Achtergrond Potvissen in de kunst

Religieus, seksueel, sociaal en artistiek: de walvis staat centraal in de nieuwe tentoonstelling van het Dordrechts Museum

Hendrick Goltzius, ‘Gestrande potvis bij Berckhey’, 1598, tekening. Beeld Martijn Zegel / Teylers Museum Haarlem

In de Gouden Eeuw zagen mensen in zo'n gestrande reus niet zozeer een arm beest, als wel handelswaar. 

In februari 1588 strandde in een inmiddels verdwenen vissersplaatsje tussen Katwijk en Scheveningen een potvis. Het beest, zo noteerde de Haarlemse notaris en chroniqueur Pieter Christiaensz. Bor, werd met touwen op het droge gesleept, waar het vier dagen lag te trillen en rotten, voordat het stierf. Onderwijl was het ‘groot en lelijck dier’ uitgegroeid tot een bezienswaardigheid. Het bracht allerlei volk op de been, jutters, wetenschappers, burgerlui, sommigen kokhalzend van de stank, een enkeling eraan bezwijkend. ’s Lands beste tekenaar, Hendrick Goltzius uit Haarlem, was ook van de partij. Uiteraard maakte hij een tekening van het tafereel. 

Die voorstelling bevindt zich nu in de collectie van Teylers Museum in Haarlem. Het is een prachtding. We zien de potvis vanuit het noorden, gelegen op z’n zij, staart naar de zee, tong uit de bek; het dier ligt in een waarheidsgetrouw ogend duinlandschap dat gestoffeerd is met allerhande spullen en figuren: stelletjes, ruiters, paarden, tenten, een schip of drie. Er zijn details die je je medekijkers doet aanstoten, te beginnen met de man die met een liniaal de walvispenis staat op te meten, een penis die door inwendige gassen in volle glorie is te bewonderen – zeg niet dat u niets meer opsteekt van de krant. Ook het vissersjongetje dat in zijn pet vet opvangt dat langs de flank van de vis naar beneden sijpelt valt op, net als talloze anderen, onder wie Jan van Nassau, militair bevelhebber in het Staatse leger en latere bezitter van de walviskop. Goltzius’ talent toont zich met name in de modellering van de vis, de suggestie van volume en gewicht; kunde die hem tot eer strekte: de tekening kreeg een tweede leven. Jacob Matham, Goltzius’ petekind, maakte er een ets van, die ook weer werd gekopieerd en hergebruikt, bijvoorbeeld ter illustratie van een aangespoelde walvis in 1601 bij de Italiaanse kustplaats Ancona. ‘Ritratto qui dal naturale appunto’, zette de etser van dienst erbij: ‘Naar de werkelijkheid getekend’ – uhuh. Zo groeide Goltzius’ vis uit tot een pars pro toto. Een potvis was zíjn potvis.

Jacob Matham naar Hendrick Goltzius, ‘Stranding van een potvis bij Berckhey’, 1598, gravure. Beeld Jacob Matham, Huis Van Gijn (Atlas Van Gijn), Dordrecht

Van religieus fabeldier naar biologische entiteit 

Voorstellingen als die van Goltzius vormden een populaire topos tijdens de laatste decennia van de 16de- en de eerste helft van de 17de eeuw. Er kon geen walvis aanspoelen of er was wel een tekenaar ter plaatse om het aangespoelde dier te vereeuwigen, nou ja: zo lijkt het. Zulke prenten zijn driewerf interessant. Ze zijn een demonstratie van voortreffelijke tekenkunst, een getuigenis van de transformatie van de walvis van religieus fabeldier naar biologische entiteit én een exposé van de recreatieve gewoonten en godsdienstige overtuigingen van onze 17de eeuwse voorouders: via de vis leert men de mens kennen. Wel dringt de vraag zich op waarom een tijdloos verschijnsel als de aangespoelde walvis juist in deze periode zo’n geliefd onderwerp was. Een tentoonstelling over vis in het Dordrechts Museum geeft daarop antwoord.

Het is zo’n onderwerp waarmee je alle kanten op kunt, vis, en in deze doortimmerde, slim in elkaar gezette expositie (samengesteld door gastconservator Henk Slechte en conservator Sander Paarlberg) zijn al die kanten in keurige vignetten ondergebracht. Sommige zijn haast te bekend. Dat vis erotische connotaties heeft: ja…oké… snurk. Lang voordat De Jeugd van Tegenwoordig rapte over vissen in de discotheek (‘Ik hengel naar links, ik hengel naar rechts, ik denk aan niks anders dan seks’) had je schilderijen met suggestief grijnzende visboertjes die obsceen glimmende zalmmoten omhoog hielden, moten waarvan het weinig moeite koste om te raden naar welk vrouwelijk lichaamsdeel ze verwezen, toch niet de knieholte, zeker? In andere hoofdstukken begeven we ons op onbekender terrein. Zo gaat de expositie ook over de religieuze  (Jona, Tobit), sociale en artistieke betekenis van vis. Over de hele linie hangen er trouwens goede en verrassende bruiklenen, waaronder een fraaie schipbreuk van Willaerts uit het Rijksmuseum en een mooi keukenstuk van Joachim Beuckelaer uit Dieppe. En dan is er dus die wand met aangespoelde walvissen: schilderijen, prenten, cartoons; Jan van Scorel, Jan Saenredam, Bas van der Schot.

Zo zie je de walvis veranderen van het grotendeels aan de fantasie ontsproten monstrueuze wezen zoals men het in de Middeleeuwen zag tot het uitzonderlijk communicatieve zoogdier waarvoor wij het inmiddels houden. Op een tekening van een anonieme kunstenaar van de potvis van Berckhey oogt het bijvoorbeeld als een kruising tussen een goudvis en een vleermuis, maar nog geen eeuw later, bij tekenaars als Willem Buytewech, heeft-ie z’n karakteristieke vierkante kop en gebit (met tanden die alleen in de onderkaak zijn volgroeid). Goltzius’ vis zit er tussenin, al is-ie meer dier dan duivel. Hij bevat één ongerijmdheid: zijn vin zag de tekenaar aan voor een oor. Die zit derhalve te dicht bij het oog, en heeft een onnatuurlijke schelpachtige vorm. Het bewijst dat Goltzius niet alleen tekende wat hij zag, maar ook wat hij meende te weten. En walvissen, meenden velen, waren zeemonsters.

Anoniem (Duitsland, eind 16de eeuw), ‘Gestrande walvis bij Berckhey’, 1598, ets. Beeld Huis Van Gijn (Atlas Van Gijn), Dordrecht

Uit koers

Waarom strandden zulke vissen eigenlijk? In de Middeleeuwen had men er een hoofse verklaring voor: het gebeurde omdat mannetjes dermate bezig waren een vrouwtje te veroveren dat ze uit koers raakten. Was deels waar. De aangespoelde vissen waren inderdaad bijna altijd van het mannelijk geslacht. Echter, ze waren niet op zoek naar een vrouwtje, maar hadden haar juist verlaten. Mannetjespotvissen zijn solitaire wezens. Ze bewegen zich van de tropen naar de Noorse kusten, waar het goed jagen is op inktvis. Soms belandt er een per abuis tussen de zandbanken van de Noordzee. Gewend als-ie is aan diepe wateren raakt-ie gedesoriënteerd, en strandt.

Adriaen Coenensz. van Schilperoort, ‘Stranding van een walvis bij Saeftinge in 1577', in: ‘Visboeck, 1577-1579', Koninklijke Bibliotheek, Den Haag. Beeld Koninklijke Bibliotheek, Den Haag

Worden wij geconfronteerd met zo’n gestrande walvis, dan is onze reactie niet vrij van sentiment. Zijn lot grijpt ons aan. Bewust van zijn intelligentie en besmuikt door de wreedheden van eeuwen walvisvangst, projecteren we menselijke gevoelens en gedragingen op hem (‘Ik zag hem huilen’). Is hij niet te redden, wat vaak zo is, dan doet dat sommigen ontsteken in woede en wordt niet zelden een zondebok gezocht. Sowieso begint het proces van collectieve rouw: hierbij gedenken we Pieter Potvis, nooit vergeten we zijn flipperende staart en penetrante geur, het waren vier onvergetelijke dagen… De combinatie van kracht en weerloosheid maakt de gestrande walvis het perfecte symbool voor onschuld. Hij is ons nationale knuffeldier.

Gouden Eeuwers daarentegen, zagen in zo’n vis iets anders. Handel, voornamelijk. Pecunia. De stank van de walvis had, zoals de Britse historicus Simon Schama schrijft in zijn mentaliteitsgeschiedenis Overvloed en onbehagen, ‘het aroma van de winst’. Zijn tanden vormden het grofstoffelijk materiaal voor kunstenaars. Het traan uit zijn spek werd voor goed geld verkocht aan zeepziederijen. Op de prenten van Hendrick Goltzius en Jan Saenredam zijn ijverige dorpelingen met houwelen en emmertjes in de weer om het dier te gelde te maken: hier werd de vis nu eens níét duur betaald. Het was een cadeautje. Maar het was ook een teken van onheil.

De redenatie ging als volgt: God schiep de wereld in perfecte kosmologische orde. Alles heeft er zijn plek. Landdieren horen op het land. Waterdieren horen in het water. Maar waterdieren horen niet op het land. Bevindt een waterdier zich toch op het land, dan is er iets goed mis in de goddelijke orde. Dat kan het niet anders, of God is boos op de mensen en zullen er weldra straffen volgen. De walvis was Gods corrigerende tik. Het gold als een voorbode voor rampspoed, zoals dat ook gold voor kometen, zonsverduisteringen en op hol geslagen stieren.

Jan Saenredam, ‘Gestrande potvis bij Beverwijk’, 1602, gravure. Beeld Huis Van Gijn (Atlas Van Gijn) Dordrecht

Het magisch denken

Het was heel één op één, zo leert men uit de cartouches en onderschriften waarmee de prenten van de strandingen gepaard gingen. Werden de drie potvissen die in 1577 strandden in de Westerschelde nog beschouwd als een vrij algemene oproep om God ‘genade te vragen’ en het ‘leven te beteren’, de aangespoelde vis bij Berckhey werd direct gekoppeld aan de verwoesting van Kleef datzelfde jaar door de Spanjaarden. En in de gestrande potvis bij Beverwijk in 1602 zagen bijgelovigen een omen voor zelfs meerdere noodlottige gebeurtenissen, waaronder een pestepidemie in Amsterdam en een aardbeving. Zo ging het door. Een griend die in 1608 aanspoelde tussen Scheveningen in Katwijk zou vooruitwijzen naar de bedrieglijke opstelling van ‘des Conincx van Spaignien’ (Fillips III) gedurende het Twaalfjarig Bestand; de strandingen van potvissen bij Noordwijk (vastgelegd door Willem Buytewech) en Scheveningen in respectievelijk 1614 en 1617 waren een waarschuwing tegen het in calvinistische ogen afkeurenswaardige bestand tussen de remonstranten en contraremonstranten. Walvissen op het strand waren tekenen aan de wand, en iedereen las die tekenen als een bevestiging van het eigen gelijk. Het waren immers altijd de andersdenkenden en gelovigen die zich beter door het zeedier gewaarschuwd zagen. Zo was kerkhervormer Maarten Luther er vast van overtuigd dat de ‘grote vis’ die in 1522 aanspoelde bij Wijk bij Zee een reprimande was aan de protestanten-vervolgers (‘God gaf hen echter een onheilsteken, opdat zij tot inkeer zouden komen en zich zouden berouwen’). Dat het evengoed een waarschuwing aan henzelf kon betreffen: het ging er niet in.

Zulk bijgeloof, schrijft Schama, verklaart deels waarom de prenten juist in de periode 1570-1650 zo talrijk waren. Hun populariteit hing samen met de penibele staat van de toenmalige Republiek. In een land waar belegerde steden en religieuze twisten het dagelijks brood vormden, zochten burgers hun toevlucht in de veilige haven van het magisch denken. Gestrande walvissen waren morele mijlpalen waaraan men zijn lot aflas. Toen de Republiek halverwege de eeuw arriveerde in rustiger vaarwater, nam de productie van prenten ervan af. Waarom ze na het Rampjaar 1672 geen heropleving kenden, is een los eindje dat ik graag laat bungelen.

Hoewel wij het geloof in de aangespoelde walvis als voorspeller al lang zijn kwijtgeraakt, duikt hij als beeld nog vaak op in kranten en opiniebladen. Het is een dankbaar sjabloon voor (politieke) cartoonisten, die hem gebruiken als symbool voor een patstelling of fenomeen waarmee men zich in de maag gesplitst ziet. In een cartoon belichaamt hij de komst van de euro. In een andere (Bas van der Schot) het huisvesting-probleem. In weer een ander: Syrische burgerslachtoffers. Zulke vissen mogen dan veel simpeler ogen dan hun 17de-eeuwse evenknieën, nog altijd dienen ze vooral als boodschappers van slecht nieuws. Ze zijn tekenen aan de wand. Vege tekenen.

Bas van der Schot, Spotprent n.a.v. het instellen van een projectminister voor de woningmarkt, Volkskrant 2012. Beeld Bas van der schot,

Beet! Vissen naar verborgen betekenissen, t/m 10/11, Dordrechts Museum. 

Dansen in de vis 

In de 19de eeuw verloren de walvissen hun laatste restjes profetische betekenis en verwerden ze geheel tot bezienswaardigheid. Vermakelijk is het verhaal van de 27 meter lange, 300 duizend kilo zware blauwe vinvis die in 1827 strandde bij Oostende. Hij werd tentoongesteld en gedetermineerd en verkocht aan de lokale zakenman H. Kessels, die het karkas gebruikte als uitspanning voor diners dansants en het later schonk aan onze eigen koning Willem I. Op een spotprent uit die tijd fungeert het karkas als koninklijke koets, bevolkt door kleine koninklijke vissen.

Jean Ignace Isidore, Gérard (Grandville) Omnibus royale des Pays Bas, 1829, litho, Rijksmuseum Amsterdam. Beeld Jean Ignace Isidore
Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden