INTERVIEWREPETEREN

Repeteren, hoe werkt dat eigenlijk? ‘Je bent pas klaar met studeren na de laatste voorstelling’

Hoe is een musicus in staat duizenden noten op te slaan? En die dan ook nog uit het hoofd te spelen of zingen, voorzien van de juiste expressie? Drie musici vertellen de Volkskrant hoe zij studeren.

null Beeld null

Je staat er als bezoeker van een klassiek concert waarschijnlijk niet bij stil, maar in die ene maat die je hoort, anderhalve seconde muziek, kan voor een musicus zomaar uren werk zitten. En aan die ene repetitie waarin die moeilijke passage centraal stond, ging weer een jarenlange studie vooraf – op de muziekschool, het conservatorium. Kortom: als het concert het topje is, dan is de studie de ijsberg.

Hoe zijn musici in staat om al hun noten op te slaan? Hoe lukt het zangers om hun partij in een vier uur durende Wagner-opera uit het hoofd te zingen, en hoe slagen pianisten erin een recital te spelen zonder bladmuziek? De manieren waarop zij zich muziek eigen maken, kunnen enorm verschillen. We vroegen drie notenvreters naar hun aanpak.

Liza Ferschtman (40), vioolsolist, staat erom bekend veel divers repertoire in een seizoen uit te voeren: ‘Studeer zo langzaam mogelijk.’

‘Ik denk dat ik een stuk of acht vioolconcerten van begin tot eind uit mijn hoofd kan spelen; als ik voor een concert word gevraagd, heb ik het liefst wel nog een dag om het stuk weer op te halen. Dan is er nog een grote poel van concerten en kamermuziekwerken die ik binnen drie dagen weer in mijn vingers heb. Van de grote vioolconcerten speel ik alleen dat van Tsjaikovski niet. Daar heb ik ooit een slechte concertervaring mee gehad, dan ben ik bang dat ik weer blokkeer.

‘Dat mijn geheugen hapert, is mijn grootste angst. Soms raak ik tijdens het spelen heel even in paniek. Mijn familie noemt dat het Liza-momentje. Er wordt als solist vaak van je verwacht dat je zonder bladmuziek speelt, maar ik speel 80 procent beter als ik die zekerheid wel heb, al kijk ik niet eens naar mijn partij. Naarmate ik ouder word, krijg ik meer grip: om te presteren heb je een beetje stress nodig, maar hoe gestresst wil ik me eigenlijk voelen?

null Beeld null

‘Onder normale omstandigheden speel ik negentig à honderd concerten per jaar, soloconcerten en kamermuziek. Op concertdagen wil ik minimaal twee uur studeren. Je ontkomt er vaak niet aan ook andere stukken te studeren dan er die avond op het programma staan, maar het moet niet te veel zijn. Ik moet elke dag toonladders oefenen, dat is mijn ritueel voor de technische basis. De regelmaat van de concerten helpt me mijn vorm te behouden, waardoor een nieuw stuk instuderen makkelijker gaat.

‘Het is niet zo dat als ik opsta, ik meteen naar mijn kamer loop. Opstarten blijft elke keer lastig. Maar als ik eenmaal geconcentreerd ben, ben ik moeilijk te stoppen. Als ik tijd heb, loop ik de partituur bladzijde voor bladzijde door. Als ik een stuk nog niet ken en ik het druk heb, zet ik sneller een opname op – om me te laten inspireren, zeker niet om te kopiëren. Het helpt je om sneller de potentie van een stuk te horen. Soms zit ik zelf heel moeilijk te doen en hoor ik aan zo’n opname dat een collega een veel makkelijkere oplossing heeft.

‘Ik heb er veel profijt van gehad dat ik al op jonge leeftijd veel repertoire heb aangeleerd. Zeker toen ik bij Herman Krebbers kwam (geroemd docent en oud-concertmeester van het Concertgebouworkest, red.). ‘Slim studeren’ was zijn stokpaardje. Het gaat er niet om hoeveel uur je studeert, maar om het snel kunnen lokaliseren waar de problemen zitten. Een passage die toch al goed gaat doorspelen zodat je je goed voelt, is niet studeren.

‘Meestal gaat het ergens mis, omdat je je niet bewust bent van de noot voordat het misgaat. De enige manier om erachter te komen wat je doet, is langzaam, heel langzaam spelen. Dan pas word je je bewust van wat je doet. En je moet lijstjes maken. Prioriteiten stellen.

‘Ik ben een podiumjunkie. De optredens die ik nu mis, gaven mij structuur, en ik heb structuur nodig. Ik heb een grote legpuzzel gekocht. Het duurde even voordat ik eraan begon. Maar toen ik eenmaal bezig was, kon ik niet stoppen.’

null Beeld null

Luís Rabello (41), pianist en docent aan het conservatorium van Rotterdam: ‘Zorg dat je eerst de muzikale grammatica snapt.’

‘Toen ik 17 was, werd ik uitgenodigd om in Moskou te studeren. Het was de zomer van 1996. In Rio de Janeiro, waar ik vandaan kom, was het 41 graden, toen ik uit het vliegtuig stapte was het -25. Ik had een afspraak met mijn nieuwe docent, Andrej Pisarev, om door te spreken welk repertoire ik zou studeren. Hij stelde voor dat ik Bachs Tweede partita zou spelen, een sonate van Mozart, drie etudes en alle ballades van Chopin. ‘Hoelang heb je nodig om dit in te studeren?’, vroeg hij. ‘Twee maanden’, blufte ik. Hij keek me aan met ijzige blik en zei: ‘Kun je het donderdag leveren?’

‘Ik dacht dat hij een grap maakte. Tot er twee meisjes van een jaar of 13 het lokaal binnenstapten en ook een hele stapel moeilijke partituren meekregen, stukken die ze nog nooit hadden gespeeld. De volgende les mochten zij eerst voorspelen. Ze speelden alles, en ook nog uit hun hoofd! Toen het mijn beurt was, onderbrak mijn docent me en zei hij: ‘Ga maar naar huis. Je bent niet voorbereid.’

‘Ik ben twee jaar in Rusland gebleven. Uiteindelijk leerde ik om me stukken zo snel eigen te maken, iets waarvan ik zeker nu ik vader ben veel profijt heb. Het element van druk is heel belangrijk. Toen ik eens geboekt was voor een recital in Brazilië, was er een verkeerd programma afgedrukt. Ik kwam daar twee weken van tevoren achter. Als ik niet Stravinsky’s Petroesjka zou doen, zou de organisator het concert annuleren. Ik studeerde 14 uur per dag, ontbeet aan de piano, maar het lukte. Uit mijn hoofd. Bladmuziek is een verzekering, je weet dat het niet fout kan gaan. Het nadeel is dat je met zo’n back-up de noten nooit zó goed internaliseert.

‘Hoe ik werk? Op dag één moet je je afvragen: wat betekent dit stuk? Vraag twee is hoe het moet klinken, en drie: wat heb ik ervoor nodig? Ik begin met analyse van de vorm. Je moet de harmonische structuren snappen, weten welke functie welke toon in welk akkoord heeft. Ik schrijf de namen van de akkoorden bij de maatstreep, zoals jazzmuzikanten vaak doen. Dan komen de vingerzettingen. Daarna speel ik het langzaam door met een metronoom.

null Beeld null

‘Er is zoiets als ‘spiergeheugen’. Je vingers weten na herhaling als het ware welke greep er van de ene op de andere volgt. Daar moet je niet op vertrouwen. Ik oefen de muziek daarom in gedachten, zonder piano, gewoon met de bladmuziek. Je weet dat je een stuk echt kent als je het foutloos in verschillende toonsoorten kunt spelen – door de witte en zwarte toetsen voelt iedere toonsoort totaal anders aan op piano.

‘Er is nog een truc. Ik vraag me vaak af: is deze passage lente of herfst, dag of nacht? Is dit stuk mannelijk of vrouwelijk, speelt het zich nu af of in de toekomst? Zo’n emotionele associatie helpt heel goed om iets te kunnen onthouden.’

Als je het begin maar weet

Wat doet een musicus als hij studeert? De musicus ‘versterkt bepaalde neurale paden door ze vaker te gebruiken’, zegt Rebecca Schaefer, verbonden aan de Universiteit Leiden en gespecialiseerd in de klinische toepassingen van muziek. ‘We kunnen muziek over het algemeen makkelijk onthouden doordat er veel mogelijke haakjes zijn: ritme, harmonie, toonhoogte. Bij professionele musici zijn die neurale paden zo sterk ontwikkeld, dat ze niet meer hoeven na te denken hoe ze het geluid maken. Als musici uit het hoofd spelen, zijn ze vaak vooral zenuwachtig over het begin: als ze dat maar weten, rolt de rest er zo uit.’

Lenneke Ruiten (42), zingt als sopraan in de vermaarde operahuizen: ‘Leer eerst de tekst uit je hoofd.’

‘Het vooroordeel over operazangers is dat ze niet zo goed van blad lezen. Vaak zijn ze afhankelijk van een pianist die hun partijen noot voor noot naar binnen smokkelt. Ik heb het geluk dat ik begon als fluitist. Op mijn 16de ging ik naar het conservatorium: ik speelde hele stapels muziek, de ene na de andere etude, daardoor kan ik snel leren. Waarom ik ben overgestapt op zang? Als fluitist was ik gewoon net niet goed genoeg. Op het eerste concours waaraan ik meedeed als sopraan, kreeg ik meteen de eerste prijs.

‘Zingen in concertzalen of in operahuizen is heel verschillend. In een concertsetting moet je meer nadenken. Op de bühne zijn de woorden gekoppeld aan handelingen. Het is weleens voorgekomen dat ik een opera die ik twee weken daarvoor nog in een operahuis had gezongen, concertant (zonder regie en decor, red.) moest zingen, en ineens ging ik twijfelen. Je mist dan wat steuntjes.

‘In Duitsland, in het soort huizen waar producties jarenlang lopen en er verschillende opera’s in een week te zien zijn, wordt vaak nog met souffleurs gewerkt. Dan weet je: het komt wel goed. Maar het gevaar is dat je gemakzuchtig wordt, toch niet zelf op een woord komt en daardoor uit balans raakt. Ik moet die partij gewoon helemaal uit mijn hoofd kennen, altijd.

null Beeld null

‘Als ik een nieuwe rol moet leren, zit ik dagelijks vier, vijf uur achter de vleugel om te zorgen dat ik een partij kan onthouden. Ik zet een kleurtje in mijn bladmuziek waar het niet loopt. Maar het begint met de tekst zelf: als je die al zonder de muziek kent, worden de noten een extra steun in plaats van een noodzakelijk middel om te onthouden. Ik spreek alle teksten eindeloos uit, zorg dat ik ze begrijp. Als je niet weet wat je zegt, zul je gauw de klemtonen verkeerd leggen.

‘Dan zing ik langzaam de lijnen door. Je komt zo in de taal van het personage. Het is belangrijk om in deze fase niet te veel eigen interpretatie toe te laten, het kan zijn dat de regisseur straks een heel ander idee heeft en dan kom je in de problemen. Als de gezamenlijke repetities beginnen, leer ik de partijen van mijn collega’s: uiteindelijk beantwoorden we elkaar. Als er muzikale chemie is, gaat eigenlijk alles vanzelf.

‘Ik begin elke dag weer bij bladzijde 1. Daardoor ken ik mijn eerste aria het best, ja. Maar het is nodig: ik móét weten wat na wat komt. Weet ik niet meer hoe ik verder moet, dan ben ik af en moet ik terug naar start. Als ik een voorstelling heb, lees ik mijn partij altijd nog een keer door, dat moet. Ik wil niet dat er een stemmetje in mijn hoofd opduikt dat zegt: misschien ken je het wel niet. Je bent pas klaar met studeren na de laatste voorstelling.’

Lees verder

De Russische pianoleerschool is berucht. De Volkskrant luisterde mee in Moskou. ‘Als het nodig is om tien uur per dag te spelen, dan speel ik tien uur per dag.

De Braziliaanse pianist Luís Rabello spant zich in voor het werk van zijn (hier onbekende) landgenoot Radamés Gnattali. Met violist Floor Braam bracht hij vorig jaar een album uit.

Heb je een Mozart-sopraan nodig? Dan bel je Lenneke Ruiten. Maar de weg naar het succes was lang, vertelt ze in dit interview.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden