Renate Dorrestein

God en geld. Macht en liefde. Schoonheid en dood. In een serie interviews over life itself ontmoet Pieter Webeling mensen die gezagheb-bend en/of gezagdragend zijn....

'Een onaf ik - dat heb ik heel lang gehad. Maar zonder overdrijving kun je zeggen dat ik mijn naam eer heb aangedaan: ik ben wedergeboren. Re-nate. Ik heb de liefde leren kennen. Om deze ontboezeming zou ik vroeger in schaterlachen zijn uitgebarsten. Nu niet meer.'

god

dit is nu eenmaal jullie lot: onderdeel

te zijn van een schepping die als wezens-

kenmerk heeft dat zij onvolmaakt en

onbeheersbaar is.

uit: Zonder genade

'Alles in het leven is chaos en toeval, zegt de duivel in Zonder genade, mijn nieuwe roman. "Verwacht vooral geen gerechtigheid, samenhang, betekenis of genade." Je kunt de duivel niet vertrouwen, het is zo ongeveer zijn taak onbetrouwbaar te zijn, maar toch vind ik dit een aantrekkelijke visie. Omdat de willekeur mij ontslaat van de verplichting orde aan te brengen. Die is er toch niet. Gaat het goed, dan is het niet mijn verdienste. Gaat het fout, dan is het niet mijn schuld. Een bevrijdend besef. Je blijft het leven intens beleven, met lijden en gelukkig zijn, maar jouw rol en betekenis in de gebeur tenissen is enorm gerelativeerd. Ik vind dat prettig. Binnen de chaos en toeval kunnen mensen natuurlijk wel kiezen voor het goede of het slechte. Ik geloof in God. Ik geloof dus ook in de duivel. Het kwaad zit ook in ons, een oeroud kwaad dat al op aarde was voordat wij er waren: het heeft ons opgewacht en besprongen. Het menselijk repertoire bevat zoveel mogelijkheden om een ander pijn en verdriet te doen... Ik geloof dat de duivel ons kan verleiden om dat boze aan te spreken. Ove rigens: in die chaos en willekeur gedijt hij prima. Het wezen van het kwaad is de onverschilligheid, het totale gebrek aan compassie en liefde. In Zonder genade wordt Jem doodgeschoten in een disco, zomaar, toevallig. Waarom? Er ís geen waarom. Je ziet de duivel grijnzen.

God kan misschien wat sturen en bijsturen, maar Hij heeft geen invloed op de Grote Loop der Dingen. Dat heeft de wereldgeschiedenis wel uitgewezen, en ook nu zijn er honderden miljoenen stervelingen wier lot dringend verbeterd zou kunnen worden. Maar je ziet ook dat de mens ontzettend veel kan verdragen. Ik denk dat daar God spreekt. He will assist us to look higher, schrijft Barrett Browning in een gedicht. Prachtig, prachtig. Hij draagt ons in het lijden, Hij troost, Hij helpt ons het goddelijke te beleven. Ik bid. Drie keer per dag, liggend op mijn rug. In zo'n moment van contemplatie roep ik Hem aan en vraag om Zijn erbarmen, voor mij en mijn dierbaren. Ik geloof ook in de heilzame werking van dankzeggen: de hele dag ben ik eropuit iets te ervaren waarvoor ik God kan bedanken. Dan zeg ik hardop: "Dankjewel God." Elke keer krijgt je hart weer even een zetje - heerlijk. Als ik God moet vertalen in een gebaar, dan zou het een omhelzing zijn. Het is een ontfermer. Een... vader. Een ideale vader.

Ik ben een Mariakind. Mijn ouders waren liberale, vrijzinnige katholieken. Geloof is voor mij nooit beklemmend geweest, alleen maar fijn en leuk. Bruidje zijn, paaswakes - bij allerlei gelegenheden zat ik in de kerk met bloemen in m'n haar. De rituelen vond ik schitterend. Biechten en met een schone lei weer voortzondigen. Met Allerheiligen prevelde ik met andere kinderen een serie gebeden, dan had je een ziel gered van het vagevuur. Daarna moest je de kerk verlaten. Wij gingen tegen elkaar opbieden, alsmaar de kerk in- en uithollen - als beesten zaten wij zielen te redden, man. Ik herinner me ook nog de Blasius-zegen. De kapelaan hield twee kaarsen tegen je nek, en na een gebedje en amen kon je een jaar lang niet stikken in visgraten. Dat is toch magisch en geweldig? Het hielp ook tegen kippenbotjes, geloof ik.

Spelen-spelen-spelen. Heel intens en geconcentreerd kon ik opgaan in mijn spel - heerlijk om Ivanhoe te zijn. Schrijven deed ik vanaf mijn 6de. Ik verzon de meest avontuurlijke verhalen. Kisten met dukaten zoeken in oude kasteelruïnes, bijvoorbeeld. Moet je nagaan: wij woonden in een nieuwbouwwijk in Amstelveen. De fantasie was ook een ontsnapping. Eigenlijk baalde ik ervan om kind te zijn. Iedereen had alles over jou te vertellen. Van ouders, ooms en tantes tot buurvrouwen en docenten... Ooow, waardeloos. Mijn moeder vertelt dat ik werkelijk met wellust kon opsommen wat ik allemaal zou gaan doen als ik groot was. Alleen in mijn eigen wereldje was ik onaantastbaar. Op papier leefde ik mijn eigen leven.

Mijn vader was advocaat. Hij was letterlijk de man die zondags het vlees kwam snijden. Met z'n vijven hing er een vanzelfsprekende intimiteit in huis, maar zo gauw mijn vader binnenkwam sloeg de stemming om. Het was niet vrij meer. Soms zat ik samen met hem aan de ontbijttafel. In stilte. Om dat beklemmende gevoel te bezweren ging ik uitvoerig het etiket van de Brintadoos zitten lezen, zo was ik weer even wég. Mijn moeder was huisvrouw. Ze had haar handen vol aan dat grote gezin. De jaren vijftig, weet jewel. De was werd nog door de wringer gehaald. Ik denk dat ze veel illusies heeft moeten opgeven.

Ik was het cement van het gezin. Zo voelde dat. Ik moest ervoor zorgen dat iedereen gelukkig was - het was míjn verantwoordelijkheid of mijn moeder 's ochtends met een vrolijk gezicht aan tafel zat. Bij onenigheid tussen mijn ouders heb ik vaak bemiddeld. Boodschappen doorgeven van pa naar ma, en andersom. Brandjes blussen. Zo heb ik mij altijd leren aanpassen. Ik had een zesde zintuig voor wat anderen wilden. Ook in mijn puberteit en daarna had ik daar last van: Renate moest iedereen maar helpen en redderen en Renate betaalde ook nog alles. Daar word je geen leuker, spiritueler mens van, hoor. Het heeft iets dweilerigs. Compassie begint bij jezelf. Als je geen oog hebt voor jezelf, hoe kun je dan oog hebben voor anderen?'

macht

ze beweerde dat het geluk nukkig

werd als je het naar je hand probeerde

te zetten.

uit: Zonder genade

'Bungelend aan de touwtjes van anderen - op mijn 18de had ik dat helemaal niet in de gaten. Ik vond juist dat ik eindelijk mijn eigen spoor kon trekken! Ik kon als verslaggeefster aan de slag bij Panorama, een rigide mannenbolwerk. De toenmalige hoofdredacteur Gerard Vermeulen vroeg op vaderlijke toon: 'Maar kind, hoe moet dat nu met de maandstonde?' Naar zijn stellige overtuiging zou ik bij ongesteldheid geknakt op de sofa liggen, niet meer in staat te werken. Maar het liep reuze gesmeerd. Voor de oudere redacteuren was ik een soort mascotte. Ik reisde de hele wereld af. Mijn ambitie en gedrevenheid kende geen grenzen. Ik schreef zeker één verhaal per week - een waanzinnige productie. Eén keer heb ik een sollicitatie gedaan bij een bordeel. Om te kijken hoe dat ging. Zo'n typisch undercover Panorama-project, fantastisch! Oh, wat hou ik toch van die b-dingen.

In de jaren zeventig kreeg je de eerste feministische traktaten. Dat klikte bij mij. Om dat het over gerechtigheid ging: waarom werd je maatschappelijk achtergesteld als je toevallig níet als man geboren was? Het is net alsof ik op het perron stond en de juiste trein kwam langs. Ik kon zo instappen. Het was enig! Ik was betrokken bij de bezetting van de Bloemen hove-kliniek. De toenmalige minister van Justitie, Van Agt, wilde de kliniek sluiten vanwege de abortussen. Na een bel-actie van de Rooie Vrou wen reed ik daar als een speer naartoe in mijn zeventiendehandse Fiat, samen met een vriendin. Wij bleken de eersten te zijn. Else en ik gingen alvast kwartier maken: leuzen schreeuwen, dingen op de muur hangen, gebouw bezetten, broodjes smeren. Op de een of andere manier stond je altijd broodjes te smeren.

Ik radicaliseerde snel. Gezin en moederschap: ik walgde ervan. Het zou mij niet gebeuren dat ik in een vlaag van verstand verbijstering en verliefdheid in het maat schappelijke gareel zou komen. Een leven als broedkip en andermans voetveeg: no thanks. Dus op mijn 23ste liet ik me steriliseren. Nooit spijt van gehad. Later werd ik redactrice bij Opzij; in mijn column gebruikte ik de zwaarste metaforen. Het gezin was een concentratiekamp. En getrouwde vrouwen waren moffenhoeren. Want zij hadden toevallig net die ene goede man, maar had die moffenhoer ook niet nét die ene goede Duitser? Aan de andere kant moest ik ook niets hebben van feministische stromingen die vonden dat vrouwen betere wezens waren. Misselijke trutten vond ik dat. Ik lag dus aan alle kanten onder vuur.

Wij balen van ballen, wij balen van ballen - tijdens optochten zong ik die leuze vol vuur mee. Maar in de praktijk kon ik de meeste ballen, eh, niet zomaar laten passeren. Ik pakte ze terug! Ik had een woest liefdesleven. Altijd op jacht. Ik kan daar nog wel met lichte heimwee aan terugdenken, het moment dat ik iemand in het café zat te taxeren, zo van: neem ik hem mee of niet? Spannend. Met al je intuïtie tastte je af of deze wildvreemde lover geen psychopatische lustmoordenaar zou blijken te zijn. Ik ben van de wonderlijke lichting van na de pil en vóór aids: wij hebben echt lol gehad van seks.

's Ochtends kwam ik dan met een uitgestreken gezicht bij Opzij binnen, en zette mij aan de dagelijkse arbeid: mannen bestrijden. Haha, Cisca (Dresselhuys) moest eens wéten.

Feminisme ging om macht. In dat licht zag ik ook mijn liefdesleven: waarom zou de nacht niet van mij kunnen zijn? Ik meende dat ik in mijn relaties met mannen zo weinig mogelijk moest geven. Eeuwenlang hadden vrouwen hun hele hebben en houwen aan de man overgeleverd - en dat had toch niet gewerkt. Het was allemaal zó helder en overzichtelijk voor mij. Ik was verbaasd als ik discussies ontlokte. Gras is toch groen, jongens? Waar moeten we 't nog over hebben? Ik was onuitstaanbaar in mijn eigen gelijk. Bij mij draaide alles om beheersing, controle, grip. Ik was de architect van mijn eigen bestaan. Onaantastbaar. Ongenaakbaar. Ik was mijn jeugd ontstegen.

Op een dag klapte ik met mijn gezicht tegen de glazen pui van een coffeeshop. Her sen schudding. Daar ben ik nooit meer van opgestaan, bij wijze van spreken. De artsen dachten nog aan een allergische reactie van antibiotica, maar ook na de ontgiftingskuur stond ik niet meer op. Ik had me. Het ziektebeeld loog er niet om. Ik had niet meer de kracht om een theekopje vast te houden. Ik kon niet rechtop zitten, te vermoeiend. Vooral in de eerste jaren was het een hel. Bij het maken van een simpel boodschappenlijstje kon ik gewoon niet op het woord komkommer komen. Zo'n lang, groen ding, schreef ik dan. Ik werd totaal afhankelijk van anderen. De vrouw die je van een berg kon smijten en gewoon weer opstond was veranderd in een platgeslagen fruitvliegje. Dat was heel, heel erg onthutsend.

Ik heb oceanen vol gehuild. Ik kón het niet accepteren, het was too much. We zijn gewend dat ziekte van voorbijgaande aard is. Maar als je erin blijft hangen... Na twee jaar dacht ik: dit zal altijd zo blijven doorgaan. Elke ochtend beginnen met zware lusteloosheid en kotsen, me nooit meer prettig en normaal voelen, nooit meer spontaan iets doen. Een verpletterend besef. Mijn hersens lekten weg, daarvoor was ik nog het meeste bang. Je gedachten vormen toch je identiteit. Een praatje maken over het weer lag soms al boven mijn macht. In Heden ik, mijn boek over me, schreef ik dat ik soms maar één gedachte had. Piet Hein, Piet Hein, Piet Hein zijn naam is klein. Verder helemaal niets. De zilvervloot kwam niet van de ankers.'

kunst

de mens begint en eindigt zonder taal, zonder tekst en uitleg. waarom moet er tussentijds dan zoveel geleuterd worden, met welk oogmerk, in godsnaam?

uit: Zonder genade

'Schrijven was opnieuw mijn redding. Zelfs in de ergste periodes van me kon ik nog met fictie bezig zijn. Naar mijn stellige overtuiging bestaan verhalen al voordat ze worden geschreven, ze zweven in de kosmos en zoeken een schrijver om verteld te worden. Het is dan mijn taak om de juiste vorm te vinden. Nou ja, uitgezakt op de bank lag dat verhaal dan lekker in mijn hoofd te marineren. En een computer vereist bijzonder weinig kracht. Soms had ik op een dag maar tien minuten, maar met een paar bruikbare regels was ik dan al tevreden. Ik ben zo godstabernakels dankbaar dat ik dit beroep had. Iemand anders met deze aandoening raakt alles kwijt. Werk, inkomen, het sociale netwerk, en vaak ook je geliefde. Het schrijven was het behoud van mijn geestelijke gezondheid. Voor mij gold: ik schrijf, dus ik besta.

Zeven jaar daarvoor maakte ik mijn literaire debuut met Bui ten staanders. Mijn eerste romans waren voor al fantastisch: bloed drinken om je sterker te voelen, met een vlieger de planeet aarde verlaten, dat soort bizarre dingen. Als journalist zat ik tot over mijn oren in de werkelijkheid, als schrijver wilde ik daar graag aan ontsnappen. Emoties liet ik niet toe. Zo gauw een personage verdriet had, liet ik hem in een vijver vallen of zo. Slapstick. Omtrek kende bewegingen. Uiteindelijk heb ik definitief gekozen voor de literatuur. Om dat je de werkelijkheid zoveel beter naar je hand kon zetten. Weer dat spelen, hè. Een schrijver of een kunstenaar heeft de concentratie van een kind dat een zandkasteel zit te bouwen. Bloedserieus en toch speels. Opgaan in iets wat nog niet bestaat.

Ik had een thema. Schuld. En dat thema begon steeds harder aan mijn kop te kloppen. Mijn jonge zusje heeft op haar 19de zelfmoord gepleegd. Ze sprong van een flat. Was ik niet begaan genoeg met haar geweest? Had ik dit kunnen voorkomen? In mijn boeken liet ik personages van rotsen, daken en torens duwen, maar te pletter vielen ze nooit - ik redde ze met de pen. Dat deed ik onbewust; pas later viel het kwartje. Een andere reden voor schuld aan mijn zusjes dood lag dieper. Zij wilde graag schrijfster worden. En vlak na haar overlijden kwam eindelijk mijn debuut. Ik voelde me een vampier. Ik had mijn slagtanden in haar blanke hals gezet en haar talent opgezogen. Het wonderlijke is dat ik in die periode 's ochtends wakker werd met een onuitstaanbare pijn in mijn mond. Alsof de slagtanden zich in de nachtelijke uren eruit persten, zo woelde en maalde ik met mijn gebit. Ik moest een bitje om.

Mijn stelling is: zonder verhalen zouden we helem l niks van onszelf begrijpen. Ver halen werken ordenend, bezwerend. Ze geven ons een kans om onze doden te eren, onze liefdes recht te doen, in het reine te komen met onze eigen sterfelijkheid. Ik denk dat wij slecht geëquipeerd zijn om de men selijke conditie ten volle te beleven. Daar ben ik zelf een schoolvoorbeeld van. Veel emoties wil je niet kennen: te pijnlijk, te confronterend. Maar dat durven we wel als we met een boek onder de lakens liggen. Via een personage, via een verhaal kun je jezelf onder ogen zien. We hoeven de geschetste werkelijkheid van de roman niet zelf te beleven, maar door het lot van de personages worden we toch uitgedaagd tot compassie - en zo kunnen we emotionele terreinen be treden die we anders gaarne links hadden laten liggen.

Om waarachtige emoties te kunnen overbrengen moest ik beetje bij beetje in mijn ziel kijken. Van een barokke stijl met veel drama en personages is mijn schrijverschap geëvalueerd naar eenvoud, rust en diepte. Het drama is kleiner, maar aangrijpender. Dat zie je ook terug in Zonder genade. Prachtig dat mijn boeken nu zo goed worden verkocht. Ja, de New York Times vond Een hart van steen een 'striking and finely tuned novel'. Alle kritieken waren geweldig - van schrik ben ik alle lof weer vergeten. Het is ronduit onwerkelijk dat Viking, mijn Amerikaanse uitgeverij, 105.000 dollar heeft geboden voor de vertaling. Het is nog doller: voor de twee opvolgende titels kon ik een miljoen krijgen. Dat heb ik niet gedaan. Ik zou geen letter meer op papier krijgen. Niettemin heeft Zon der genade dus toch al een half miljoen opgeleverd.

Laat in mijn leven ben ik opnieuw gedebuteerd, zo zie ik het Amerikaanse succes. Buitenlandse critici hebben alleen maar dat ene boek, het is nieuw-nieuw-nieuw. In Holland is dat anders. Goede recensenten niet te na gesproken, maar het is mij al jaren een gruwel dat ik voor de openbare afrekening van mijn werk ben overgeleverd aan mensen die fouten maken tot op het niveau van de namen van je romanpersonages. Ze kunnen niet lezen, niet denken, niet schrijven. Ze snappen niets van interne logica, de wetten van het vertellen. Ze hebben hun eigen starre opvatting van literatuur en leggen alles langs die lat, ze hebben geen hart in hun donder voor het verh l. Bij het bespreken van een vegetarisch kookboek mek keren ze dat er geen recept voor een gehaktbal instaat. Dat is het niveau. Núl.'

dood

het enige waar je je op kon toeleggen, was op het overleven van de seconden, die taaie, trage tellen die de tijd om de zoveel jaren uitdeelde. Als je de ene seconde had volbracht, begon je verbeten aan de volgende.

uit: Zonder genade

'En toen lag mijn vader op sterven. Het was 1991. Hij lag in het ziekenhuis; ik ging naast hem liggen met mijn me. Ik heb nog een paar goede gesprekken met hem gehad. Hij vertelde me dat hij altijd van huis was om de kost te verdienen voor ons: dat was voor hem de essentie van vaderschap. En dus: liefde. Ik kon mijn vader begrijpen. Ik kon mijn vader bed nken. Op een ochtend lag hij half in slaap aan zijn katheter te trekken, dat was natuurlijk hinderlijk, onplezierig. Ik greep hem beet en legde dat ding weg. Met mijn andere hand hield ik even zijn geslacht vast zodat het buisje er niet uit kon schieten. Even mijn hand op mijn vaders geslacht. Ik was nog nooit zo dichtbij mijn oorsprong geweest. Dit is mijn vader, besefte ik. Voor de allereerste keer. Een paar uur later overleed hij.

Geboorte en dood, leven en sterven - het fascineert mij mateloos. De dood komt in bijna al mijn boeken voor. Ik betreed ook het schimmige gebied tussen leven en dood, de ondode. In Een hart van steen krijgt Ellen nog geregeld bezoek van haar overleden broer en zus.

Zelf heb ik nog jarenlang mijn zusje om mij heen gehad. Ze zei niets, maar ze liet voortdurend merken dat ík nog leefde. Dat gaf mij dat beknellende schuldgevoel. Ik heb haar echt moeten exorciseren, uitdrijven. Het voelde ook als iets diabolisch, een zwarte aanwezigheid die bezit van mij had genomen. Zelfmoord vloekt zo met het geschenk van het bestaan... het is een doodzonde. Ik denk dat ze in de hel is.

Ik ben omringd door doden. Als een malloot heeft Magere Hein om zich heen lopen zwaaien met zijn zeis - velen om mij heen zijn gevallen. Tweëenhalf jaar geleden heb ik mijn hartsvriendin verloren, Liesbeth. Vanaf mijn 18de heb ik lief en leed met haar gedeeld; we waren zielsverwant. Liesbeth heeft een meesterzet gedaan. Vlak voor haar dood heeft ze mij gevraagd een boek te maken voor haar twee dochters. Met antwoorden op vragen als: hoe is het om ongesteld te worden? Wat wilde mama graag worden op jonge leeftijd, wat waren haar dromen? Een 'moederhandboek' en autobiografie ineen, waarbij we het alfabet als structuur hanteerden. Twee weken lang ben ik elke dag naar het ziekenhuis gegaan om ons gesprek op te nemen. Ik was al blij dat ik iets kon betekenen. Dat was mooi.

Afscheid nemen doet zeer, zo zeer. Een paar maanden geleden liep ik met Maarten, mijn vriend, door New York. Wij waren daar voor een promotietour voor Een hart van steen. Ineens stond ik stil en riep: 'Lies beth, waar bén je?!' Zij had als geen ander van dit succes genoten.

Toch denk ik dat de dood voor de persoon in kwestie ook verheugende kanten heeft. Pas dan zal de volledige betekenis van jouw leven in een flits aan je worden ge open baard. Vermoed ik. Alles wat je overkomt, de chaos en het toeval: bij de dood snap je waarom. Daarom sterven veel mensen zo vredig. Ik ga er vanuit dat een goed mens tot in de eeuwigheid rust en geluk zal vinden temidden van zijn dierbaren. Terug wil ik niet. Bij het woord reïncarnatie krijg ik een hevige opvlieger. Ik hoef absoluut niet nóg een keer. Het is welletjes.'

liefde

geluk zo alledaags en ongewoon dat je phinus vermeer moest heten (...) om er de tranen van in de ogen te krijgen: je met iemand verbonden te weten.

uit: Zonder genade

'Wil ie wat van me? Ik hoor het mezelf nog tegen de poes zeggen. Een kaartje van Maar ten. Of we eens wat konden gaan eten. Ik had hem ontmoet tijdens een kleine vakantie in Terschelling, alweer tien jaar geleden. Na dat afspraakje ging het vanzelf. Maar ja, ik had me. Hij viel voor een zieke vrouw. Die houdt dus van dweilen, dacht ik. Aanvan ke lijk vond ik dat heel verdacht, maar het was juist mijn eigenzinnigheid die hem aantrok. De begintijd was leuk, maar het was tussen Maarten en mij niet altijd koek en ei. Ik kon zo weinig. Dat viel mij zwaar. Hoe kon ik toch in het reine komen met die ziekte? Afhankelijkheid, onafhankelijkheid - ik zat daar ontzettend mee te wringen. Dat uitte zich in zwalkend gedrag. Het ene moment was het hangen en klampen aan Maarten, het volgende moment zocht ik ruzie en beet van mij af. Op zijn manier had hij ook moeite zich te verbinden. We waren gaar.

Bij het afscheid was ik bang dat ik een gebroken hart niet zou kunnen verdragen. Net in die periode las ik Het drama van het begaafde kind van Alice Miller. Een kind kan zo intelligent zijn dat het de noden van de ouders haarfijn aanvoelt en zich daarop aanpast. Zo wordt zijn eigen ontwikkeling gedwarsboomd en zit hij later met een... onaf ik. Ik heb twee weken lang gehuild. Ik begreep het. Ik moest terug naar mezelf. Tege lij kertijd had ik eindelijk besef van de enorme kloof tussen mijn publieke imago - die spijkerharde tante - en de persoon die zich maar om iedereen schattig zat te bekommeren. Op een natuurlijke manier heb ik kunnen afrekenen met mijn verleden. Ik was af. Compleet! Ik had fundament. Voor mijn gevoel besta ik nu uit twee keer zoveel meer Renate als daarvoor. Ben nog geëmotioneerd.

Maarten kwam terug. Na anderhalf jaar. Hij stond op de stoep en ik zag dat hij ook veranderd was. Hij sprak de klassieke woorden: 'Kun je me nog een kans geven?' Ik moest erg lachen en zei dat hij zijn best maar moest doen. Dat heeft ie gedaan. Het is nu ontzettend leuk tussen ons. Ik ben steviger, meer ontspannen. En langzamerhand ben ik bijna hersteld van me: ik zit op 90 procent van m'n krachten. Kortom, ik heb mijn leven terug. Dank u, God. Het is zo leuk met Maar ten omdat we totaal verschillende denkprocessen hebben. Daar door lijkt de ander altijd origineel en verfrissend. We kunnen elkaar verrassen. Wij zijn bijvoorbeeld gepassioneerde scrabbelaars. Ik doe dat om mooie woorden te maken, en hij zet zijn wiskundige vermogens in. Treffen der kan ik 't niet zeggen. Wel jammer dat hij altijd de meeste punten maakt.

Een keer heeft Maarten me écht verrast. Kom op, zei hij, we gaan ringen kopen bij de juwelier. Ik stond paf, maar vond het ontzettend leuk. We lieten daar de datum in zetten van de dag dat we elkaar zeven jaar kenden: 22 juli 1998. Daarna: een weekend romantisch naar een kasteel in Limburg. Een paar weken later was het zover. Op de ochtend van vertrek keek ik al schuin naar Maarten voor de ring, maar hij gaf geen krimp. Zater dag: niks. Zondag: niks. Hun ke rend naar een ring - ik vond het geweldig mijzelf in die rol te zien. Maar ik zou nog liever doodgaan dan dat ik erom vroeg. Op de terugweg zette ik getergd mijn stoel ach teruit. "Maarten, ik ga even een dutje doen", zei ik. "Dat is goed, meisje", zei hij suikerzoet.

'Even later werd ik wakker omdat we stilstonden. Op parkeerplaats De Kruisberg, net buiten Maastricht. En ja hoor, daar kwamen de ringen. We hebben elkaar even diep in de ogen gekeken.

Aan het einde van die week sta ik de tuin te sproeien als ik een kaartje van mijn oude buurvrouw in handen gedrukt krijg. Ge feliciteerd met je verloving. Ik begreep er niets van. Wat bleek? Maarten had een uitermate tuttige verlovingsadvertentie in nrc Handelsblad geplaatst! Met onze namen en de datum, Kruisberg, 22 juli. Geweldig! We zijn verloofd. Mooi alternatief voor trouwen, dacht Maarten. Hij wist niet dat een verloving een voorpost van het huwelijk is. Liesbeth zat ons al te chanteren: "Gaan jullie trouwen? Nu leef ik nog." Maar ik wil niet. Samenwo nen is ook geen goed idee. Nee, zeg. Ik ben maniakaal netjes en hij is een sloddervos. Waarom zouden we onze relatie verontreinigen met dagelijkse ruzietjes over trivialiteiten?

Ik heb de liefde leren kennen. Ik... kan 't niet anders zeggen. Bewúst tegen de stroom inzwemmen heb ik nooit gedaan, hoe gek dat ook klinkt. Tegenstand en confrontaties kwamen voort uit dat onuitstaanbare gelijk. Ik was de Alwetende, Al machtige. Mooi niet. Ik ben een kopje kleiner gemaakt. Door me, door de doden om mij heen, door het ouder worden. Ik ben nederiger geworden, zoveel nederiger. Ik ga nu zoveel mogelijk méé met de stroom. Daarmee accepteer ik dat de status quo niet bestaat: het leven is steeds onderhevig aan verandering en beweging. Cha os en toeval, lééf daar maar mee. Mijn palet is rijker en dieper van kleur: ik ben dus ook een betere schrijver geworden. In mijn vroegere werk is vaak sprake van een akelige, duistere afloop. Nu begrijp ik dat fictie bij uitstek de potentie heeft om te verzoenen en te nuanceren. Een verhaal wil het leven omhelzen.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden