In het spoor van De jonge Rembrandt

Rembrandt, ‘het wonder van onze tijd’

Signatuur van Rembrandt Beeld K2

‘R’ of ‘RH’, zo signeerde Rembrandt zijn werk toen hij in Leiden in 1625 als zelfstandig kunstenaar naar buiten trad. Een jaar of drie later gebruikte hij ‘RHL’ en in 1631, het jaar dat hij vertrok naar Amsterdam, ook RHL van Rijn. ‘Rembrandt Harmenszoon Leidensis’, daar staan de drie zwierig gekalligrafeerde kapitalen voor. Het was een eerbetoon aan zijn herkomst. Aan zijn vader en zijn geboortestad.

Het monogram RHL weerspiegelt de eerste regel die getuigt van Rembrandts bestaan in de historische documenten. Op 20 mei 1620 werd hij ingeschreven als letterenstudent aan de universiteit. 14 was hij, en hij woonde bij zijn ouders: ‘Rembrandus Hermanni Leydensis, studiosus litterarum annorum 14, apud parentes’.

Rembrandt besloot relatief laat om schilder te worden. Hij bezocht eerst de Latijnse school en na tenminste twee jaar aan de Leidse universiteit – de enige van de Noordelijke Nederlanden – te hebben gestudeerd, deed zijn vader hem op zijn eigen verzoek bij een plaatselijke schildersmeester in de leer, Jacob van Swanenburg.

Vanaf zijn eerste dag als schildersjongen moet Rembrandt zich met tomeloze werkkracht op zijn vak hebben geworpen. Voor hem gold het motto van Apelles, de grootste schilder uit de oudheid, die met zijn penseel het oog van mens en dier kon betoveren: ‘Nulla dies sine linea.’ 

Geen dag zonder penseelstreek.

Ambitie, intellect en geestdrift gaven Rembrandt vleugels. Vanaf het moment dat hij  zijn eigen atelier begon bij zijn ouders – dat zou wel eens in een van de huizen van zijn vader aan het Galgewater kunnen zijn geweest, om de hoek van zijn geboortehuis in de Weddesteeg – ontwikkelde hij zich als schilder met de snelheid van het licht.

Beroemd werd hij met name door zijn geëtste zelfportretten. Doordat etsen, anders dan schilderijen, in oplage konden worden gedrukt, werd zijn gezicht overal bekend. Niet alleen in Leiden, Amsterdam, Holland of de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden, maar in heel Europa. Op zijn bekendste zelfportret, niet veel groter dan een postzegel, etste hij zijn eigen verbazing. Was getekend: RHL 1630.

In de zomer van 1631 vertrok Rembrandt naar Amsterdam. Hij hield nog een tijdje het atelier bij zijn ouders aan, maar hij kwam niet heel vaak meer terug in zijn geboortestad. In Leiden had hij vrijwel alles geleerd. In Amsterdam ging hij het maken. De anatomische les van dr. Nicolaes Tulp uit 1632 betekende zijn doorbraak bij het grote publiek. Hij signeerde het doek niet met ‘RHL’, maar met ‘Rembrant fecit’. 

Rembrandt heeft dit gemaakt.

Een jaar later voegde hij de ‘d’ aan zijn naam toe, die nooit meer uit zijn signatuur zou verdwijnen en tot op de dag van vandaag een gouden klank heeft. De Zuid-Duitse monnik en kunstliefhebber Gabriël Bucelin somde in 1664, vijf jaar voor Rembrandts dood, de namen van 166 vooraanstaande Europese schilders op. Slechts achter één naam op de lijst, die van Rembrandt, krabbelde hij een kwalificatie: ‘Nostrae aetatis miraculum’. 

Het wonder van onze tijd.

Net als Leonardo, Michelangelo, Titiaan en Rafaël had hij aan zijn voornaam genoeg in de wereld.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden