Requiem voor een familie

IN 1994 KWAM een eind aan het krantenimperiumpje van de familie Sijthoff...

Het verkleinwoord is geenszins meesmuilend bedoeld. Zeker gemeten naar internationale maatstaven was het een klein bedrijf, en dat had ook moeilijk anders gekund in een land dat anno 1860, toen Albertus Willem als stichter van de dynastie met het Leidsch Dagblad begon, nog geen vijf miljoen inwoners telde.

Maar dat is ook nog lange tijd daarna het aardige geweest aan de verhoudingen binnen de Nederlandse krantenwereld. De grafische bedrijfstak waaruit onze pers is voortgekomen - altijd eerst een drukkerij, dan pas een periodiek - heeft gedurende meer dan een eeuw een archaïsche, wat vaderlijke, haast dorpse ondernemersstructuur gekend, gebaseerd op bescheiden familie-kapitaal.

Je had rijkere en minder rijke eigenaren, maar er waren nooit giganten die de markt konden monopoliseren, geen keizers van een boulevardrijk, geen krantenkoningen, geen groot-mogols van een yellow press. Je had de Sijthoffs, de Nijghs, de Thiemes en later nog een handjevol nieuwere gegadigden, en die konden, zonder ooit in moordende onderlinge concurrentie verstrikt te raken, netjes naast elkaar bestaan.

Wat ze in het laatste kwart van de negentiende eeuw als zelfstandige entrepreneurs gemeenschappelijk hadden, was een zekere liberaliteit, die in het snel verzuilende maatschappelijke landschap vooral neerkwam op politieke afzijdigheid. Hun uitgaven wilden niet de spreekbuis zijn van enigerlei religieuze of levensbeschouwelijke richting - dus geen Standaard, geen Maasbode, geen Recht voor Allen, zelfs geen NRC - maar een 'algemeen publiek' gerieven, dat naar het principe van elk wat wils zonder partijdigheid geïnformeerd wilde worden.

Ze hadden de conjunctuur mee. In 1869 was het zogenoemde dagbladzegel afgeschaft, en met de verdwijning van die fiscale heffing - laatste hindernis op weg naar een volledige persvrijheid - kon de abonnementsprijs gehalveerd en het aantal lezers haast verdubbeld worden. Een groeiende middenklasse, verbeterd onderwijs en technische innovaties op het gebied van productie en distributie waren de andere factoren die ertoe bijdroegen dat de krant in steeds meer gezinnen de nieuwe 'huisgenoot' werd, dat je er in feite al over kon spreken als over een massa-medium.

Brinkmans Adresboek voor den Nederlandschen Boekhandel en aanverwante vakken, al sinds mensenheugenis het onontbeerlijke repertorium op alles wat in den lande werd gedrukt en uitgegeven, had aan het eind van de eeuw meer dan zeshonderd titels geïnventariseerd in de rubriek dag- en weekbladen, en dat zullen lang niet allemaal kranten in de moderne zin van het woord zijn geweest, maar het indiceert iets: de leesmarkt was een groeimarkt geworden.

Meer dan honderd jaar is het de uitgeeffamilies naar den vleze gegaan. De markt groeide met de bevolking mee, met het opleidingsniveau steeg ook de elementaire nieuwsgierigheid, de oplagecijfers kropen gestaag omhoog, en de productiegang voor de aanmaak van een krant bleef, relatief gesproken, van een beminnelijke eenvoud. Gutenberg en Laurens Janszoon Coster zouden, teruggeroepen uit hun vijf eeuwen oude graf, even hebben moeten wennen aan een paar intussen ingevoerde nieuwe mechanieken, maar op een zetterij van 1960 zouden ze in één oogopslag hebben kunnen vaststellen dat aan hun procédé niets structureels was veranderd.

Kort daarna zou zich de technologische revolutie gaan voltrekken die binnen een paar decennia het lot bezegelde van de klassieke typografie, en als het ware in één moeite door ook de familiedynastieën ten val bracht. De overgang van lood naar fotocel (van warm naar koud zetten) konden de meeste kleinschalige bedrijven nog net bijbenen; wat zich daarna aan omwentelingen aandiende (technologisch en maatschappelijk), toonde aan dat het naar de schaal van de late twintigste eeuw inderdaad imperiumpjes waren geweest: niet alleen als beheersvorm, maar ook in termen van financiële slagkracht volstrekt ontoereikend geworden om als moderne ondernemingen te overleven. De families verdwenen, de dagbladpers zou een product worden van ten slotte niet meer dan vier of vijf grote werkmaatschappijen, unies, combinaties of holdings.

Tijd voor een requiem.

Toen Sijthoff Pers vier jaar geleden verdween in het Wegener-concern, besloten de nazaten (uit de vierde generatie) van Albertus Willem een boek te laten schrijven 'in de geest van onze voorouders, als waardige afsluiting van een ook in ons leven belangrijke periode'. En zoals hun 'godfather' had gestreefd naar 'een volksblad dat door alle standen gelezen kan worden', wensten zij een uitgave die 'niet voorbij zou gaan aan de verlangens van een groter publiek', waarbij het wat hen betreft voor de hand lag dat de auteurs zich zouden beperken tot de Haagsche Courant, die immers als 'vlaggenschip van het bedrijf' gold.

Uit de bijdragen van vier schrijvers is op die manier Het lood voorbij totstandgekomen als een enigszins hybride bundel, die ook wat overdreven getooid is met twee ondertitels. Sijthoff en de Haagsche Courant is de ene, Geschiedenis van een dagbladbedrijf de andere. Men wilde dus kennelijk allebei, met als gevolg dat het van allebei een beetje is geworden.

Wim Wennekes, als journalist gespecialiseerd in ondernemersgeschiedenissen, droeg een opstel bij over de lotgevallen van het bedrijf: van de allereerste krant uit 1860 tot en met de definitieve 'troonsafstand', 134 jaar later. Het is een degelijk, op de ondernemingsresultaten geconcentreerd overzicht waaraan weinig ontbreekt, behalve om zo te zeggen de geur van drukinkt, en het rumoer van wat weleens de straat wordt genoemd.

In Wennekes' relaas passeren de Sijthoffs meer als ondernemers dan als specifieke kranten-ondernemers, en de relatie tussen hun specifieke product en de mate waarin dat toch regelrecht moet zijn beïnvloed door politieke en maatschappelijke ontwikkelingen, blijft nogal onderbelicht. De 'straat' is eigenlijk alleen maar goed hoorbaar als de bezettingsjaren aan de orde komen en Wennekes heel accuraat het beeld schetst dat we van vrijwel de gehele Nederlandse pers kennen: het beeld van onprincipiële, bangige dan wel opportunistische meegaandheid.

Wat Frank van Vree, de enige 'professionele' pershistoricus in het medewerkersgezelschap, in meer journalistieke zin aan het betoog van Wennekes toevoegt, vult lang niet alle leemten in diens opstel. Het verhaal van de Haagsche Courant kan daarbij natuurlijk ook niet erg opwindend worden, om de eenvoudige reden dat de krant nooit erg markant is geweest. Het was en is een goed en ambachtelijk geredigeerd plaatselijk dagblad, dat zich altijd verre heeft gehouden van politieke uitgesprokenheid en dus ook geen factor wilde zijn in de publieke meningsvorming. De 'familie'-ambitie was van meet af aan een krant te maken voor de (kleine) Haagse burgerij, en dat streven is men trouw gebleven; wie in zoveel mogelijk gezinnen een gewaardeerde huisgenoot wil zijn kan zich 't best gedeisd houden.

Dat merk je ook aan het door Ileen Montijn opgestelde kroniekje (onder de toepasselijke titel 'Een bescheiden plaatsje aan den huiselijken haard') waarin ditjes, datjes en weetjes uit zo'n honderd jaargangen werden verzameld. Altijd aardig om door oude krantenleggers mee te bladeren (zeker als de advertentiepagina's niet zijn overgeslagen, die altijd een rijke sociaal-historische bron vormen), maar het levert nauwelijks iets op dat in politiek of maatschappelijk opzicht opzien zou kunnen baren.

Een afzonderlijk hoofdstuk, van Wilbert van Vree, over de ontwikkeling (en de teloorgang) van het typografenvak completeert de bundel. Uit de manier waarop Frank van Vree in een epiloog de laatste jaren van het familiebedrijf samenvat, wordt des te duidelijker dat het 'requiem' aan coherentie zou hebben gewonnen als hem als enig auteur de geschiedschrijving van onderneming én krant was toevertrouwd.

Jan Blokker

Wim Wennekes, Frank van Vree, Wilbert van Vree, Ileen Montijn, Peter Jonkman: Het lood voorbij - Sijthoff en de Haagsche Courant - Geschiedenis van een dagbladbedrijf.

Albert Sijthoff Stichting/Thomas Rap; 191 pagina's; ¿ 49,50.

ISBN 90 6005 810 0.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden