IN HET SPOOR VAN DE JONGE REMBRANDT

Rembrandt z’n vernieuwingsdrang was niet aan iedereen besteed – en dat kon hem niets schelen

Satire op de kunstkritiek, ca. 1644.

Rembrandt was een rebel. Hoewel hij traditioneel is opgeleid – hij ging netjes naar de Latijnse school, de Universiteit en leerde het schildersvak van leermeesters die klassiek waren onderlegd – had Rembrandt al jong het lef om af te wijken van de gebaande paden. Hij zag er niet tegenop om te experimenteren en te zondigen tegen de regels van de kunst.

Roem en lof oogstte hij met zijn vernieuwende werk, maar tijdens zijn leven raakte hij ook geregeld verzeild in conflicten met opdrachtgevers, klanten en collega’s. Door critici werd hij verguisd om zijn stijl en onbeschaamde onderwerpkeuze. Meestal trok Rembrandt zich daar weinig van aan. Soms sloeg hij terug.

In 1644 maakte hij een venijnige tekening van een pedante kunstkenner die zit te oreren in een drukbezocht atelier. Ezelsoren steken door zijn hoed, een slang kronkelt om zijn arm. De opschepper wijst, zittend op een hol vat, met een gedoofde pijp naar een beschilderd paneel. Zou hij überhaupt iets zien? Zijn bril zit niet op zijn neus, maar ligt voor zijn voeten op de grond.

Rembrandt heeft geen middel onbenut gelaten om aan te tonen dat deze ‘ezel’, ‘snoeshaen’ en ‘sjacherende bedrieger’ – de typeringen van ‘waenwijzekonstkenners’ zijn van Samuel van Hoogstraten, Rembrandts leerling, in zijn Inleyding tot de Hooge Schoole der Schilderkonst – dom, slecht en blind is.

Aan de rechterkant van de tekening hurkt een schilder achter zijn paneel. Dat is een knipoog naar de beroemde anekdote van Plinius over Apelles die zich verstopte achter zijn schilderij om te horen wat de mensen zouden zeggen. Een schoenmaker liep voorbij en had commentaar op de veters van een schoen. Daarop strikte Apelles de veters van verf opnieuw. De volgende dag kwam de schoenmaker weer langs, en bekritiseerde nu het scheenbeen van de geportretteerde. Toen sprong Apelles achter zijn paneel tevoorschijn en zei: ‘Schoenmaker, hou je bij je leest.’

Rembrandt laat zijn schilder – de enige die ons recht aankijkt – heel wat minder deugdzaam optreden dan de mythische Apelles. Hij veegt zijn blote billen af met de blaadjes van een boek.

Was er een concrete aanleiding voor Rembrandt om kwaad te zijn? Het onderschrift ‘de tijd 1644’ wijst daarop. De kunsthistoricus Paul Crenshaw opperde dat de bespotte kunstkenner Constantijn Huygens zou kunnen zijn. De dichter-diplomaat was aanvankelijk idolaat van Rembrandts werk, maar keerde zich er later van af.

Huygens publiceerde in 1644 de bundel Momenta desultoria, waarin hij zeven Latijnse epigrammen opnam over een schilder ‘met schuine ogen’ die niet in staat bleek een portret te laten gelijken. In de vertaling van Loekie Schwartz: ‘Van wie is dit gezicht? Ieder die ’t koopt voor geld / Kan zeggen dat ’t van hem is, maar niemand dat ’t hem voorstelt.’

Dit gedicht hekelde niet zomaar een schilderij, maar het portret dat Rembrandt van Huygens’ vriend Jacques de Gheyn III had gemaakt. Dat bewijst het achtste epigram dat Huygens níet in Momenta desultoria opnam, maar wel in het manuscript bewaard bleef: ‘De hand van Rembrandt, van De Gheyn ’t gezicht. / Bewonder het maar lezer, ook al is ’t De Gheyn niet echt.’

Ook zonder die laatste twee regels veegde Rembrandt zijn reet met Huygens’ oordeel af.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden