Achtergrond Rembrandt - Velazquez

Rembrandt en Velázquez: zo’n verschillende achtergrond en toch zulke gelijkende schilderijen

Twee hoogtepunten uit de 17de-eeuwse schilderkunst: links een zelfportret van Velázquez, gemaakt rond 1640. Rechts een zelfportret van Rembrandt uit 1654. Beeld Real Academia de Bellas Artes de San Carlos / Museumslandschaft Hessen Kassel

Hoewel Rembrandt van Rijn en Diego Velázquez elkaars werk waarschijnlijk nooit hebben gezien, zijn er overeenkomsten genoeg, is te zien in het Rijksmuseum. Dat terwijl de schilders zulke verschillende levens leidden.

Een titanengevecht: halverwege Rembrandt-Velázquez, de schitterende tentoonstelling over Spaanse en Hollandse meesters in het Rijksmuseum, hangen twee hoogtepunten van de 17de-eeuwse schilderkunst zij aan zij. In de linkerhoek, sorry: ter linkerzijde, hangt Diego Velázquez (1599-1660), 41 jaar oud, schilder van koning Filips IV, de ingetogenheid zelve, ondanks de puntsnor en golilla-kraag. Rechts van hem treffen we Rembrandt (1606-1669), 48 jaar oud, baretje, schilderskiel, ja, zo kennen we de primus inter pares van het Amsterdamse schildersvolk. Het paar zet aan tot een gedachte-experiment: hoe hadden de zelfportretten eruitgezien als de heren niet zichzelf, maar elkaar hadden geschilderd? Niet heel anders dan ze nu ogen, wellicht. Immers, beide zelfportretten tonen echte mensen met echt vet rond de kin en echte wallen onder de ogen en groeven tussen de neusvleugels en mondhoeken, en wel in een weinig sexy palet van stemmige aardappeltonen. Ja, Rembrandt had van Velázquez kunnen zijn en vice versa. Zou je de auteursnamen op de tekstbordjes verwisselen: het zou niet ongeloofwaardig zijn, héél frappant.

Immers, van wederzijdse beïnvloeding was beslist geen sprake. Sterker, de kans dat Rembrandt en Velázquez elkaar hebben ontmoet of elkaars werk ook maar hebben gezien, valt te verwaarlozen. Tot de opening van het Prado in Madrid in 1819 was Velázquez’ kunst überhaupt niet openbaar. De werken hingen ter decoratie in de later verwoeste paleizen Alcázar in Sevilla en Buen Retiro in Madrid, en het Escorial, Filips II’s megalomane mausoleum even buiten Madrid. Rembrandts schilderijen belandden wel in den vreemde, onder andere bij de Siciliaanse edelman Don Antonio Ruffo, die onder meer Rembrandts late werk Aristoteles met de buste van Homerus kocht, maar dat Velázquez ze zag lijkt onwaarschijnlijk. In zalige onwetendheid van elkander deed het tweetal zijn ding. Hoe is het dan toch mogelijk dat hun zelfportretten zoveel op elkaar lijken?

Formeel en romantisch

Van identieke persoonlijkheden was allesbehalve sprake. Velázquez was de formelere van de twee. Als kunstenaar was hij een vernieuwer, een revolutionair misschien zelfs, en rekende hij af met de idealiserende manier van schilderen die indertijd gemeengoed was, maar als persoon was hij conventioneel. Hij was een telg uit een welvarende familie uit Sevilla. Op z’n 19de trouwde hij met de dochter van zijn leermeester, Francisco Pacheco, heel handig; enkele jaren daarna verkaste hij naar Madrid, waar hij Filips IV’s hofschilder werd en eervolle titels aaneen reeg. Zijn levenspad bewandelde hij op kousenvoeten. Diego Velázquez: smooth operator.

Rembrandt was allesbehalve een smooth operator. Hij was een romantisch kunstenaar avant la lettre: briljant, maar miskend. Hij kreeg het verlies van dierbaren, scandaleuze liefdesaffaires en een faillissement voor zijn kiezen. Naarmate hij ouder werd, werd z’n leven steeds meer een zootje, maar werd zijn kunst steeds beter en intenser, al was er indertijd amper een ziel die dat zag. De welstand van zijn getalenteerde tijdgenoot ervoer hij kort. Diens prestige en erkenning nimmer.

Het hof en de beurs

De werelden waarin hij en Velázquez opereerden waren ook heel verschillend. De hofcultuur waarbinnen de Spanjaard gedijde was er een van strenge regeltjes en strikt protocol. Het ritme van Velázquez’ dagen werd gedicteerd door de gangen van Filips IV. En hij moest manoeuvreren in een tijd waarin de inquisitie controleerde of het weergegeven aantal spijkers op een Kruisiging wel klopte met het voorgeschreven aantal. Beging een kunstenaar een artistieke misstap, dan kon men daarvoor ter dood veroordeeld worden. Voor Rembrandt was zoiets ondenkbaar. Zijn praktijk stond midden in een florerende koopmanscultuur. Onder zijn clientèle vond men volk van allerlei religieuze gezindten: katholieken, Joden, mennonieten et cetera. De God die hij diende, was de God van de beurs. Het liberale Amsterdam uit zijn tijd leek in niets op de woonplaats van zijn evenknie.

Overigens: wie zich een beetje in de twee schilders verdiept, ontwaart ook leuke parallellen. Zo stopten alle twee de kunstenaars in de jaren veertig bijna een decennium lang met schilderen, Rembrandt vermoedelijk vanwege de dood van zijn eerste echtgenote Saskia, Velázquez vanwege zijn vele nevenactiviteiten, waaronder zijn functie als beheerder en conservator van de koninklijke collectie. Ook hadden beide heren de kwalijke gewoonte om belangrijke opdrachtgevers te laten wachten. Met name Velázquez, uit wiens lange carrière niet meer dan 110 schilderijen bekend zijn, maakte het bont. Regelmatig klaagde Filips over zijn protegé’s flegma, zijn sloomheid. Rembrandt kon ook sloom zijn. Hij hield hij Prins Frederik Hendrik jarenlang aan het lijntje nadat die een reeks passie-scènes bij de kunstenaar had besteld. Dus: een paar overeenkomsten, veel verschillen, en dan die portretten: waarom lijken die zoveel op elkaar?

Italië

De crux zit hem er deels in dat Rembrandt en Velázquez putten uit dezelfde bron: Italië. Schilders als Caravaggio en Titiaan bewerkstelligden daar in de 16de eeuw een kleine kunstrevolutie. Zij namen afstand van de aaibare en geïdealiseerde schilderwijze van Rafael en Michelangelo ten faveure van iets theatralers en realistischers. Ze maakten het heilige echt, en het echte heilig.

links: Caption Velazquez, Don Diego, rechts: Rembrandt, Marten Soolmans. Beeld Prado / Rijksmuseum

Rembrandt en Velázquez werden door hen beïnvloed, zij het op volstrekt verschillende manieren. Velázquez kende hun werk uit de eerste hand. Hij verbleef tweemaal in Italië, eerst rond 1630, daarna rond 1650, en bestudeerde daar de nieuwste Italiaanse kunst grondig. Bovendien was zijn patroon, Filips IV, een aficionado van Italiaanse kunst . Net als diens grootvader Filips II trouwens. Werken van Titiaan en landgenoten sierden hierdoor het Escorial, waar Velázquez ze kon bestuderen. Titiaans werken De Zondeval en Ruiterportret van Karel V had hij voor zichzelf. Rembrandt had die luxe niet. Hij nam kennis van de Italianen via een omweg. Hun innovaties kwamen tot hem via zijn landgenoten die wel naar Italië waren geweest, met name de Utrechtse Caravaggisten. Zij experimenteerden met kaarslicht en van de straat geplukte modellen en streefden naar fel realisme, en Rembrandt ging ermee aan de haal, zoals Velázquez met Caravaggio en Titiaan aan de haal ging. Immers, Rembrandt en Velázquez waren eerzuchtige mannen, en ze namen er geen genoegen mee de laatste vernieuwingen te evenaren; ze wilden ze overtreffen. Bij hen moest het nóg realistischer, nog indringender, nog levensechter.

Tijd

Rembrandt en Velázquez voegden daarvoor nog een element toe: tijd. Althans, de illusie ervan. Hun modellen lijken soms op het punt te staan om in beweging te komen of te worden onderbroken tijdens een bezigheid. Soms zijn wij, de kijkers, datgene wat hen schijnbaar onderbreekt. Op Velázquez meesterwerk Las Meninas (1656) bijvoorbeeld, het raadselachtige portret van de infanta met haar kamermeisjes en dwergen, een werk gevuld met protofotografische effecten: harde afsnijdingen, vervaagde ledematen. En op Rembrandts beste groepsportret, De Staalmeesters, waar we de vijf lakenkeurmeesters lijken te onderbreken tijdens een belangrijk gesprek. Tenminste, ze zitten erbij alsof wij de zesde keurmeester zijn, degene die altijd te laat komt (‘koop toch eens een horloge’). Kijkend naar zulke werken kun je denken dat Rembrandt en Velázquez’ broeders van een andere moeder waren, verschillen in religie, stand en taal overstijgend. Dat waren ze, en toch ook niet, zo zie je, verder kijkend in de tentoonstelling.

links: Rembrandt, rechts: Velazquez Beeld Rijksmuseum / Prado

Kijk maar eens naar het kwartet in het hart van de expositie, Velázquez’ dubbelportret van Doña Antonia de Ipeñarrieta y Galdós en haar zoon Luis (ca. 1632) en Don Diego del Corral y Arellano (ca. 1632) en Rembrandts tweeluik, de portretten van Marten Soolmans en Oopjen Coppit (1634), u wellicht bekend. Links zien we Doña Antonia, gouvernante van de Spaanse kroonprins Balthasar Carlos en haar echtgenoot, Don Diego, een gerespecteerd advocaat en professor van adellijke komaf. Voor de goede verstaander zitten hun beeltenissen vol subtiele verwijzingen naar hun hoge statuur aan het Spaanse hof. Don Diego’s hoed is er eentje. De aanwezigheid van het hoofddeksel leert ons dat hij een hoed mocht dragen in de nabijheid van een koning, een recht enkel voorbehouden aan werkelijk hoogstaande figuren. Rechts van hem zien we een vermogende Amsterdamse suikerproducent en zijn kersverse bruid, nieuwe rijken, een beetje ordinaire lui. Ook hun portretten zit vol hints (Oopjens waaier, Martens luxe mantel), al hebben die minder te maken met de opdrachtgevers’ status dan hun rijkdom. Staar een tijdje naar de twee dubbelportretten, en er begint je iets op te vallen: Rembrandt is als schilder veel nadrukkelijker aanwezig dan Velázquez. Men herkent hem aan z’n maniertjes. De ogen van Marten doen je denken aan de ogen van Johannes Wtenbogaert of Andries de Graeff; het zijn typische Rembrandt-ogen, wat wil zeggen: ogen als pistachenootjes. De ogen van Doña Antonia en Diego, daarentegen, lijken niet op die van andere Velázquezportretten; het zijn hun eigen ogen, uniek. Velázquez lijkt als kunstenaar sowieso afwezig in zijn portretten. Als hij iets van een ego bezat, dan bracht hij het niet mee naar zijn werk.

Ingetogen en uitgesproken

Het verschil tussen zijn dubbelportret en dat van Rembrandt laat zich extrapoleren naar de rest van hun oeuvres. Velázquez’ portretten willen je nergens imponeren, waar Rembrandts vroege portretten niets anders willen dan indruk op je maken. Velázquez is ingetogen, onderkoeld, gelijkmatig als een Zwitsers uurwerk; Rembrandt is grillig, uitgesproken, een opeenstapeling van maniërismen en tics. Vertaald naar sporttermen: Velázquez is Federer, Rembrandt is Nadal.

Het verschil valt deels terug te voeren hun persoonlijkheid en afkomst. Velázquez is zich zijn hele leven verzekerd geweest van luxe en status. Oké, voor zijn ridderschap van de Orde van Santiago verrichtten Filips IV en hij kunst- en vliegwerk, maar armoede en miskenning waren hem vreemd. Hij was hofmaarschalk en kamerbeheerder; hij bezat een zeskamer-vertrek gevuld met kunst in het paleis. Status beschouwde hij als vanzelfsprekend. Hij wist veel, maar wat hij niet wist, is hoe het is om onaanzienlijk te zien. Rembrandt wel. Ondanks al z’n talent bleef hij toch een jongen uit het volk. Om zich te bewijzen liep hij altijd een stapje harder dan de rest. ‘Kijk eens hoe hoog ik kan vliegen’, roept hij, wanneer hij die gigantische rozetten op de schoenen van Marten Soolmans schildert. ‘Goed hè, ben ik!?’, juicht hij, wanneer hij de kanten kraag om Martens nek drapeert.

Velázquez zou daar niet mee zijn weggekomen. Het ging immers om de mensen die hij portretteerde, de koning, zijn gouvernante en haar echtgenoot, de professor. Het ging niet om hem, de schilder, die aan het hof nog altijd werd beschouwd als een veredelde handwerker, maatje van de koning of niet. Velázquez was dienstbaar omdat dat van hem verwacht werd: ’t schildersmenneke moest niet teveel potsen maken, hij moest z’n plaats kennen. Rembrandt, echter, werd niet gehinderd door zulke knellende etiketten. Hij was zeven jaar ouder dan Marten, maar de ambitieuze schilder en de olijke suikerhandelaar waren gelijken. Wanneer het poseren erop zat, stel je je voor, sloeg Marten Rembrandt op z’n schouder. Kom, we gaan een biertje drinken.

Rembrandt-Velázquez: Nederlandse en Spaanse meesters, Rijksmuseum, Amsterdam, 11/10 t/m 19/1

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden