollo in mensengedaante neer in Nederland, en liet zijn oog vallen op Tibbolt Satink (1973-2023), de Oidipous der Lage Landen, die een antieke tragedie nieuw leven mocht inblazen door in 1997 een voetbalsupportersclash te organiseren. De vonken die van Sophocles oversprongen naar onze tijd, bleken voldoende vuur te bevatten om de bereidwillige lezer aan te steken met filosofische overpeinzingen, heftige actietaferelen, en de kennismaking met een universum als een totaaltheater – dit kon niet, het was te gek, maar omdat Van der Heijden het deed bleek het toch te kunnen.

Vier jaar na die aftrap met een open einde (een handelsmerk, ‘Er komt geen einde aan’ was de slotclaus van Het hof van barmhartigheid, 1996) en de sleutelnovelle die nog veel te raden overliet omdat de cyclus waarop die betrekking had ons nog is onthouden, neemt de auteur aanzienlijk gas terug.

In De Movo Tapes had Apollo (daar toegerust met de codenaam QX-Q-8) al terugverwezen naar een vorige mislukte poging om een aardse sterveling op te jutten tot een tragedie van wereldschokkende proporties: een Amerikaanse hippie-goeroe die een holocaust had willen ontketenen door in 1969 slachtpartijen aan te richten, daartoe naar eigen zeggen geïnspireerd door het Beatles-liedje Hurly Burly.

De hint mocht er zijn. Kennelijk had Van der Heijden zich laten inspireren door de criminele weirdo Charles Manson (1934), die in de Beatles-song Helter Skelter een boze boodschap had beluisterd en met zijn hoofdzakelijk uit losgeslagen jonge vrouwen bestaande ‘Family’ wereldnieuws werd door de gruwelijke moord in de nacht van 8 op 9 augustus 1969 op de jeugdige actrice en voormalig model, de hoogzwangere Sharon Tate en vier andere mensen in haar huis in Los Angeles. Tate was gehuwd met de filmregisseur Roman Polanski (1933), die op het moment van de moorden in Londen was. Bij thuiskomst moest hij zijn vrouw en hun ongeboren zoontje Paul begraven, hij raakte in een depressie en werd enkele jaren later wegens seks met een 13-jarig modelletje gedwongen Amerika voorgoed te verlaten.

In Het schervengericht, met 1051 pagina’s Van der Heijdens omvangrijkste roman, wordt het hele verhaal van Manson (die nog steeds in een Californische gevangenis verblijft) en Tate (icoon van de vermoorde onschuld, het wezeltje dat al met zes maanden haar eerste contest won) opnieuw uit de doeken gedaan. Over honderden pagina’s laat de schrijver bij de geplaagde en tegelijk onverbeterlijke filmregisseur de rouw bovenkomen, door hem direct te confronteren met het monster achter de aanslagen van 1969.

Het boek speelt tussen december 1977 en februari 1978, voornamelijk binnen de muren van de gevangenis Choreo in Californië. De god Apollo meldt zich daar als de Griekse gevangenbewaarder Agraphiotis, om toe te zien hoe de ontmoeting plaatsvindt tussen Scott Maddox (die op Manson lijkt) en Remo Woodehouse (die op Polanski lijkt), en die elkaar tijdens hun gezamenlijke veeg- en zwabbercorvee verbaal tarten. Dat is het drama van dit boek, dat nooit in werkelijkheid heeft plaatsgevonden: twee kleine mannetjes, allebei dol op jonge vrouwen, beiden uit op effectbejag bij het publiek, beheerders van een ‘dromenfabriek’, en bovendien met elkaar verbonden door hun ‘bloedzwagerschap’: de een liet de vrouw van de ander beestachtig ombrengen.

Langs de weg van de fictie wil Van der Heijden doordringen in de geest van de protagonisten, in de onderwereld van het gevang. Een pas de deux van dwergen, onder bewaring van de Griek, die zich terecht afvraagt waarom hij die charismatische mislukkeling van een Scott voor zijn plannetjes had ingeschakeld.

Het verhaal lijkt bovendien te hinten naar een recent Nederlands drama: de filmregisseur versus de religieus geïnspireerde terrorist met zijn eigen groep (the Manson Family, hier The Circle genaamd) – dan denk je onwillekeurig aan Theo van Gogh, Mohammed B. en de Hofstadgroep. De drama’s herhalen zich, onder andere namen en in andere tijden, zoiets kan dan de veronderstelling zijn.

Maar de verschillen zijn nogal groot: Van Gogh en zijn moordenaar in één gevangenis, dat is van een ander fictief gehalte dan wat hier gebeurt – en wat in werkelijkheid geschied zou kunnen zijn: Polanski die, na zijn misstap met het deerntje, eind 1977 voor psychiatrisch onderzoek de cel in moet en daar het brein achter de moord op zijn vrouw treft.

Nadat we dus in De Movo Tapes en Drijfzand koloniseren kriskras door de tijd gingen, vanaf de geboorte van Movo in 1973 tot aan zijn dood in 2023, zakken we nu terug in een proefstartproject van Apollo met desastreuze afloop. Al met al wordt nog steeds niet helemaal duidelijk wat nu de kern van Homo Duplex zal zijn. Maar wellicht onthult dit uitstelgedrag Van der Heijdens opzet, en krijgen we ook in de toekomst louter omcirkelingen gepresenteerd van de tragedie die zijn personages willen opvoeren.

Halverwege Het schervengericht laat hij Agraphiotis hardop denken: ‘Ik hield van mensen die het onmogelijke nastreefden, en zelfs op weg naar het onbereikbare nog een heel eind kwamen. Het maakte hun wanhoop mooier, net als hun falen. Het nakende doel liet hun mislukking fonkelen.’ Deze passage correspondeert met wat Van der Heijden op verschillende plekken heeft opgemerkt over zijn eigen epos, dat ‘Het onmogelijke Boek’ moet benaderen. Hoog inzetten kan falen tot gevolg hebben, maar je hebt je talent dan wél volledig beproefd.

Het vreemde aan de nieuwe roman is dat Van der Heijden zijn tomeloze vrijheid zo drastisch heeft ingeperkt. Voorheen leek alles mogelijk, een indruk die versterkt werd door het hoge tempo, maar dit keer sleept het verhaal zich voort, opvallend getrouw aan wat de bibliotheek aan Manson-Tate-Polanski-documentatie ons al bijna veertig jaar blijft aandragen.

De willekeur waarmee ‘Charlie’ zijn slachtoffers koos, in de hoop dat ‘zwarten’ verantwoordelijk zouden worden gesteld en er een rassenoorlog zou losbarsten, waarna het blanke elitekorps van zijn Family het paradijs zou stichten – alles krijgen we weer eens voorgeschoteld, in vermoeiende veeg- en praatsessies, overspoeld door Van der Heijdense metaforische virtuositeit, die dit keer moet verbloemen dat zijn psychologische experiment weinig toevoegt aan wat we al vermoedden, of zelfs wisten.

De meerwaarde die de literatuur boven de reportage kan bieden, blijft hier vooral steken in een vertoon van stilistische zwier, die dader Scott en ‘slachtoffer’ Remo gelijkelijk bedeelt.

De katharsis van de filmregisseur krijgt gestalte als hij Scott is aangevlogen en in de isoleercel moet afkoelen. In een huiveringwekkend gedeelte verplaatst hij zich in ‘De twintig eenzaamste minuten uit de geschiedenis van de mensheid’, de luttele tijd die zijn zoontje Paul op 9 augustus 1969 nog heeft geleefd in de buik van zijn doodgestoken moeder Sharon.

Hier verricht Van der Heijden alsnog een krachttoer: het is een requiem voor een kind dat nooit het daglicht heeft gezien. Het kán niet, denken wat Paul moet hebben gedacht, maar toch kan het zo geweest zijn als op de pagina’s 742-776 beschreven staat. Zijn hoop, de stilte als de ‘tamboer’ van het moederhart er de brui aan geeft en haar ‘harp van aderen’ zijn geruis staakt, de vrees en wederom de oorverdovende stilte – deze pagina’s zijn het mirakel van de roman. In de bolle buik van Het schervengericht zit een tragische baby verborgen.

Het verwijlen bij zijn eenzaamheid is bovendien verbonden met de megalomane ‘bergrede’ die Charlie daarna afsteekt over de ‘knusse huiver’ die mensen hebben voor wat áchter hen ligt, terwijl ze doodsbang zijn voor het einde dat in de toekomst wacht. Vrijwel letterlijk hebben we die passage al gezien bij Van der Heijden, in een dagboekbrief uit 2002, gepubliceerd in Engelenplaque (2003). Toen sprak hij namens zichzelf. Nu leent hij zijn overpeinzingen uit aan Charlie/Scott, die Remo duidelijk maakt dat zijn moorden kinderspel waren, omdat niet de toekomstige dood angstwekkend hoort te zijn, maar juist alles wat voorafgaat aan de geboorte en in de ‘Put des Afgronds’ is verdwenen.

Hij heeft, met andere woorden, de ongeboren Paul het vreselijke lot bespaard te moeten leven, naar de dood toe. Een perverse variant van het heroïsche streven die dood een loer te draaien. Dat inzicht brengt de wakker geschrokken lezer van Pauls postume ontwaken – in de gedachten van zijn vader – tot authentiek huiveren.

Diep in deze foliant flakkert, afgrijselijk kort, een tere vlam. En dit is het ware drama: het schijnsel daarvan is veel te zwak om de wonderlamp die deze roman had kunnen zijn, te doen fonkelen.Arjan Peters

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden